Het makgevoel

Er is een nieuwe Mak: ‘De eeuw van mijn vader’. Een boek dat ongetwijfeld nog succesvoller wordt dan zijn Jorwerd-saga. De familie Mak kennen we immers allemaal. Het geheim van de schrijver? Een haast tastbaar ons-kent-ons-gevoel.

NEDERLAND HEEFT in de persoon van Gerard Reve al een volksschrijver. Een volksgeschiedschrijver hebben we ook: Loe de Jong. En sinds enkele jaren beschikken we over een volksjournalist: Geert Mak. Hij schrijft nog altijd in de krant, maar bekend en geliefd is Mak in de eerste plaats door zijn boeken, die om de zoveel jaar de zieltogende Nederlandse non fictie-markt nieuw leven inblazen. Neem zijn jongste boek, De eeuw van mijn vader. Bij de eerste druk zijn er al meteen veertigduizend exemplaren in de verkoop gebracht. Ongetwijfeld zal ook deze ‘nieuwe Mak’ zijn weg vinden naar het hongerende publiek. Het moet zelfs wel heel gek gaan, wil de oplage van deze honderdjarige familiegeschiedenis die van zijn boek over het kerkdorp Jorwerd niet overtreffen. Want al versmalt Mak zijn onderwerpen, zijn publiek zwelt alleen maar aan. Gaat Mak in wat hij beschrijft van groot naar klein, van wereldstad Amsterdam via de 'straat’ Jorwerd naar zijn eigen familie, zijn lezers gaan de omgekeerde weg. Bij Maks eersteling, De Engel van Amsterdam, waren het er nog 25 duizend (klein kan dat overigens ook niet genoemd worden). Maks epos over de geschiedenis van Amsterdam telde al zo'n 70 duizend lezers en Jorwerd kreeg er het onwerkelijke aantal van 160 duizend - veel meer mensen dus dan, om maar wat te noemen, de Amsterdamse Arena of het Thialfstadion in Heerenveen kan bevatten.
HOE KOMT MAK aan die indrukwekkende oplagen? Het moet te maken hebben met iets wat hij in zijn boeken aanboort en wat nog het best te omschrijven is als een ons-kent-ons-gevoel, dat bijvoorbeeld Duitsers hadden bij het zien van de televisieserie Heimat. De vrijgevochten hoofdstad van kooplieden, intellectuelen en sjacheraars die Mak beschrijft in De kleine geschiedenis van Amsterdam lijkt in veel opzichten op het Amsterdam van nu: een oord waar grootmoeders op Schouwen-Duiveland nog altijd voor waarschuwen en waar slimme kinderen uit die streek juist heen willen. Het minuscule dorp Jorwerd dat hij heeft geportretteerd, is heel vertrouwd. Bij de een heet het Midwolda, bij de ander Laag Keppel, maar welhaast iedereen heeft zijn eigen Jorwerd-experience. En de kleinste eenheid, het onderwerp van zijn nieuwste boek, de familie Mak, kennen we allemaal.
Dat bleek bijvoorbeeld bij de presentatie van De eeuw van mijn vader. Een warm applaus viel daar de journalist-schrijver ten deel, maar het was zijn oudste tante die de harten van de aanwezigen stal. Er kon geen misverstand over bestaan, deze Tante Maart, ruim in de negentig, was de tante die in elke familie voorkomt: kwiek, streng, een tikkeltje ondeugend en onverbiddelijk in sommige van haar vroeg-twintigste-eeuwse opvattingen. Nadat ze het eerste exemplaar van het boek uit handen van haar neef had ontvangen, wilde ze 'ook nog wat zeggen’. Wat volgde was een kleine, onderhoudende preek. Tante Maart had lang getwijfeld, zei ze, over wat ze Geert moest geven. Sigaren, tja; bonbons, dat gaf je toch ook niet aan een man; bloemen dan maar? Ineens had ze het geweten: Schiedam had zijn eigen product om trots op te zijn, een fles van dat bocht zou Geert toch geen kwaad doen. Ze zei het onomwonden. Als Geert de fles leeg had gemaakt, moest hij hem weg doen en geen nieuwe kopen, en de zaal aankijkend vervolgde ze: 'En ook geen bier gaan drinken.’ Bij haar thuis had er nooit een fles op tafel gestaan en daar kon men tegenwoordig een voorbeeld aan nemen.
