Moria en de gevolgen van het Europese beleid

Het Marathon Man-effect

Het debat gaat nu over hoe aardig we wel of niet zijn voor een paar weeskinderen in kamp Moria. Maar dat leidt af van de politieke vraag hoe het huidige beleid tienduizenden mensen planmatig in onmenselijke toestanden brengt.

Vluchtelingen op Lesbos nadat kamp Moria afbrandde, 11 september © Joris van Gennep

In de film Marathon Man uit 1976 speelt een piepjonge Dustin Hoffman een joodse New Yorker die een nazi-kamparts (naar zijn witte haardos der weisse Engel genoemd, smakelijk slecht gespeeld door Lawrence Olivier) ontmaskert. In een scène aan het eind van de film wordt Lawrence Olivier op straat in Manhattan herkend door een vrouw die in het kamp een van zijn slachtoffers was. Ze steekt schreeuwend en wijzend de straat over, en wordt aangereden. Meelevende mensen richten zich op haar. Doordat de aandacht op het slachtoffer gericht is, en niet op degene die zij herkent, kan der weisse Engel nog een laatste keer ontkomen.

Al voordat het vluchtelingenkamp Moria in vlammen opging waren er campagnes om mensen over te brengen naar andere Europese landen om de overbelasting op Lesbos te verlichten. Op het moment van de brand zaten er rond de 12.500 vluchtelingen, terwijl er capaciteit was voor drieduizend. In Nederland werd er actiegevoerd om vijfhonderd kinderen op te nemen. Na de brand was de Nederlandse regering bereid er een magere honderd op te nemen, maar die gaan dan wel van het quotum te hervestigen vluchtelingen af.

Er is deze dagen veel mededogen van mensen met kinderen uit Moria. Toch miskent de focus op de humanitaire kant van de zaak de politieke oorzaak van de misstanden. Het debat is nu toegespitst op de vraag hoe (on)aardig we willen zijn voor kinderen. Maar omdat de discussie daarover gaat, heeft niemand het nog over de vraag hoe het eigenlijk komt dat die kinderen in zo’n situatie zitten. Voor je het weet heb je geaccepteerd dat volwassenen best aan zulke wantoestanden blootgesteld mogen worden.

Tot in de jaren negentig zaten vluchtelingen met een uitkering in een flatje in Zaandam. Als er een heleboel tegelijk kwamen, zaten ze eerst een tijdje in asielzoekerscentra. Nu zitten ze in lekke tenten en schimmelende containers op Griekse, Italiaans en Spaanse eilanden. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Na de dekolonisatie van Afrika en Azië bleef het aanvankelijk mogelijk om heen en weer te reizen tussen veel voormalige koloniën en moederlanden. De burgerluchtvaart groeide vanaf de jaren zestig enorm, en dat werd driftig gestimuleerd door de rijke landen. Diezelfde landen waren echter bezorgd dat hun voormalige koloniale onderdanen nu met evenveel gemak naar het moederland konden komen als Europeanen de andere kant op reisden. Dat was niet de bedoeling. Vanaf de jaren zestig voerden Europese landen beperkingen in voor reis en verblijf vanuit voormalige koloniën naar het moederland.

Deze vroege vormen van migratiebeperking werden aangevochten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. In een serie zaken die culmineerde in het befaamde Abdulaziz-arrest uit 1985 bepaalde dat Hof echter dat staten migratie in principe zo mogen regelen als ze zelf willen. Hoewel er onmiskenbare aanwijzingen waren dat het nieuwe migratierecht eropuit was om mensen van kleur, en dus niet-witte mensen, buiten Europa te houden, vond het Hof dat geen sprake was van discriminatie op grond van ras.

