Sylvia Plath, Zie, de duisternis lekt uit de scheuren

Het meisje dat graag God wilde zijn

Sylvia Plath

Zie, de duisternis lekt uit de scheuren. Gedichten

Vertaald door Lucienne Stassaert

Uitg. Wagner & Van Santen, 207 blz., € 27,50

Karen V. Kukil (red.)

The Unabridged Journals of Sylvia Plath, 1950-1962

Uitg. Anchor Books, 732 blz., $ 18.00

«Haar stem spreekt nog zo duidelijk in haar gedichten», noteert de Britse schrijver en literatuurcriticus A. Alvarez in zijn zelfmoordstudie The Savage God (1971) over de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath (1932-1963): «Levendig, sardonisch, onvoorspelbaar, moeiteloos, vindingrijk, een beetje boos en altijd volkomen zichzelf.» Plath kwam Alvarez in 1962 elke week een stapel gedichten voorlezen. Sinds ze alleen met haar twee kinderen woonde, zonder haar man Ted Hughes (1930-1998), die haar voor een andere vrouw liet stikken, snakte ze naar een luisterend oor. Daarbij voor lief nemend dat Alvarez zich betweterig opstelde tegenover haar poëzie. Veel van wat ze hem voorlas vond hij te heftig, bijvoorbeeld in het beroemde Lady Lazarus: «Als je met dit soort heftig materiaal werkt, moet je het koel houden.» Hij was niet de enige figuur wiens opvattingen over poëzie Plath hebben beïnvloed. De dichter T.S. Eliot stond afwijzend tegenover al te persoonlijke bekentenislyriek. W.H. Auden noemde haar gedichten tijdens een college op Smith College te glad. En Robert Lowell, de manisch-depressieve dichter, hield haar voor dat je in gedichten niet open en vrijmoedig genoeg kon zijn.

In de laatste maanden van haar leven leek het Sylvia Plath allemaal niks meer te kunnen schelen. Alle remmen gingen los, zoals in het hypomane (licht manische) laatste jaar van de schilder Vincent van Gogh of de Deense wijsgeer Søren Kierkegaard. Was bij Van Gogh en vooral Kierkegaard de stemming veelal geprikkeld, bij Plath was de grondtoon gitzwart. Het ene na het andere gedicht borrelde omhoog als lava uit de vurigste vulkaan. Ineens hoefde ze niet meer eindeloos na te denken, zo vanzelf ging het. Op Alvarez maakte Plath, ondanks de urgentie van haar poëzie, aanvankelijk nog wel een quasi-opgewekte indruk. Later vond hij haar anders, gespannen, en op het laatst maakte ze een desolate, extreem eenzame indruk op hem.

Alvarez was zo onthutst over het venijn waarmee ze Daddy en Lady Lazarus voordroeg dat hij haar van de weeromstuit aanviel op futiliteiten. Of die in de ogen van Plath ook kleinigheden waren, waag ik te betwijfelen. In elk geval blijkt uit de uitstekende tweetalige verzamelbundel Zie, de duisternis lekt uit haar scheuren dat Alvarez’ kritiek voor Plath minstens één keer aanleiding is geweest om een strofe te schrappen. Na «Gentlemen, ladies/ These are my hands,/ My knees./ I may be skin and bone» had Plath «I may be Japanese» geschreven. «Waarom Japanese?» vroeg Alvarez haar. «Alleen omdat je het rijm nodig hebt? Of probeer je een gemakkelijk effect te krijgen door de slachtoffers van de atoombom erbij te slepen?» Resultaat: Plath liet de regel weg. Alvarez betreurde dit achteraf en erkende dat hij overdreven heftig had gereageerd en niets had begrepen van de vreemde gratie van het gedicht. Lady Lazarus is vooral bekend vanwege de regels «Dying/ Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well», een favoriet citaat van onderzoekers naar suïcide. In het titelgedicht van haar eerste bundel The Colossus schreef ze het al: «Dertig jaar lang heb ik me nu al ingespannen/ Om het slib uit je strot te baggeren./ Ik ben er niet wijzer van geworden.» Plath werd sadder not wiser, en niet ouder dan dertig. Ze kwam door zelfmoord om het leven.

Nog kritischer toonde Alvarez zich over een ander gedicht, maar dit keer trok Plath zich daar niets van aan. Op kerstavond 1962 kwam hij bij haar voor een borrel. Ze had hem voor het diner gevraagd, maar hij had al een afspraak. Het was de afgrijselijkste winter ooit. Alvarez had haar nog nooit zo gespannen gezien. Op die avond hoorde hij voor het eerst Death & Co. «Het gaat over de dubbele of schizofrene aard van de dood», schreef ze later: «de marmeren kilte van Blake’s dodenmasker bij voorbeeld, hand in hand met de griezelige weekheid van wormen, water en andere ontbindende invloeden. Ik zie deze twee aspecten van de dood als twee mannen, twee zakenvrienden, die op bezoek komen.» Het gedicht eindigt met de alarmerende mededeling: «Iemand is ten dode opgeschreven.» Ze bedoelde zichzelf. Alvarez begreep dat onmiddellijk maar begon te zeuren over «The nude/ Verdigris of the condor», het naakte kopergroen van de condor, wat hij overdreven morbide vond. Integendeel, antwoordde Plath, het was precies zoals poten van een condor eruitzagen. Kort daarop belde ze hem op met de vraag of hij met haar en haar kinderen mee wilde naar de dierentuin om te kijken of het klopte wat ze had beweerd over de condor. Ze liet de magnifieke regels intact. Het was de laatste keer dat Alvarez haar levend zag.

Reeds op dat moment had Alvarez het gevoel dat hij haar in de steek liet. Toch heeft juist Alvarez als geen ander de waarde en betekenis van haar poëzie ingezien, die volgens hem als een vreemde, sterke loep werkte, die haar normale leven met ongewone intensiteit veranderde en kleurde. Haar dagboeken zijn gefundenes Fressen voor ziel vorsers. Belangrijker is dat Plath haar zielenroerselen wist om te smeden tot aangrijpende poëzie. Er zijn lezers die van mening zijn dat poëzie het moet kunnen stellen zonder nadere uitleg of biografische achtergrond. Het gaat tenslotte slechts om de herkenbaarheid van de tekst, is de gedachte. In mijn ogen kun je bij de poëzie van Sylvia Plath nooit genoeg weten over haar achtergrond. Wat geenszins betekent dat haar werk zonder al die informatie waardeloos zou zijn.

Gebiologeerd kijk ik naar die ene foto uit The Unabridged Journals of Sylvia Plath die ik nooit eerder had gezien. Daarop staat een jonge vrouw met twee kinderen: een meisje, Frieda, van amper twee , dat nu 43 moet zijn en inmiddels een paar gedichtenbundels op haar naam heeft staan, met een paar vers geplukte narcissen in haar knuisten, en haar broer Nicholas, een baby van drie maanden oud. Sylvia Plath had mooie bruine ogen, slim en vol gevoel. Het drietal ziet er zorgeloos, jong en onbedorven uit. Het is allemaal schijn. Van binnen ligt bij Plath dan al het zwarte monster op de loer. Met meer geluk en adequate hulp zou ze nu misschien zeventig zijn.

De ouders van Sylvia Plath hebben een Duits-Oostenrijkse achtergrond. Haar vader, Otto Plath, is als adolescent in 1901 uit de Pruisische plaats Grabow naar Amerika geëmigreerd. Hij studeert biologie en houdt bijen. Hij is professor als hij in 1929 Aurelia Schober, Sylvia’s moeder, ontmoet. Zij is nog student en 21 jaar jonger. Aurelia studeert Engels en Duits en wordt lerares. Op 4 januari 1932 trouwen ze en op 27 oktober van datzelfde jaar wordt Sylvia geboren. Ze groeit met haar astmatische broertje op in Winthrop. De baai bij Winthrop, waar haar grootouders woonden en waar je de zee tekeer kan horen gaan, staat symbool voor Sylvia’s verloren kindertijd. Vlak na haar achtste verjaardag sterft haar vader aan een longembolie, kort nadat zijn been is afgezet vanwege de gevolgen van suikerziekte. In het gedicht Daddy is hij tot standbeeld verworden, en Whintrop werd omgedoopt tot Nauset: «Akelig standbeeld met één grijze teen/ Zo groot als een zeehond uit Frisco/ En een hoofd in de grillige Atlantische Oceaan/ waar hij bonengroen uitgiet over het blauw/ in de wateren nabij het heerlijke Nauset.» Ook in Little Fugue zinspeelt Plath op het geamputeerde been van haar vader: «Ik was zeven, ik wist niets./ De wereld deed zich voor./ Je had één been, en een Pruisische geest.»

Op haar tiende verhuist Sylvia naar Wellesley vanwege de goede opleidingen daar. De strijd tussen haar tomeloze ambitie en haar neiging tot conformisme kan beginnen. Kort na haar zeventiende verjaardag noteert ze in haar dagboek: «Ik denk dat ik mezelf graag Het meisje dat graag God wilde zijn zou willen noemen.» Ze tobt met onzekerheid en existentiële angst. «Ik ben bang, ik ben niet stevig, maar hol. Ik voel achter mijn ogen een dove, verlamde holte, een afgrond van de hel, een nabootsend niets», schrijft ze op 3 november 1952. En even verder: «Ik wil mezelf doden. Om te ontsnappen aan mijn verantwoordelijkheid, om stiekem terug te kruipen in de baarmoeder. Ik verdrink in negativisme, zelfhaat, twijfel, krankzinnigheid. Ben bang dat het rotte binnen in mezelf misschien in zweren en wratten zal uitbreken, roepend: verrader, zondaar, bedrieger.»

Op 24 augustus 1953 doet Sylvia Plath een zelfmoordpoging met een overdosis slaap pillen, waarna ze wordt behandeld in het fameuze McLean Hospital in Belmont, Massachusetts. Deze ervaring verwerkt ze pas veel later in The Bell Jar (De glazen stolp), dat in 1963, vlak voor haar zelfmoord, verschijnt. In die periode is ze voortdurend op zoek naar haar vader. Ze ontdekt zijn grafzerk uiteindelijk in Winthrop, op de Azaleaweg: «Ik vond je naam, ik vond je beenderen (…) je scheve gespikkelde grafsteen bij een ijzeren hek», schrijft ze in Electra on Azalea Path, dat eindigt met de curieuze regel: «Het was mijn liefde die ons beiden heeft omgebracht.»

In februari 1954 keert ze terug naar Smith College en vervolgt haar studie in het Engelse Cambridge, waar ze in de ban raakt van haar droomprins, Ted Hughes, «de enige man die ik hier heb ontmoet die sterk genoeg is om mijn gelijke te zijn». Dat schrijft ze lyrisch aan haar moeder, waarbij ze rept van een paar nieuwe gedichten, zoals Pursuit, dat ze maar meteen aan hem opdraagt: «One day I’ll have my death of him». Ted is dichter met (net als haar vader) oog voor de natuur, maar ondanks foto’s van een stralend paar in Cambridge en Parijs die anders suggereren, valt hun huwelijk tegen. Plath’ zelfmoord wordt Hughes aangewreven.

Pas in 1998, vlak voor zijn dood, haalt hij eindelijk zijn gram met de publicatie van Birthday Letters, dat hij opdraagt aan zijn kinderen. Het blijkt een frontale aanval op Sylvia Plath, die volgens Ted Hughes nooit los is gekomen van haar vader. Ze had volgens hem twee kanten: rood en blauw. Hij hield van haar blauwe kant, Plath zelf gaf de voorkeur aan groots en meeslepend, dus rood.

Een pikant detail is dat de vrouw voor wie Hughes haar verliet zich eveneens van het leven beroofde. Omdat ze officieel nog steeds getrouwd waren, kreeg Hughes bij Plath’ dood automatisch het beheer over haar nala tenschap, inclusief dagboeken. Aanvankelijk publiceerde hij die «ter bescherming van zijn kinderen» in gekuiste versie. Na Hughes’ dood verschenen ze ongecensureerd, compleet met schrijffouten. Van de laatste twee dagboeken vernietigde hij er één en het andere raakte zoek, zodat alleen aan de hand van ooggetuigenverslagen en Plath’ huivering wekkende gedichten te recon strueren is wat er de laatste maanden in haar omging.

Op 1 februari 1963 voltooit Plath Mystic, waar ze al eerder aan heeft gewerkt. Ze heeft zich daarvoor een tijd verdiept in geschriften van christelijke mystici en ze vertelt Hughes over haar extatische ervaringen. Het meisje dat God wilde zijn, krijgt Hem nu ook te zien, concludeert de vertaalster Lucienne Stassaert in haar prikkelende en informatieve nawoord. Niettemin lijkt me de grens tussen extase en psychose griezelig dun. Daarop volgen nog vijf gedichten, met Contusion (4 februari) en ten slotte Edge (9 februari). In Kneuzing zijn de spiegels al omfloerst en in Grenspunt staat na «De vrouw is vervolmaakt» iets over een «melkkannetje, nu leeg». Een verstild beeld, maar in de context niet minder verontrustend.

Op de ochtend van de elfde februari 1963 wordt Sylvia Plath gevonden, in een kamer waar sleutelgaten en deurspleten zijn dichtgeplakt met plakband, om te verhinderen dat het gas naar de kinderkamer zou opstijgen. Haar hoofd heeft ze zo ver mogelijk in de gasoven gestoken. Volgens Alvarez wil ze niet echt dood. Ze verwacht ’s morgens vroeg voor het eerst de Australische au pair. En op een briefje schrijft ze: «Bel svp dokter», met zijn telefoonnummer erbij.

Menig psychiater zou Sylvia Plath als borderlinepatiënt diagnosticeren, een aandoening die sinds de jaren tachtig steeds vaker voorkomt. Haar dagboeken wijzen in die richting. Ze had de neiging zichzelf te beschadigen, leed aan stemmingswisselingen en was bang dat ze uit elkaar zou vallen; ze was onzeker over haar identiteit, en voelde dikwijls een kwellende leegte. Het is ondoenlijk om een zekere diagnose te stellen bij iemand die je nooit hebt gezien. Plath’ vader speelt inderdaad een grote rol in haar oeuvre, maar dat rechtvaardigt geenszins de conclusie dat hij of zijn vroege verscheiden dan ook maar meteen als de oorzaak van al haar problemen en depressies kan worden aangemerkt. Tijdens psychoses en depressies zie je vaak oud zeer en verdriet van vroeger opborrelen, wat niets zegt over de oorzaak. In de psychiatrie is de oorzaak vaak onbekend. Op grond van een biologische stoornis kun je als psychiater wél een gefundeerde uitspraak doen. Sylvia Plath stond in de laatste maanden van haar leven om vier uur ’s morgens op, naar eigen zeggen om te schrijven, voordat haar kinderen om acht uur wakker werden. Maar dat vroege wakker worden kan duiden op een psychiatrisch symptoom. Het kan passen bij een manische toestand of een zogenoemde «vitale depressie».

Op grond van de beschrijving van A. Alvarez was Sylvia Plath behalve eenzaam ook erg somber. Ik denk dat ze leed aan een psycho tische depressie toen ze zelfmoord pleegde. Ze raadpleegde regelmatig haar arts, kreeg antidepressiva en slaappillen voorgeschreven, schrijft Lucienne Stassaert. Plath overwoog zich te laten opnemen in het ziekenhuis, wat helaas niet gebeurde. «Ik had geen enkele identiteit. En ik begon te vrezen dat mijn ogen misschien opeens als zeepbellen uiteen zouden spatten en iedereen zou kunnen zien dat er niets was, alleen vuile troep.» Dat schreef ze, zwaar depressief, in november 1952. Tien jaar later was ze opnieuw depressief. De grote condor wachtte niet langer. «Elk dood kind opgerold, een witte slang,/ een aan elk klein/ Melkkannetje, nu leeg./ Ze heeft hen weer/ In haar lichaam gevouwen zoals een roos/ haar bloembladeren sluit wanneer de tuin/ Verstijft en geuren bloeden/ uit de zoete, diepe kelen van de nacht bloemen.»