KUNST

Het meisje en de boom

BEELD HAL WERK

Ga op avontuur aan de hand van beelden. Neem achter Amsterdam CS de pont richting IJplein. Loop over de Meeuwenlaan, sla rechtsaf na Dirk van den Broek. En kom uit bij een bovenformaat hal, vroeger gebruikt voor havenhandel. Tot eind oktober zijn hier onder de woordgrappige titel BEELD HAL WERK beeldhouwwerken te zien van zestig kunstenaars.
De bedoeling was een samenkomst van Nederlandse beeldhouwers te organiseren, vertelt Manuel Klappe, kunsthistoricus en de enige niet-beeldhouwende van het groepje organisatoren dat verder bestaat uit Ad de Jong, Sohrab Bayat en Wouter Klein Velderman. ‘Omdat het op z'n minst jammer is dat iedereen na de kunstacademie ergens voor zichzelf bezig is en zijn collega-beeldhouwers zelden spreekt.’ Van het een kwam het ander en toen was er op een dag een hal gevuld met werk. De kunstenaars zijn geselecteerd door de initiatiefnemers, de beelden veelal door de makers zelf.
We zien het uitrolbare parkeerkleed van John Körmeling (1951), een 'wit groot nieuw beest’ van Tom Claassen (1964). Twee krijgers van Shinkichi Tajiri (1923-2009), een enorm wezen van karton waar wormachtige beestjes van gebakken klei uitkruipen van Maartje Korstanje (1982). Ondertussen draait er een groen, rond, plastic tafelkleed luidruchtig wapperend rondjes hoog tegen het plafond, of begint een kettingzaag gemonteerd op een beweegbaar voetstuk ineens woest om zich heen te zwaaien. Beeldhouwen, dat blijkt de afgelopen decennia onder meer te bestaan uit bouwen met hout, werken met wind, het stapelen van bierkratjes. Er gaan rolluiken omhoog en weer omlaag (Job Koelewijn, 1962), wit poeder valt traag van een stapel bouwemmers (Sohrab Bayat, 1982), een van de strandbeesten opgebouwd uit pvc-buizen van Theo Jansen (1948) staat klaar voor vertrek.
Spannend is deze opstelling zeker. Dat komt om te beginnen door de plek: een stoere hal die zware arbeid ademt. Tweede factor is de plaatsing van de beelden. In plaats van een hele zaal in hun eentje te mogen vullen, staan ze nu zó dicht op elkaar dat je nauwelijks afstand kunt nemen. Ze gaan de concurrentie met elkaar aan of vormen een samenwerkingsverband.
Wat is er aan de hand met het zwarte meisje van Anne Wenzel (1972) dat vlak bij een stevige stronk staat, welk drama speelde zich af met de figuur waarvan we alleen nog twee bovenformaat benen zien liggen (Henk Visch, 1950)? Wie stak waarom de zilveren zwaarden in de rug van de houten dame (Elisabet Stienstra, 1967)? En dreigt de man in witte overall - fles jenever aan zijn mond - met zijn trekker waar een zilverkleurig werktuig achteraan hangt (Paul Segers, 1976) het piepschuimen model voor een hufterproof sculptuur in wording plat te walsen (David Bade, 1970)? Het wemelt van verhalen waar je onderdoor en achterlangs loopt. Je maakt ze zelf of lijkt ze te verstoren, doordat je nu eenmaal (ook) een plek in moet nemen. Dan vind je jezelf weerspiegeld terug in het lachspiegelachtige vierkant MYSPACE van Floris Bovee (1982), of als ongenode gast terzijde staand bij de twee figuren in Wessel Couzijns (1912-1984) Rendez-vous voor tafel en stoel.
BEELD HAL WERK wilde een ontmoeting bewerkstelligen en is in die opzet geslaagd. Verlaat de hal met een hoofd vol beelden. Waarbij het niet altijd duidelijk is waar het ene begint en het andere eindigt.

BEELD HAL WERK, t/m 31 oktober, ma-zo 11-19 uur, Gedempt Hamerkanaal 85, Amsterdam-Noord