Ondanks deze overwinning voor het nieuwe restrictieve migratiebeleid konden mensen nog steeds naar Europa reizen, omdat het visumbeleid van Europese landen uiteen liep. Vanuit de meeste landen in Azië en Afrika konden mensen zonder visum naar in ieder geval één Europees land reizen. Vanaf 1985 begonnen de Europese landen hun migratiebeleid te harmoniseren, weliswaar op een wat rommelige manier, maar toch mocht het resultaat er wezen. Tien jaar later hadden Europese landen hun visumbeleid volledig geharmoniseerd. Bovendien was er een boetesysteem ingesteld voor luchtvaartmaatschappijen die mensen zonder visum aanvoerden. Afrikanen en Aziaten hadden nu voor alle Europese landen een visum nodig. Handhaving van die verplichting gebeurde niet door de marechaussee op Europese luchthavens, maar door stewardessen bij incheckbalies in Lagos, Jakarta en Istanbul. Mede door de perfectionering van paspoorten en visa (die steeds moeilijker te vervalsen zijn) is het inmiddels uitstekend gelukt om de toegang van Afrikanen en Aziaten tot luchtvaartverbindingen strikt te reguleren.

En volwassenen, mogen die aan zulke wantoestanden blootgesteld worden?

Wel moet aangetekend worden dat naar schatting twee derde van de mensen die illegaal in Europa worden aangetroffen legaal (dus met visum) is ingereisd. Bovendien wijzen migratiesociologen als Hein de Haas erop dat het effect van dit alles op het aantal migranten in Europa weleens ‘negatief’ (als je minder migranten wil) kan zijn, omdat migranten veel minder gemakkelijk een keer terug gaan om te kijken of ze in hun land van herkomst weer kunnen aarden. Maar laten we dit even terzijde laten als wetenschappelijk gezever. Wat we dan zien is een eclatant succes. Van iedere tienduizend passagiers die van buiten de EU op Europese vliegvelden landen, hebben er slechts drie niet de vereiste papieren. Zelfs als we ervan uitgaan dat nóg eens een paar mensen op vervalste papieren reizen, of op papieren van iemand anders, dan nog is dit vanuit het restrictieve beleid bezien een fantastisch resultaat.

Het punt in de geschiedenis waarop de overtocht naar Europa in smokkelbootjes is begonnen valt samen met de periode dat Europa dit systeem (van geharmoniseerde visumvereisten gehandhaafd door luchtvaartmaatschappijen) perfectioneerde. Vanaf begin jaren negentig verschenen in Zuid-Europese lokale kranten kleine berichtjes over aangespoelde lijken van migranten. Europese landen wisten aanvankelijk niet wat ze moesten doen met de mensen die wel levend aankwamen per boot.

Onderzoekers als Paolo Cuttitta, Ana López-Sala en Dirk Godenau hebben laten zien hoe achtereenvolgens Spanje, Italië en Griekenland met veel inventiviteit en improvisatie een antwoord uitvogelden op deze nieuwe ontwikkeling. Dat antwoord bestaat uit drie elementen. Ten eerste: breng mensen die uit zee worden gevist of die aan land komen niet naar het meest dichtbij zijnde opvangcentrum, maar breng iedereen naar één plek, en wel een eiland waar je ze onder erbarmelijke omstandigheden in een kamp stopt.

Twee: breng deze mensen vervolgens niet over naar het vasteland. Op een goed moment is zowel het eiland als het kamp vol en breken er rellen uit bij zowel de oorspronkelijke bewoners op het eiland als bij de migranten. Dat levert het derde element op: een crisis. Overheden rollen daarmee de loper uit voor media die massaal uitrukken om die rellen, aangespoelde lijken en verkoolde onderkomens in beeld te brengen. En voilà, een nieuwe overwinning voor het restrictieve migratiebeleid: de aldus tot stand gebrachte crisis wordt gebruikt om maatregelen te legitimeren die eerder ondenkbaar zouden zijn geweest.

Dit scenario werd de afgelopen jaren met toenemend succes toegepast op eilanden in Zuid-Europa. Tijdens de zogeheten Cayuco-crisis op de Canarische Eilanden in 2006 slaagde de Spaanse regering er allereerst in om migranten in bootjes te veranderen van een Spaans probleem in een Europese kwestie. Het net nieuwe Europese grensagentschap Frontex kon onmiddellijk zijn nut bewijzen; Spanje kon Europese fondsen aantrekken; en Europa liet zich inspireren door het Spaanse Plan Afrika, dat een blauwdruk vormde voor de externalisering van het Europese migratiebeleid in Afrikaanse landen.

