Onderzoek naar migratiejongeren op school

‘Het mbo is de blinde vlek’

Volgens onderzoeker Maurice Crul is er nergens zoveel schooluitval zonder diploma als in Nederland.

‘ONGEVEER een kwart van de jongeren uit migrantengezinnen doorloopt momenteel het hoger onderwijs of heeft daar al een diploma behaald. Een aanzienlijke groep, zeker als je bedenkt dat hun ouders vaak weinig opleiding hebben genoten.’ Maurice Crul, als onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies aan de UvA, ziet een duidelijke positieve ontwikkeling onder de tweede generatie van migranten in Nederland. Aan de andere kant constateert hij dat een kwart van deze groep het juist erg slecht doet. Een scherpe tegenstelling, die alleen in Nederland voorkomt.
Crul verblijft momenteel in New York als projectleider van het TIES-project (The Integration of the European Second Generation). Dit is het eerste grootschalige onderzoek naar migrantenkinderen. Het onderzoeksproject wordt uitgevoerd in vijftien steden, zoals Parijs, Barcelona en Amsterdam. In acht landen wordt onderzoek verricht naar zowel de structurele als de sociale integratie, wat betekent dat er naast primaire factoren als onderwijs, positie op de arbeidsmarkt en huisvesting ook wordt onderzocht hoe de tweede generatie presteert op het gebied van sociale relaties, partnerkeuze, religie en identiteitsvorming. Binnen het TIES-project is Crul gespecialiseerd in onderwijs. Hij constateert dat in Nederland het mbo de cruciale factor is binnen het integratiedebat. Hier komt maar liefst driekwart van de jongeren uit de tweede generatie terecht: 'Het is daarmee zowel een springplank naar het hbo als een plek waar veel jongeren uitvallen. Dat is een groot probleem, want een afgeronde mbo-opleiding is in Nederland vaak de minimale voorwaarde om een baan te vinden. In de praktijk betekent dit dat een kwart van de migrantenjongeren niet is uitgerust om een plek op de arbeidsmarkt te veroveren.’
De hoge uitval in het middelbaar beroepsonderwijs is volgens Crul het resultaat van een paradox in het Nederlandse schoolsysteem. In zijn ogen vormen de jongeren op de laagste afdelingen van het vmbo de meest kwetsbare groep. Ze worden slechts tot hun zestiende in het middelbaar onderwijs gehouden, daarna stromen ze door naar het mbo. Paradoxaal genoeg worden de jongeren die het best presteren op school tot hun achttiende in het middelbaar onderwijs gehouden: 'Het middelbaar onderwijs kent vele voordelen: het is overzichtelijk, kleinschalig en er is veel controle op verzuim en op de leerlingen zelf. Toch wordt de moeilijkste groep, die dan ook nog eens op de moeilijkste leeftijd is, in het massale mbo gestopt. En dan vinden we het vreemd dat daar veel jongeren uitvallen? Wat mij betreft ligt daar een groot institutioneel probleem van het Nederlands onderwijs.’
Van hen die het mbo wél voltooien, stroomt een deel door naar het hbo. 'De helft van de migrantenkinderen die in het hoger onderwijs terechtkomen, doet dit via de lange route. Onze conclusie is dat dit door de vroege selectie komt: al op twaalfjarige leeftijd wordt voor de Nederlandse jeugd bepaald in welk middelbaar onderwijs ze belanden. Dit is voor veel kinderen te vroeg. Ze weten uiteindelijk wel het hbo te bereiken, maar doen dit via de omweg. Deze route kost drie jaar extra en brengt nieuwe risico’s van uitval met zich mee. Dat pleit ervoor om jongeren in het middelbaar onderwijs een extra kans te geven om van het vmbo naar de havo door te stromen, zodat ze de lange route kunnen vermijden.’
Een derde manco van het Nederlands onderwijs is de scheiding tussen vmbo-theoretisch en de andere vmbo-opleidingen: 'Gevolg is dat alle jongeren die moeilijk leren zich concentreren op die laagste afdelingen van het vmbo. Het overgrote deel van hen heeft een migratie-achtergrond. Door de fusies in het onderwijs zijn deze afdelingen vaak ook op aparte locaties ondergebracht. Die scheiding zie je niet terug in andere landen.’ Daar kunnen probleemleerlingen zich aan andere leerlingen optrekken.
Een oplossing om uitval tegen te gaan ziet Crul in een intensieve samenwerking tussen het vmbo en het mbo: 'Wij pleiten voor een naadloze overgang tussen beide onderwijsvormen. Op die manier kunnen de jongeren in één keer, en liefst nog op dezelfde school, een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt halen’.
De aansluiting tussen de arbeidsmarkt en het onderwijs kan ook veel beter. Stages vormen een goede opstap naar een baan, maar dit gaat in Nederland niet zonder problemen: 'Als we naar Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk kijken, zien we in Nederland veel ruimte voor verbetering. Vooral Zwitserland heeft een erg ontwikkeld systeem voor stages bij bedrijven. Er wordt veel geïnvesteerd in stages zelf, maar ook in de voorbereiding daarop. Daarbij kun je denken aan het aanleren van sociale vaardigheden: hoe gedraag je je op een stageplek? Wat wordt er verwacht? Daarnaast worden jongeren geholpen bij het vinden van een stage, terwijl Nederlandse jongeren daar zelf verantwoordelijk voor zijn.’
Het onderwijs vormt de sleutel binnen het integratiedebat, vindt Crul: 'Je ziet zowel bij de succesgevallen als de voortijdige schoolverlaters dat dit sterk doorwerkt in hun verdere levensontwikkeling. Hoogopgeleide jongeren stellen vaak hun huwelijk uit, kiezen een eveneens hoogopgeleide partner en komen in hooggeschoolde banen terecht. Ook vertrekken ze uit de buurt waar ze zijn opgegroeid naar betere buurten, waar ze een koopwoning betrekken. Het komt er dus op neer dat hun kinderen in een middenklasse-omgeving opgroeien. Aan de andere kant ziet het toekomstbeeld van de schoolverlaters er somber uit. We constateren daar langdurige werkloosheid en instabiele arbeidsposities. De meisjes trouwen vaak al vroeg en kiezen een partner uit het land van herkomst, met vaak weinig opleiding. Voor de kinderen ontstaat er dan een situatie waarin beide ouders niet of slechts ten dele kunnen werken, en waarin het gezin rond moet komen van een minimuminkomen. Ze blijven in de cyclus van hun ouders hangen.’
De urgente problemen lijken nauwelijks aan de orde te komen in het beleid: 'Er gaat veel geld naar de Vogelaarwijken, maar op het gebied van onderwijs komen er weinig projecten van de grond. Er is veel aandacht voor de voorschool en het basisonderwijs en er is financiële ondersteuning voor het middelbaar onderwijs. Het mbo is echter een blinde vlek, terwijl hier voor een groot deel over de toekomst van deze jongeren wordt beslist. Dit komt vooral door bureaucratische verkokering, er is te weinig overleg tussen de beleidsmakers van de verschillende onderwijsdelen. Ik denk dat het belangrijker is om in termen van de volledige schoolloopbaan te denken. Internationaal zie je dat er nergens zo veel uitval is zonder diploma als in Nederland.’

Maurice Cruls onderzoeksproject heeft een website: www.tiesproject.eu