Het mechanisme van de uitroeiing

Roberto Bolaño baseerde een deel van zijn nagelaten roman 2666 op de vrouwenmoorden in het Mexicaanse Ciudad Juárez. Als alle grote romanciers speelt hij een geëngageerd spel met de perverse verlangens van de lezer.

Begin januari 1993 werd Esperanza Gómez Saldaña gevonden. Ze droeg een wit T-shirt met lange mouwen en een gele rok tot op haar knieën, een maat te groot. Volgens het gerechtelijk rapport was ze gewurgd. Ze had bloeduitstortingen op haar kin en rond haar linkeroog, en zware bloeduitstortingen op haar benen en ribbenkast. Ze was anaal en vaginaal verkracht, waarschijnlijk meermalen. Vijf dagen later werd Luisa Celina Vázquez gevonden, zestien jaar oud. Ze was gewurgd. Haar vriend bekende de moord, maar wilde ondanks aanhoudende druk van de politie niet ook de moord op Esperanza Saldaña bekennen. Halfweg februari werd het lijk van een derde vrouw gevonden. Ze ging gekleed in een zwarte jurk en een witte blouse. Ze was met messteken om het leven gebracht, hoewel er ook kneuzingen zichtbaar waren op haar gezicht en buik. Ze was ongeveer dertig jaar oud, haar identiteit kon niet worden vastgesteld. In maart werd Isabel Duarte, een radiojournaliste, doodgeschoten. De politie sprak van een uit de hand gelopen overval. Er werd geen verdachte opgepakt. In april werd Isabel Cansino aangetroffen langs de kant van de weg. Haar gezicht was kapotgeslagen, ze overleed in de ambulance. Een maand later, in mei, werd opnieuw het lichaam van een vrouw gevonden, ditmaal in een trailerpark. Haar identiteit kon niet worden vastgesteld. Ze was anaal en vaginaal verkracht. Onderzoek wees uit dat ze vijf maanden zwanger was.
Een niet-aflatende stroom van gruwelijke doodsberichten, dat is de rode draad in ‘Het deel van de misdaden’, het vierde en langste hoofdstuk in Roberto Bolaño’s nagelaten roman 2666. Al in de eerste tien bladzijden verneemt de lezer het lot van acht vermoorde vrouwen. In de vierhonderd volgende pagina’s schetst Bolaño de vondst van meer dan honderd verkrachte en verminkte lichamen. Ondertussen wordt er, zonder succes, naar de moordenaars gezocht. Dit alles speelt zich af in de Mexicaanse stad Santa Teresa, grenzend aan de Amerikaanse stad El Adobe. Die steden bestaan niet, net zo min als de slachtoffers die in ‘Het deel van de misdaden’ worden genoemd.
Tot zo ver de fictie. Roberto Bolaño baseerde het hoofdstuk op de reeks (lust)moorden die sinds het begin van de jaren negentig de stad Ciudad Juárez teistert. Daar, vlak bij het Amerikaanse El Paso, werden de afgelopen vijftien jaar meer dan vierhonderd vrouwen vermoord. Die ongelooflijke ‘femicide’ is nog niet gestopt, maar de laatste jaren wel naar de achtergrond verdwenen door de algehele stijging van het moordcijfer. Werden er in 2007 nog in totaal driehonderd moorden gepleegd, in 2008 waren dat er zestienhonderd. De laatste maanden is er zelfs sprake van tweehonderd moorden per maand. De drugskartels en de overheid verkeren op voet van oorlog. Onlangs nam de plaatselijke baas van de politie ontslag omdat onbekenden hadden gedreigd een politieagent te vermoorden voor elke 48 uur dat hij in dienst zou blijven.