De Italiaanse regering borduurde hierop vervolgens voort toen tijdens de Arabische Lente van 2011 het aantal overtochten per boot opliep. Op Lampedusa liep de situatie, conform het scenario, volstrekt uit de hand. In een daarop volgende rechtszaak wist de Italiaanse regering het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zover te krijgen dat het bestaan van een dergelijke ‘humanitaire noodsituatie’ reden kan zijn mensenrechtelijke criteria naar beneden bij te stellen. Weliswaar was aangevoerd dat Italië deze noodsituatie zelf had geschapen, en zich daar nu niet op kon beroepen om de normen naar beneden bij te stellen, maar het Hof vond dat de rechter daar niet over kon oordelen.

De verharding van het Europese migratiebeleid had daarmee, net als in het Abdulaziz-arrest, de zegen gekregen van het Mensenrechtenhof. Zo wordt er inmiddels met scherp geschoten op mensen die proberen de grens over te steken, in Griekenland en bij de Spaanse enclaves in Marokko. Toen de Oost-Duitsers dat deden tijdens de Koude Oorlog wisten we heel goed wat we daarvan vonden. Tijden zijn inmiddels veranderd: eerder dit jaar complimenteerde president Von der Leyen de Griekse grensbewaking voor de kranige manier waarop ze pal stond voor Europa.

Inmiddels wordt er met scherp geschoten op mensen die proberen de grens over te steken

Ondertussen gingen de overtochten, vaak van Syriërs die weinig alternatief hadden, door. De Italiaanse overheid mediatiseerde dat met succes. Na de dood van honderden migranten op 3 oktober 2013 werden rijen doodskisten, vele met een bloem erop, in een hal op Lampedusa neergezet. Met name weldenkende media lustten er wel pap van. Een scheepswrak waarin het jaar daarna nog veel meer mensen verdronken werd voor draaiende camera’s van de zeebodem gelicht, en een kunstenaar mocht het tentoonstellen op de Biënnale van Venetië. De makers van de documentaire Fuocoammare kregen gelegenheid in het ruim van een schip de lijken van omgekomen migranten te filmen. De crisis werd zo kunst met een hoofdletter K, en in het kielzog van media en kunst won het crisismodel van de EU eens te meer aan importantie.

Op de golven van deze aandacht dokterden Italiaanse beleidsmakers in nauwe samenwerking met de EU een manier uit om het redden van mensen te laten samenvallen met een spijkerhard migratiebeleid. In plaats van dat de Italianen mensen uit zee visten en meenamen naar Lampedusa, zetten zij een Libische kustwacht op. Deze kustwacht werd op kosten van de EU uitgerust en getraind door de Italianen om zo veel mogelijk mensen uit zee te redden, en terug te brengen naar Libië. Zo valt mensen redden mooi samen met grenzen dicht. Onhandig is wel dat de Libische kustwacht en de Libische mensensmokkelaars (die ook de martelkampen en slavenmarkten organiseren) op z’n zachtst gezegd niet altijd goed uit elkaar te houden zijn. Niet alleen liggen gered worden en gemarteld worden daardoor dicht bij elkaar. Ook profiteert één en hetzelfde consortium van een pervers soort circulaire economie door met de ene hand geld te vangen van migranten voor de overtocht, en met de andere geld van de EU voor de kustwacht.

Het scenario werd weer gebruikt toen in 2015 de zogeheten vluchtelingencrisis Europa op zijn grondvesten deed schudden. Voor de goede orde: de crisis was dat Duitsland, wat betreft opname van vluchtelingen het zwaarst belaste land van de EU, evenveel vluchtelingen per inwoner moest verstouwen als Turkije (en tien keer zo weinig als Libanon). Maar goed, de media- en kunsteconomie draaiden weer op volle toeren – al helemaal toen er een dode kleuter op een Turks strand aanspoelde. In maart 2016 werd de Turkije-deal gesloten, die inhield dat Turkije in ruil voor zes miljard euro, visumvrijstelling en toetredingsbesprekingen alle mensen die op de Griekse eilanden aankwamen zou terugnemen.