Grote Geert zelf, zoals intimi hem ook wel liefkozend noemen, straalde deze middag het besef uit van de schrijver-arrivé die hij inmiddels is. Hij deed dat overigens goedlachs en in alle bescheidenheid. Misschien is hij nog wel meer dan anderen verbaasd over zijn schrijverschap, over zijn vermogen om met even mooie als eerlijke boeken de extended family Nederland te bedienen. Want wie zou dertig jaar geleden geloofd hebben dat hij dat in zich had? Waarschijnlijk noch hijzelf, noch zijn linkse vrienden. De domineeszoon en student Geert Mak was immers, net als later de meeste van zijn geloofsbroeders aan de gereformeerde Vrije Universiteit, tegen het bedrogen 'klootjesvolk’, tegen het establishment en tegen alles wat een driedelig pak droeg en dikke sigaren rookte of dat graag wilde doen. In zulk volk verdiepte je je niet, je hoefde het alleen maar te hervormen.
Nog 'veel te bleu voor Provo’, zoals hij zelf zegt, werd Mak midden jaren zestig dan ook actief in de studentenbeweging en later in een vrijwilligersorganisatie die zich inzette voor Vietnam-deserteurs en drugsgebruikers. Ook werkte Mak een blauwe maandag bij de Tweede-Kamerfractie van de PSP. Zijn draai als geëngageerde domineeszoon vond hij pas echt bij De Groene Amsterdammer, het toen hyperkritische weekblad, waarop zijn vader als een van de weinige gereformeerde predikanten al vlak na de oorlog geabonneerd was. 'Zwaarmoedigheid was hun geluk’, zei iemand eens over de redactie van dat blad - overigens deelden de journalisten van Westeinde dat gevoel van gelukzalig somberen met veel van hun serieuze en zwaar op de hand zijnde generatiegenoten. Tot het takenpakket van de jonge journalist Mak behoorde de wekelijkse opinie. Elke maandag zat hij tot diep in de nacht te tikken en te peinzen. Vaak moest hij daarbij denken aan zijn vader die als predikant elke zaterdag voor een vergelijkbare loodzware opgave stond: hoe de volgende dag de schare gelovigen gerust te stellen? Mogelijk is op een van die nachten ook de twijfel toegeslagen en heeft de linkse journalist zich de vraag gesteld: moet ik mijn hele leven met dit soort stukken de goegemeente blijven bedienen? En waarschijnlijk was er op den duur ook enige moeheid: al die rechtvaardige feministische en krakende lezers controleerden immers de redacteuren op een wijze die nu nog uitsluitend voorkomt bij anarchistische blaadjes als Ravage. Als Mak zich in een stuk afvroeg of porno al dan niet tot meer verkrachtingen leidde, leverde dat stapels ingezonden brieven op. Mak zou een 'onwillig links jongetje’ zijn, dat dol was op 'seksistisch woordgebruik’.
MOE VAN HET TEVEEL aan meningen, koos Mak voor een carrière in de beschrijvende journalistiek bij de VPRO en het NRC Handelsblad. Hij wilde af van het idee te weten hoe de wereld in elkaar zit; stukken waar je rond een gedachte allerlei feiten groepeerde als kerstballen aan een kerstboom, wilde hij niet meer schrijven. Hij werd verslaggever. Eerst van de actualiteit en later van het verleden. De duik in de geschiedenis moet voor hem dezelfde bevrijdende werking hebben gehad als de sprong in de natuur van zijn vriend, de schrijver en voormalig SP-maoïst Koos van Zomeren. Waren voor deze de koeien, de grutto’s en de distels een warm bad na alle vermoeiende stukjes voor het volksmaandblad De Tribune, voor Mak bracht het verleden de welverdiende gemoedsrust die hem in al die jaren van barricadenjournalistiek had ontbroken.