Kathleen Staudt, als politicoloog verbonden aan de Universiteit van Texas in El Paso, publiceerde vorig jaar de studie Violence and Activism at the Border. Ze noemt de politie in Ciudad Juárez een ‘probleemfactor’ en wijst op verschillende oorzaken van het opflakkerende geweld in de stad. In de eerste plaats is dat de lucratieve drugshandel, en in het bijzonder de handel in marihuana. Dat is een van de speerpunten in de Amerikaanse war on drugs, die nu al veertig jaar zonder succes gevoerd wordt. Amerika is de grote afzetmarkt voor de Mexicaanse drugshandelaars. Aan de andere kant van de grens kunnen ze de zware wapens inkopen waarmee ze vervolgens rivaliserende bendes, protesterende burgers en het niet-corrupte deel van de politie bestoken. De vrouwen die de afgelopen jaren vermoord werden, werkten veelal bij de zogenaamde ‘maquiladoras’, de assemblagefabrieken die met name Amerikaanse multinationals in de grensstreek hebben opgezet. Voor zo’n twee dollar per uur zetten jonge vrouwen er radio’s en sportschoenen in elkaar. Openbaar vervoer is niet of nauwelijks beschikbaar en de straten rondom de fabrieken zijn slecht verlicht, wat niet prettig is voor wie in ploegendienst werkt. De toenemende misdaad werd overigens de laatste jaren als reden opgevoerd om de fabrieken naar China te verplaatsen, waar de lonen niet toevallig nóg lager zijn.
Bolaño reisde zelf nooit naar Ciudad Juárez af. Hij baseerde zich op informatie van bevriende journalisten, met name op het werk van Sergio González Rodríguez, die in 2004 het boek Huesos en el desierto over de zaak publiceerde. Hij vermoedde dat de plaatselijke autoriteiten het onderzoek bewust tegenhielden en suggereerde daarom dat hoogwaardigheidsbekleders bij de moorden betrokken waren. De journalist publiceerde een kritisch krantenartikel en werd drie dagen later in Mexico-Stad ontvoerd, gemolesteerd en op straat achtergelaten. In een lang artikel in The Nation over 2666 liet González Rodríguez optekenen dat de corruptie van de autoriteiten in Noord-Mexico de moordenaars de vrije hand geeft, waardoor er een ‘totalitair mechanisme van uitroeiing’ op gang wordt gebracht.
Bolaño had ervaring met totalitaire dictaturen, hij ontvluchtte het Chili van Pinochet. Zijn oeuvre was naar eigen zeggen één grote ‘afscheidsbrief’ aan de slachtoffers van de smerige oorlogen die in Zuid-Amerika hadden gewoed. In 2666 verwerkte hij vooral misstanden uit het hedendaagse, democratische Mexico. Verschillende ontwikkelingen in het verhaal zijn terug te voeren op ware feiten. Bijvoorbeeld de persconferentie die de hoofdverdachte, een Duitser genaamd Klaus Haas, in zijn cel houdt, een bijeenkomst waar hij de identiteit van de werkelijke daders onthult. In werkelijkheid werd er geen ‘slechte Duitser’ opgepakt, maar een Egyptenaar uit Texas, te weten Abdel Latif Sharif. Die man, aldus de officier van justitie in de stad, zou vanwege zijn Arabische achtergrond vrouwen haten. Nadat Sharif was opgepakt, gingen de moorden echter gewoon verder.
Bolaño laat voortdurend zien dat het virulente seksisme waarvan Sharif werd beschuldigd de meeste onderzoekers in de zaak niet vreemd is. Politieagenten maken ranzige grappen over de mogelijkheid van driedubbele verkrachtingen; een journalist die een artikel schrijft over de moorden neemt voetstoots aan dat alle slachtoffers hoeren zijn.