Nederland (destijds voorzitter van de EU) speelde een vooraanstaande rol, en Mark Rutte slaagde erin linkse politici voor zijn karretje te spannen: pvda-leider Diederik Samsom kreeg de primeur met een interview in de Volkskrant, en Bram van Ojik van GroenLinks werd de eerste Nederlandse migratie-ambassadeur en droeg de deal uit. Aan de Griekse kant het vertrouwde recept: iedereen moest op de eilanden blijven, zodat de toestand in de kampen tenhemelschreiend zou worden. En zo geschiedde: omdat terugsturen zonder asielprocedure niet mag, en omdat asielprocedures in Griekenland nóg stroperiger zijn dan in Nederland, was de toestand in de Griekse kampen al gauw met geen pen meer te beschrijven.

De Turkije-deal geldt nog steeds als een blauwdruk voor Europees beleid. Dat betekent dat het crisisscenario dat daarin een belangrijke rol speelt, met alle slachtoffers die dat maakt, recht overeind staat. Nu heet het dat de Turkije-deal misschien weinig sympathiek, maar wel effectief is. Het aantal migranten zou sinds maart 2016 immers sterk gedaald zijn. Maar dat is, kort en goed, onzin. Wie de cijfers erbij pakt ziet dat het aantal mensen dat van Turkije naar Griekenland overstak piekte in oktober 2015. Daarna daalde het. Op het moment van de deal in maart 2016 was het al op het huidige lage niveau. Tenzij we de meest basale logica overboord zetten, kan de Turkije-deal dus simpelweg niet hebben geleid tot de daling omdat hij erop volgde.

Terug naar de kinderen van Moria. Het opnemen van vijfhonderd kinderen, daar kan een mens niet tegen zijn, want de toestand op de Griekse eilanden is mensonwaardig. Waarom hij alleen kindonwaardig zou zijn ontgaat me, maar goed: je moet ergens beginnen. Het is, terzijde, weinig verheffend om Lodewijk Asscher en Bram van Ojik, die de Turkije-deal steunden en die niet op second thoughts betrapt zijn, meelevende uitspraken te horen doen over de voorzienbare gevolgen van beleid dat zij steunen. Ook de lof voor Merkel, die wel vijfhonderd kinderen wil opnemen, is onbegrijpelijk – de Turkije-deal is echt haar ding. Zij plengen tranen over de gevolgen van beleid dat ze voluit steunen.

Maar erger is dat het debat nu gaat over een humanitaire kwestie: hoe aardig zijn we wel of niet voor een paar weeskinderen. Links en rechts kunnen bij dit debat allebei winst behalen – links door lief te zijn en rechts door bot te doen. Het debat gaat niet over de politieke vraag hoe het eigenlijk komt dat er tegenwoordig honderden of duizenden minder- en meerderjarige mensen sterven aan de Europese grenzen, en dat tienduizenden aan de grenzen van Europa in onmenselijke kampen zitten. Hoezeer ook elk leven telt: polemieken over een paar kinderen meer of minder zijn van betrekkelijk belang, als het beleid wordt voortgezet waardoor hun neefjes en nichtjes morgen weer aanspoelen en, indien nog in leven, op de door hen achtergelaten kartonnen dozen kunnen gaan slapen.

Onbegrijpelijk, die lof voor Angela Merkel die wel vijfhonderd kinderen wil opnemen

Aan de beste bedoelingen van de actievoerders hoeven we niet te twijfelen. Maar de aandacht voor de slachtoffers heeft als gevolg dat de verantwoordelijke politici wegkomen met beleid dat gewoon doorgaat met slachtoffers maken.

Fijn, zo’n scherpe analyse. Maar hoe moet het dan wel? De eerlijkheid gebiedt te zeggen: zolang de ongelijkheid tussen landen zo groot blijft als ze is, zal migratiebeleid nooit een fijn gezicht worden. Maar kan het misschien een ietsiepietsie minder bruut, dodelijk en grof dan het nu is?