En zie! De lezers die hij via De Groene had willen opvoeden, maar die maar niet wilden komen, kreeg hij nu in groten getale. En ze blijven komen, tot op de dag van vandaag. Meer nog: in Jorwerd schijnt er zelfs sprake te zijn van Mak-toerisme. Duizenden randstedelingen hebben de afgelopen jaren het dorpje met een bezoek vereerd. Beschaafd als ze zijn, parkeren ze doorgaans hun auto aan de rand van het plaatsje, om daarna met het boek van Mak in de hand het openluchtmuseum met levende figuren van nabij te gaan bekijken. 'Ach kijk nou, wat landelijk’ en 'papa kijk, een boer’ zijn enkele van de uitroepen die de dorpelingen, nuchter als ze zijn, glimlachend aanhoren. De dagjesmensen ofwel 'de Makkers’, zoals ze in Jorwerd genoemd worden, kunnen op hun tocht genieten van het huisje waar Mak logeerde en waar boven de ingang een houten bord hangt met de tekst: Skriuwershûske. En wie geluk heeft, kan bij de broodventer van het dorp zelfgemaakte ansichtkaarten bemachtigen.
ALS IETS MAKS populariteit verklaart, is het wel zijn vermogen om de lezer het gevoel te geven erbij te zijn - iets wat de meeste historici niet kunnen en niet willen. Mak daarentegen lijkt niet bang te zijn voor de wereld van gisteren. Hij wekt de indruk met Pieter Jelles Troelstra op even vertrouwde voet te staan als met Wim Kok. Als geschiedschrijver geeft hij blijk van een prettig soort voyeurisme waarbij iedereen even makkelijk kan worden uit- en aangekleed - van kardinaal tot schoenlapper, van bankdirecteur tot poetsvrouw. Tegelijkertijd is in de geschiedenissen van Mak de polsslag van de tijd voelbaar: in zijn beschrijving van het Amsterdamse verledende predikingen van Luther en Calvijn en later die van Marx en Domela Nieuwenhuis; in zijn verhaal over Jorwerd de Schreibtisch-moord op de boerenstand vanuit Brussel; in zijn nieuwe familiegeschiedenis het giftige geraaskal van volgens Mak helaas de belangrijkste man van de eeuw, Adolf Hitler. Mak kortom, schuwt de blik vanaf de hoogste bergtop niet, maar vergeet nooit door het sleutelgat te kijken naar al die ploeterende en dapper voorthobbelende mensen in het verleden. Als het even kan begint hij in de huiskamer. Hij gaat van klein naar groot en van groot naar klein. Dat gebeurt echter niet altijd even soepel; vooral in zijn Jorwerd-boek is het evenwicht tussen de beschrijvingen van de kleine agrarische gemeenschap en de grote ontwikkelingen wel eens zoek en moet de lezer zich door al te veel statistieken, cijfers en uitweidingen over melkquota en boterbergen heenslaan.
OVERIGENS IS zijn methode in Nederland niet nieuw. Mak werd voorgegaan door socioloog-historicus professor P.J. Bouman (1902-1977). Deze paste in zijn 'proeven van menselijke geschiedenis’ wat hij noemde 'de methode der afnemende abstractie’ toe. Het leverde hem in de jaren vijftig een bestseller op: Revolutie der eenzamen, een boek vol journaalachtige notities over de eerste helft van de twintigste eeuw met veel aandacht voor het leven van de gewone man. Uiteindelijk zouden er 34 drukken van verschijnen. Toch is er een groot verschil tussen de professor en de journalist. Bouman bleef op afstand van zijn hoofdpersonen en was tegelijkertijd de alwetende historicus die de afloop van de gebeurtenissen kent. Mak kruipt met name in zijn familiegeschiedenis in de huid van zijn personages. Hij is de verslaggever die zich hun lot zichtbaar aantrekt en die bijna nooit de schoolmeester uithangt. Hoewel hij die neiging wel had moeten bedwingen, bekende hij op de presentatie van zijn nieuwe boek. Vooral als zijn vader en moeder een regelrechte stommiteit begingen in de ogen van hun zoon, die natuurlijk wel begreep dat hij makkelijk praten had vanuit zijn riante positie, met al zijn achterafkennis. Toen zijn ouders aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog besloten hun twee oudste kinderen vanuit Indië, waar het gezin toen verbleef, naar Nederland te sturen, had hij ze willen toeroepen: 'Pas op, kijk achter je!’ Maar gelukkig merk je daar als lezer niets van. Integendeel. Bladzijde na bladzijde weet de schrijver je nieuwsgierigheid op te wekken. Telkens weer houdt hij de spanning vast en is de afloop ongewis. Als in de gereformeerde kerk van vader Mak in 1926 een hels conflict uitbreekt over de vraag of de slang nu wel of niet echt gesproken heeft, weet je aanvankelijk niet welke kant dominee Mak zal kiezen. Je hoopt en verwacht een beetje dat de sympathieke predikant achter zijn domineesvrienden Smelik en Buskes zal gaan staan. Wanneer hij uiteindelijk toch de strikten in de leer volgt, voel je lichte teleurstelling. Als vader Mak tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indië is opgepakt en mag kiezen tussen zijn vrouw en kinderen en zijn kameraden, heb je als lezer weer zo'n moment van twijfel: wat zal hij doen? Ditmaal kunnen zijn makkers op hem rekenen, hij gaat met ze mee naar de Birmaspoorweg. En ook dat had je als lezer niet verwacht.
ZO ZIJN ER meer voorbeelden in het nieuwste boek van Mak. Vaak gaan ze over meer alledaagse dilemma’s, over de aanschaf van de eerste radio, van de eerste televisie en niet te vergeten van het eerste strijkijzer. In zijn spontane geschiedschrijving is het leven in vroeger tijden even chaotisch en onaf als het nu is. Maks hoofdfiguren zijn net als wij; ze doen maar wat hun goeddunkt en laten zich niet al te veel gelegen liggen aan het wereldgebeuren. Of de sokken goedkoper zijn op de Albert Cuyp of de Dappermarkt, of de Jenaplanschool geschikter is voor je leergierige peuter dan de Montessori, daar gaat het toch allereerst om in het leven. Kosovo, Oost-Timor, het is er wel, maar het is ver weg. Even ver als destijds Hitler en Hirohito. Pas als hun soldaten door je voortuin marcheren, maak je een keuze, en dan nog op goed geluk.
Wie Mak leest, leest over zichzelf, zei oud Trouw-journalist Ben van der Kaam op de boekpresentatie van De eeuw van de vader. En hij heeft gelijk. Natuurlijk zijn er meer redenen voor de buitengewone belangstelling voor de boeken van Mak: nostalgie, het maken van een reis door de tijd, het omzien in verwondering naar een verloren wereld en de vaak iets te lange algemene historische uitweidingen die zo prettig educatief blijken voor de historisch geïnteresseerde lezer. Maar het voornaamste is, dat Mak dicht bij zichzelf blijft en daardoor dicht bij zijn lezers, vooral in zijn laatste en tot nu toe beste boek. Wie naar de twintigste eeuw kijkt door de ogen van de familie Mak, is even bevrijd van de doem die over deze honderd jaar ligt en waarover al zoveel geschreven is.
Aan het slot van zijn nieuwe boek blijkt Mak een waardig zoon van zijn vader. Op het eind, in zijn epiloog, spreekt hij zijn lezers toe alsof hij op de kansel staat. Twintig bladzijden lang sombert hij over de toekomst. Maar zijn preek haalt het eerlijk gezegd niet bij de vrolijke kanselrede van zijn tante Maart tegen Bols en Heineken. Zijn lezers zullen het Mak echter niet euvel duiden: dat deze verteller ook nog een beetje kan preken, het is alleen maar meegenomen.