En steeds opnieuw, naast het verslag van het slabakkende onderzoek, de beschrijving van de moorden, met de monotonie van een kampregime, gaat Bolaño te werk als een lijkschouwer, zodat de misdaad in al haar gruwelen zichtbaar wordt. Tegelijk heeft de auteur oog voor de kleine details, de herinneringen waarin het verdriet voor de nabestaanden schuilt. Dat maakt ‘Het deel van de misdaden’ tot een vreemde, pijnlijke pageturner. Zo lees je over Rosa Gutiérrez Centeno, 38 jaar oud, die wordt teruggevonden in een blauw T-shirt en een roze jasje met verticale strepen. Gewurgd, aldus de gerechtelijk arts. Ze wordt geïdentificeerd door haar dochter, die haar moeder herkent aan het roze jasje. Dat jasje had ze namelijk altijd met haar moeder gedeeld, schrijft Bolaño op, ‘zoals ze wel meer dingen deelden’.
Dit is hartverscheurend én literatuur. Of beter: hartverscheurend omdat het literatuur is. Bolaño vernieuwt de romankunst, en dat doet hij paradoxaal genoeg door met tekstsoorten te werken die niet meteen als literatuur worden herkend. Zijn voorbeeld hierin is Borges, die verhalen en essays schreef volgens de conventies van andere genres, bijvoorbeeld de encyclopedie, de biografie en de recensie. Al eerder deed Bolaño dat, in Historia de la literatura Nazi en America (1996), een encyclopedie van biografieën van fictieve fascistische schrijvers in Noord- en Zuid-Amerika.
In zijn uitdijende, babbelzieke roman 2666 kiest hij een ander, wel zeer aards genre: het forensisch rapport. Je zou kunnen zeggen dat hij daarbij ingaat op de kritiek die de Joegoslavische schrijver Danilo Ki in de jaren tachtig leverde op Borges. Ki stelde toen dat hij het jammer vond dat de Argentijnse meester in diens Wereldschandkroniek vrijblijvende verhalen schreef over niet-bestaande filosofen en schavuiten. Volgens Ki mocht er in literatuur wel wat meer op het spel staan. Zelf gebruikte hij in Een grafmonument voor Boris Davidovitsj de documentaire vorm van de biografie om de wreedheid van de vervolgingen onder Stalin in herinnering te roepen. Ki wilde met zijn literatuur de geschiedenis corrigeren, dat wil zeggen ‘haar begiftigen met concreetheid en waarachtigheid’.
Met 2666 schreef Roberto Bolaño een geëngageerd boek, in de zin dat hij de (recente) geschiedenis in Ciudad Juárez begiftigde met concreetheid. Dat kan in dit geval heel letterlijk worden genomen. Zo concreet is Bolaño soms in ‘Het deel van de misdaden’ dat je bijna zou gaan twijfelen aan diens nobele bedoelingen. Of misschien vooral: aan je eigen nobele bedoelingen. Want waarom begin je steeds opnieuw aan die vreselijke alinea’s, meestal ingeleid door een simpele tijdsbepaling – ‘In de tweede week van maart’ – waarin weer het lichaam van een verkrachte vrouw wordt gevonden? Is de fascinatie die je voor die gruwelverhalen voelt niet een verdunde vorm van de fascinatie waarmee anderen naar zogenoemde snuff movies – films waarin echte moorden worden getoond – kijken? Een van de theorieën over Ciudad Juárez luidt dat de daders de moorden begingen om zulke films te kunnen maken. Om de verwarring nog te vergroten: in 2666 vertelt Bolaño rustig het relaas van de eerste snuff movie, die gedraaid werd in de woestijn van Mexico.
Aan het einde van ‘Het deel van de misdaden’ vraagt een parlementslid een journalist – die niet geheel toevallig Sergio González heet – om over de moorden te schrijven. Ze geeft hem de opdracht: ‘Ik wil dat u raak slaat, ik wil dat u uw tanden erin zet.’ González heeft al een slecht geschreven politieke roman op zijn naam staan, vol met beschuldigingen die hij niet kan bewijzen. Kan een schrijver het verschil maken? De auteur merkt peinzend op: ‘Literatuur wordt in dit land niet gecensureerd, maar evenmin gelezen.’