Natuurlijk kan dat. We hebben het ooit gedaan. Het idee dat migratiebeleid alleen à la Orbán kan, met hekken en burgerwachten die vreemdelingen in elkaar slaan, is een politieke fuik waar progressief Europa in is gezwommen. Er hoeft niet te worden gekozen tussen migratiebeleid (maar dan wel met mensenrechtenschendingen), of door Afrika onder de voet gelopen worden (omdat we zo weldenkend zijn). Een sluitend alternatief ligt niet klaar. Maar de huidige wantoestanden zijn het gevolg van een halve eeuw beleid. Dat bestond weliswaar uit improvisaties, maar die hadden wel een heel duidelijke richting. Niets verhindert ons om, net zoals er stapsgewijs richting toenemende wreedheid geïmproviseerd is en wordt, ideeën te ontwikkelen die de andere kant op gaan. Zelfs al hebben we (net als de politici) geen blauwdruk op zak.

De arbeidsmarkt is een belangrijke reden waarom mensen naar Europa komen, ook als dat illegaal is. Europese overheden proberen de arbeidsmarkt onaantrekkelijk te maken voor mensen zonder verblijfsvergunning door de repressie op te voeren. Maar sinds een paar decennia wordt tegelijkertijd de arbeidsmarkt geflexibiliseerd, waardoor er steeds meer baantjes zijn waarmee je niet in je levensonderhoud kunt voorzien. Wie serieus minder illegale migratie wil, moet erop gebrand zijn om de arbeidsmarkt zo in te richten dat je van een baan weer kunt leven. Dat is goed voor de fameuze hardwerkende Nederlander. En het biedt minder ruimte aan mensen zonder verblijfsvergunning.

Vluchtelingen zijn een geval apart. Op Europees en op Nederlands niveau is het beleid gebaseerd op ontkenning (want we lossen het op met opvang in de regio, of aanpak van zogeheten root causes). Maar vluchtelingen zijn ouder dan de weg naar Rome. Landen als Libanon en Jordanië zitten eenvoudigweg vol. En terwijl Europese landen niet uitgepraat raken over root causes noemen ze daarbij merkwaardig genoeg nooit de echte klappers: militaire interventies door diezelfde Europese landen in Afghanistan, Irak en Libië, en indirecte oorlogen zoals die in Syrië, Jemen, Somalië of in de Sahel.

Omdat het beleid is gebaseerd op wensdenken (‘het aantal asielzoekers gaat nu écht naar beneden’) zijn er altijd te weinig opvangplekken en te weinig ambtenaren om asielbeslissingen te nemen. Zodra de aantallen asielzoekers naar beneden gaan, worden contracten van ambtenaren niet meer verlengd en asielcentra gesloten. Zo kon het gebeuren dat er nu, terwijl er niet erg veel asielzoekers in Nederland zijn, wel erg lange wachttijden zijn. Op nationaal en Europees niveau kan het beleid afscheid nemen van deze varkenscyclus, door bij een lage asielinstroom een ruime capaciteit aan te houden. Als het beleid uitgaat van een wat reëlere aanpak voorkom je crises. Dat zou een heuse breuk vergen met de huidige Europese aanpak op de eilanden, waar crises juist gecreëerd worden.

De Europese Commissie heeft sinds vorig jaar een speciale Commissaris voor ‘de bevordering van onze Europese levenswijze’ – ik verzin dit niet. Margaritis Schinas heet de man. Zijn belangrijkste portefeuille is migratie en asiel. Het huidige beleid brengt tienduizenden mensen planmatig in onmenselijke toestanden. Dat is niet ‘onze Europese levenswijze’. Het EU-Verdrag rept van ‘de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat’. Dat zijn hoge idealen, en in een onvolmaakte wereld zijn die misschien niet te realiseren. In de kampen aan de Europese grenzen is dat beslist niet het geval. Maar iets minder erg dan nu – dat kan best.


Thomas Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit