toneel: Hannah en Martin

Het meisje uit den vreemde

Ik heb een ongezonde nieuwsgierigheid naar ontmoetingen van mensen die ergens tussen 1933 en 1945 ieder aan een andere kant van de politieke en ideologische demarcatielijnen stonden, en die elkaar na 1945 weer zagen. Waar praatten ze toen over, wat verzwegen ze? Hoe snel vervaagde alles? Of vervaagde er niets en kwam alles na twintig jaar weer boven?

In 2004 verscheen de Nederlandse vertaling van Hannah Arendt – Martin Heidegger: Brieven 1925-1975. In de winter van 1932/33 namen ze afscheid, in 1950 zagen ze elkaar terug. Als lezer begon ik balancerend op een brug met ongelijke leggers: van Hannah Arendt had ik vrij veel gelezen, maar zelfs door de samenvatting van Heideggers filosofisch hoofdwerk Sein und Zeit (1925) kwam ik nooit heen. De correspondentie hield me uit mijn slaap gedurende een lange treinreis dwars door Duitsland: ik ben dol op romantiek, vooral als ik die zelf mag organiseren.

Arendt (1906-1975), bij een breed publiek vooral bekend door haar boek over het proces tegen de topnazi Eichmann (A Report on The Banality of Evil, 1963), was in 1925 de joodse leerling van professor Heidegger (1889-1976), op wie ze verliefd werd en dat was wederzijds. Na 1933 vluchtte ze via Parijs naar New York. Heidegger werd in 1933 lid van Hitlers NSDAP en is dat tot 1945 gebleven. Of hij in die tijd een ‘nazistisch filosoof’ was, daarover valt te twisten, hij heeft in ieder geval als hoogleraar filosofie twaalf jaar doorgewerkt en daarvoor na 1945 moeten boeten met een collegeverbod van vier jaar. Hoewel Hannah Arendt hem ‘een karakterloze leugenaar’ noemde is ze hem blijven bewonderen, liefhebben en gedeeltelijk verdedigen om ‘de storm van de eeuw die hem dreef’. Thuisloos en stateloos, niet meer Duits en nog maar gedeeltelijk joods, noemt ze zichzelf in 1950 ‘het meisje uit den vreemde’.

Lineke Rijxman (Arendt) en Willem de Wolf (Heidegger) hebben bij mugmetdegoudentand samen met Joan Nederlof (regie) het afgelopen voorjaar een voorstelling over dit tweetal gemaakt die Hannah en Martin heet. Rijxman en De Wolf zijn toneelspelers die een dunne huid kunnen toelaten tussen het personage dat ze vormgeven en de acteur die ze zijn. Een reportage vlak voor de première in mei 2009 sprak over ‘de vanzelfsprekendheid waarmee de personages Hannah Arendt en Martin Heidegger transformeren in De Wolf en Rijxman’, een ogenschijnlijke verspreking die omgekeerd ook werkt: de acteurs Arendt en Heidegger die transformeren in de personages Rijxman en De Wolf. De voorstelling kwadrateert het raadsel van het historische duo: twee acteurs vragen zich af waarom die twee in 1924 voor elkaar vielen; zij met de adrenaline van een bakvis, hij met de hormonale huishouding van een opkomend genie, zij verliefd op ‘de wind die door zijn denken blaast’, hij ‘om de kus van nabije dingen/ uit de stortvloed van het plotselinge’, zoals Heidegger haar vlak na hun herontmoeting toedicht.

Een raadselachtige liefde is het, waar het verdriet van een eeuw doorheen blaast, en wanneer een vluchtige vrijpartij in deze voorstelling ontspoort in pijnlijke onhandigheden, is het de schrijnende melancholie van een intense omarming die de keel van de toeschouwer alsnog ferm toeknijpt. Het discours over het kwaaie bloed dat zijn kruipwegen zoekt wordt af en toe verlucht met een jodenneus en een konijnengebitje. Collaborerende collegae van Heidegger in de hogere en lagere muzen als Richard Strauss en Johan Heesters passeren leep de revue. Wat overheerst is een intelligent en bij vlagen triest portret van twee radeloze mensenkinderen.

Hannah en Martin speelt alleen nog van 7 t/m 19 december in Frascati in Amsterdam