Studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen diagnosticeren portretten van Frans Hals in het Frans Halsmuseum als onderdeel van de Ogen Wijd Open Masterclass aan het Radboudumc, februari 2018 © Hans Aarsman

‘Kunnen we iets zeggen over het meisje dat we zien?’ vraagt promovenda Vanessa van ’t Hoogt aan haar studenten, terwijl ze van de zaal naar het scherm kijkt waar Het melkmeisje van Vermeer groot op geprojecteerd staat.

‘Dat ze een meisje uit de lagere klasse is?’ oppert een student, ‘als je naar haar armen kijkt, zie je dat haar onderarm en handen bruin zijn.’

Heel goed, zegt Van ’t Hoogt. ‘Daarboven is de huid veel witter, dus is het een vrouw die regelmatig buiten werkt in de open lucht, en vooral de lagere klasse moest buiten werken. Welk moment van de dag is het?’

‘Ochtend, want de schaduwen zijn lang dus staat de zon laag’, roept een ander vanuit de achterste banken.

‘En de kleuren zijn helder en fris.’

‘En ze staat een ontbijt te maken want ik zie brood en melk’, zegt een blonde jongen vooraan.

‘Dat denk je alleen als je een Hollander bent’, lacht iemand.

Het college waarin de toehoorders ‘als een Sherlock Holmes’, zoals Van ’t Hoogt het noemt, feiten deduceren uit de kunst die ze observeren, zit de maandagochtend vlak voor de eerste lockdown niet vol met studenten kunstgeschiedenis, maar met studenten geneeskunde. Ze volgen het hoorcollege Drawing and Sculpting the Human Body: How Art Can Enhance Your Diagnostic & Empathic Skills en zullen straks zelf in het bijbehorende werkcollege in de weer gaan met potlood en klei om elkaars lichaamsdelen na te bootsen.

Bedenker van het programma is Ann-Sophie Lehmann, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Toen ze in 2015 aantrad, vroeg de vice-decaan van het Universitair Medisch Centrum Groningen, zelf een kunstliefhebber, of ze een bijdrage wilde leveren aan het Medicine and Context-programma voor geneeskundestudenten, met vakken die buiten het medische curriculum vallen, zoals ethiek, filosofie en psychologie. ‘Het doel is toekomstige artsen holistisch te leren denken’, zegt Lehmann. ‘Ze moeten niet alleen een patiënt zien en denken: aha, symptoom A dus X, maar naar de gehele mens kijken.’

Kunst is daar een fantastisch middel voor. ‘Er is natuurlijk van oudsher een innige relatie tussen kunst en geneeskunde – denk maar aan de muurschilderingen van landschappen in ziekenzalen van kloosters. Die waren bedoeld om de zieken een blik op de buitenwereld te gunnen, wat het genezingsproces zou bespoedigen’, zegt Lehmann. Of denk aan de ‘anatomische les’. ‘Kunstenaars bestudeerden de anatomie door lichamen open te snijden en die na te tekenen.’

Maar via kunst kun je ook je visuele en empathische vaardigheden ontwikkelen – belangrijk voor een dokter, vindt ze. ‘In Nederland wordt er snel een beetje lacherig gedaan over de waarde van kunst – luister maar naar de denigrerende toon van minister Hugo de Jonge met zijn dvd’tje – maar kunst is geen frivoliteit waar je makkelijk zonder kunt. Het is van onschatbare waarde voor onze gezondheid en ons welbevinden.’

In de Verenigde Staten is het besef dat je visuele vaardigheden traint door naar kunst te kijken al veel eerder tot de medische wereld doorgedrongen, volgens Lehmann. Al in 1997 viel het Irwin Braverman, hoogleraar dermatologie aan Yale School of Medicine, op dat dermatologen in opleiding betere diagnoses stelden nadat hij ze had meegenomen naar het museum. ‘Dat geldt trouwens ook voor politiemensen’, weet Lehmann. ‘Die zijn ook beter in staat om een crime scene te analyseren als ze naar kunst hebben gekeken.’

Wetenschappelijk is dat inmiddels ruim en breed aangetoond. Een paar maanden voordat de pandemie uitbrak, verscheen een onderzoeksrapport van de World Health Organisation (who) waarin negenhonderd wetenschappelijke publicaties geanalyseerd werden. Op basis daarvan erkent de wereldwijde gezondheidsorganisatie het belang van kunst voor gezondheid en welbevinden. Zo hebben kankerpatiënten die kunst maken of naar muziek luisteren minder last van de bijwerkingen van hun behandeling, worden kinderen net zo rustig van kleuren als van een kalmerend middel, helpt dansles parkinsonpatiënten beter te bewegen. En ook behandelaars zijn gebaat bij kunstzinnige activiteiten. De who spoort Europese beleidsmakers aan om ‘te investeren in culturele interventies in de gezondheidszorg’.

Niet voor niets zijn de meeste opleidingen geneeskunde in Nederland, net als het Universitair Medisch Centrum Groningen, druk in de weer met dit soort kunstprogramma’s. Het Radboudumc in Nijmegen was de eerste die er in 2016 naar voorbeeld van de Amerikaanse universiteiten in Nederland mee begon. Het vrijwillige programma van zes volle zaterdagen voor zo’n veertig aio’s en co’s zit ieder jaar vol. Op die dagen werken deelnemers in een atelier samen met een kunstenaar. ‘Toen ik hier curator werd’, vertelt mede-initiatiefnemer Let Geerling, ‘dacht ik: hoe kan ik kunst nog een andere rol geven in het ziekenhuis?’

Dokters kijken volgens haar door een bepaalde medische bril en moeten zich aan protocollen houden en onder tijdsdruk werken. ‘Kunst is zonder regels kijken, de context laten meewegen, de tijd nemen. Wetenschappelijk onderzoek laat zien: participanten zijn daarna beter in patroonherkenning, maar ze zijn ook empathischer en laten de context van de patiënt meer een rol spelen.’

Dit jaar waren ze juist begonnen aan een pilot waarin ze samenwerkten met Introdans om artsen ook op een andere manier met lichamelijkheid en tastzin in contact te brengen. Helaas gooide corona roet in het eten.

Ook in het Rotterdamse Erasmus MC zijn ze al een jaar of vijf bezig. In samenwerking met Museum Boijmans Van Beuningen (dat nu vanwege renovatie gesloten is) gingen voorheen alle vierhonderd tweedejaars studenten geneeskunde naar het museum om een bepaald, van tevoren uitgezocht kunstwerk te bekijken – abstract of juist gedetailleerd. Ze moesten het objectief én subjectief beschrijven en die teksten met elkaar delen. ‘Wat doet dat met de overdracht?’ zegt Marijn Hulsbergen, huisarts en opleider aan het Erasmus MC, die het vak kunst van het kijken coördineert. ‘Of we lieten hen vijftig vragen stellen bij een kunstwerk.’

In Leiden zitten een kleine twintig getalenteerde studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen voor het honoursprogramma ’s avonds in een vergaderzaaltje van het Leids Universitair Medisch Centrum naar Mira te kijken, een vrouw van in de veertig met een bos lang haar en een tattoo, die peilend in de camera kijkt. Sigaret tussen de vingers, op de achtergrond een caravan.

Student Jessica Karuntu koos deze foto van Hanne van der Woude voor haar essay-opdracht over taboekunst omdat ze niet begreep waarom dit een controversieel kunstwerk was. Het is een van de werken uit de tentoonstelling die de galerie van het ziekenhuis op dat moment voorbereidt, met kunstwerken uit verschillende ziekenhuiscollecties die na klachten in het depot terecht zijn gekomen. Het schrijven van een essay over een taboe-werk is het sluitstuk van het honoursprogramma dat dit jaar voor het eerst werd gegeven en bestond uit een reeks colleges en museumbezoeken.

‘Ze is een beetje een hippie’, zegt Jessica tegen haar medestudenten over de vrouw op de door haar gekozen foto. ‘Als arts dacht ik meteen: ik zie ongekamd haar, een tattoo, sigaret, roodgelakte nagels en een caravan. Iemand uit de lagere sociale inkomensklasse die aan de zelfkant van de maatschappij leeft en is getekend door het leven. Toen ik langer keek vond ik haar krachtig, een vechter. Waarom mag dat niet in een ziekenhuis hangen? Is dat omdat die rookvrij zijn?’ vraagt Jessica zich hardop af.

Nabespreking van modeltekenen door studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen als onderdeel van de Ogen Wijd Open Masterclass aan het Radboudumc, juni 2019 © Hans Aarsman
‘Ik vind het belangrijk om te ervaren hoe het lichaam ingewikkelder in elkaar zit dan je je realiseerde. Zo’n oor bijvoorbeeld. Die afbuiging, een verdikking, een holte’

‘Dat ligt toch best voor de hand?’ zegt de ethicus van het ziekenhuis die deze les samen begeleidt met Sandrine van Noort, curator van het lumc. ‘Stel dat je als patiënt hebt moeten stoppen met roken?’ Later vertelt Jessica dat je die stereotypering als arts nodig hebt: ‘Je spreekt iemand maar tien minuten. Tijdens deze colleges leer je: waarom denk ik dat? Je moet een soort balans vinden tussen efficiëntie en onbevangenheid.’

Laurien Houtzagers, tweedejaars geneeskunde, was meteen geïnteresseerd in het programma. ‘Ik heb de interesse in kunst van thuis meegekregen. Tijdens vakanties in Spanje gingen we altijd naar Gaudí en Dalí kijken. En ik wist dat studenten geneeskunde in Noorwegen les kregen in kunst kijken om objectiever te diagnosticeren.’ Het leek haar nuttig. ‘Ik heb best snel een oordeel klaar – dat is niet handig als arts. We kregen bijvoorbeeld de opdracht om in Museum De Lakenhal vier schilderijen te bekijken in drie uur tijd. Normaal ben ik meer van zoveel mogelijk zien in zo weinig mogelijk tijd. Maar nu werd ik gedwongen om heel lang te kijken. Eerst zelf, daarna moesten we met z’n drieën gedachten uitwisselen. Dan zie je hoe verschillend je kijkt en wat je allemaal niet gezien hebt.’ Dat uitstellen van een oordeel en het besef dat er meerdere perspectieven zijn, vond ze eyeopeners. ‘Dit was echt het allerleukste onderwijs dat ik de afgelopen twee jaar heb gevolgd.’ Een andere student vult aan: ‘Life changing. Serieus! Ik heb me nooit gerealiseerd hoe subjectief mijn blik is.’

Gynaecoloog Frank Willem Jansen, die samen met curator Sandrine van Noort aan de wieg van het kunstprogramma stond, is zelf kunstliefhebber. Hij had als kind al tekenles en deed na zijn studie geneeskunde een jaar avond-kunstacademie. In zijn werkkamer op de zesde verdieping hangt het vol schilderijen, tekeningen (Piet Warffemius, Iwan Thijs en een nep-Picasso en -Botero) en beeldhouwwerken. Naast zijn werk in het ziekenhuis beeldhouwt hij ook zelf. Hij is ervan overtuigd dat die combinatie hem tot een betere arts maakt. ‘Artsen hebben de neiging om snel een patroon te herkennen en er betekenis aan toe te kennen. Kunst leert je objectiever te kijken en daarna pas te interpreteren.’

Maar waarom leren artsen in spe juist beter kijken door kunst? Helpt het bekijken van honderden foto’s met huidaandoeningen niet net zo goed? Professor Lehmann denkt dat kijkers zich bij kunst realiseren dat het met een reden is gemaakt. ‘Er is dus iets wat het bijzonder maakt en alleen al dat gegeven zorgt ervoor dat je er anders naar gaat kijken. Dat je het je volle aandacht schenkt en beter kijkt dan anders.’ Ze laat in colleges altijd de broodjes op de tafel op Het melkmeisje van Vermeer zien. ‘Die zien eruit als heerlijke broodjes, maar als je inzoomt zie je alleen maar stippen en verfstructuren en penseelstreken. Je ziet helemaal geen broodjes meer. Om zoiets te zien moet je dus een aantal cognitieve stappen nemen – en daar maak je studenten van bewust.’ Ze hoopt dat ze als ze daarna naar een patiënt kijken, ze zich meer realiseren hoe ze kijken, en wanneer ze observeren en wanneer ze interpreteren. ‘Maar het is natuurlijk ook gewoon leuker dan foto’s met huidaandoeningen. Het is iets anders wat ze zien en dat prikkelt het brein en de emoties. Mensen staan daardoor meer open bij het kijken naar kunst.’

Dat komt ook doordat kunstenaars spelen met verwachtingen en de kaders van waaruit we denken of kijken, licht Vanessa van ’t Hoogt toe. En Sandrine van Noort vult aan: ‘Omdat kunst gelaagd is en door een kunstenaar gemaakt met een bepaald doel dat jij als kijker niet kent, weet je dus dat het een betekenis draagt. Die kun jij ontdekken. En de enige manier waarop dat kan is door heel goed te kijken. Alsof je in een soort doolhof staat waarin je op zoek gaat naar de sleutel. Die wetenschap dat er een sleutel is, maakt dus dat je bereid bent om beter te kijken.’

‘En er is nog een groot voordeel’, glimlacht Van ’t Hoogt. ‘Het melkmeisje gaat niet blozen en niets geks over je denken – je kunt naar haar blijven kijken.’

Kun je het brein inderdaad trainen om beter te kijken? Is het te leren? Stefan van der Stigchel, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar aandacht en concentratie (en schreef daar verschillende boeken over). Het helpt als je weet hoe kijken werkt, denkt hij. ‘Het brein verwerkt maar een fractie van wat er aan visuele prikkels binnenkomt. Je selecteert alleen wat relevant voor je is. Dat doe je door middel van aandacht. Aandacht is een manier om die informatie te selecteren die voor jou relevant is. Alleen die info verwerk je, de rest negeer je. Dat kun je niet ánders trainen – dat is gewoon hoe het gaat.’

Maar weten dat het zo werkt en dat je dus veel details mist, kan helpen om je kijkstrategieën aan te passen. ‘Onze aandacht wordt gestuurd door onze verwachtingen, die weer bepaald worden door wie we zijn, wat we hebben meegemaakt, onze eerdere ervaringen et cetera. Je ziet dus vooral wat je verwacht en je mist vooral die details die je niet verwacht.’ In die zin is aandacht een soort spotlight die door een donkere ruimte gaat. ‘Wat belangrijk voor jou is, bepaalt letterlijk jouw kijk op de wereld. En we weten dat als je langer naar iets kijkt, meer details je opvallen. Kunst is een manier van gericht kijken. Als je kort kijkt, wordt je waarneming gedreven door wat je verwacht – dan mis je dus veel. Kijk je lang, dan zie je meer details. En omdat kunst veel details bevat en er metaforen, betekenissen, verwijzingen naar bijbel, mythes en sagen in verstopt zitten, is het makkelijker om er langer naar te kijken.’ Het helpt ook dat je als kijker weet dat het werk door een kunstenaar is gemaakt die er een bedoeling mee heeft; ieder detail heeft dus betekenis. ‘En omdat je in een museum met een minder gerichte, medische blik kijkt, is je verwachtingspatroon minder sterk dan wanneer je naar medische scans kijkt’, zegt Van der Stigchel.

Wat ook helpt, is dat het leuk is en ergens anders – in een museum en niet in de collegezaal. Je bent uit je habitat en dat nodigt uit om langer te kijken. ‘Als je iets voor de eerste keer ziet, kijk je beter. Scans en röntgenfoto’s lijken op elkaar en die heb je al vaak voorbij zien komen.’

En als je het met kunst oefent, kun je het volgens Van der Stigchel daarna ook met die saaie scans omdat je weet hoe kijken werkt: ‘Je weet: als ik langer kijk, zie ik meer. Artsen hebben natuurlijk vaak juist weinig tijd, zien dus minder details en zoeken al snel naar bevestiging van hun hypothesen waardoor tunnelvisie op de loer ligt.’

Ook het uitwisselen van hun kijkervaring, iets wat de studenten in bijna alle lessen moeten doen, is relevant. Omdat je waarneming zo afhankelijk is van je verwachtingen die weer afhangen van wie je bent, ziet iedereen iets anders. ‘Iedereen selecteert andere informatie. Dat is ook een belangrijke les voor veel dokters: dat je dus tot een beter oordeel komt als je met meerdere mensen naar een casus kijkt en informatie uitwisselt.’

Kunst verbetert niet alleen het observatievermogen, ontdekte Tamara van Woezik, die aan de Radboud Universiteit onderzocht welke effecten kunstobservatie nog meer heeft op jonge dokters. ‘We hebben de aio’s en co’s die deelnamen aan het kunstproject in Nijmegen vooral dingen laten máken, volgens het procedé van de kunstenaar wiens atelier ze bezochten. En wat we merkten was dat ze daardoor gingen reflecteren op zichzelf en op hun professie.’

Deelnemers kregen bijvoorbeeld de vraag om met een potlood een tekenopdracht uit te voeren. ‘Voor sommigen leverde dat enorm veel stress op. Na doorvragen bleek bijvoorbeeld dat dat kwam doordat er geen gum aan het einde van het potlood zat waardoor alles wat ze tekenden zou blijven staan. Het moest voor hun gevoel dus direct goed zijn. Veel artsen zijn best perfectionistisch en ook tijdens de opleiding wordt dat gestimuleerd: je mag geen fouten maken.’ Maar dat remt volgens Van Woezik ook de creativiteit. ‘Kunst is natuurlijk juist van regels afwijken. Al pratende vonden de deelnemers dat je ook als dokter een soort open ruimte voor jezelf moest kunnen creëren, een moment op de dag waarop je even reflecteert op wat je hebt gedaan. Veel oud-deelnemers gaven aan dat inmiddels ook te doen.’

De vraag is natuurlijk hoe afhankelijk die reflectie is van kunst. Waren die gesprekken ook gevoerd onder begeleiding van, laten we zeggen, een filosoof? Van Woezik denkt van niet. ‘Het was juist de belichaamde ervaring – dat je echt stress voelt als je iets moet natekenen zonder dat je het kunt uitgummen of dat je binnen een bepaalde tijd iets geboetseerd moet hebben – die tot de reflectie leidde. Juist het doen maakte dat ze bij de emotie kwamen.’

Dat kunst zich zo goed leent voor reflecteren komt ook volgens Van der Stigchel doordat het associaties en emoties oproept. Uit meerdere studies blijkt dat het bezig zijn met kunst het empathisch vermogen vergroot. ‘Nogal belangrijk in de klinische praktijk’, zegt Van der Stigchel. ‘De effecten zijn niet overdreven groot en we weten niet hoe lang ze aanhouden, maar ze zijn er wel.’

I n Groningen zijn de studenten na het Sherlock Holmes-college naar een ander lokaal gewandeld, waar inmiddels de uitgelaten sfeer van een kantine heerst. Kunstenaar Henrike Scholten, die in haar eigen werk haar fascinatie voor anatomische tekeningen verwerkt, deelt potloden en papier uit. De bedoeling is dat ze een lichaamsdeel van een medestudent gaan natekenen. ‘En teken wat je ziet, niet wat je denkt te zien’, drukt Scholten de studenten op het hart.

Vooraan zitten Matthias Schlegel en Georgina van de Oever elkaar ernstig aan te kijken. ‘Ik heb de essentie, geloof ik, maar nog niet de goede hoek’, zegt Georgina terwijl ze klein en minutieus in de linkerbovenhoek van haar papier het hele gezicht van Matthias tekent. ‘Je hebt een grappige neus! Vind je mijn neus ook leuk?’ vraagt ze koket en wijst met haar vinger ten teken dat hij zijn kin omhoog moet richten.

Hij pakt, ondanks de coronaverboden, haar hand, die hij voordat hij die tekent uitgebreid bevoelt en bestudeert. ‘Mooi. Ik let nu op veel meer details – die lijnen in haar hand, de huidstructuur, de proporties. Er gebeurt een hoop dat je niet ziet als je normaal naar een arm kijkt.’

Achter hen zoekt een meisje op haar telefoon een foto van een oor dat ze begint na te tekenen: dat werkt een stuk makkelijker, al is het niet de bedoeling. Maria Zwarts schetst de neus van Hannah Hollander: ‘Ja, ja, het wordt echt mijn magnum opus.’ Ze zou het nuttiger vinden als ze zouden tekenen in de snijkamer. ‘Dan steek je terwijl je beter leert kijken ook nog iets op over anatomische structuren.’ Of oude mensen, had ze ook beter gevonden. ‘Met huidaandoeningen en plooien en vergroeiingen. Al die jonge, gezonde lichamen…’

Bij het nabespreken zegt Vanessa van ’t Hoogt, die tijdens het werkcollege heeft rondgelopen: ‘Ik merkte ook dat jullie elkaar complimenten gaven, dat is nog zo’n mooie bijkomstigheid van tekenen. Je gaat elkaar echt zien en dat schept intimiteit.’

Waarna de klei op tafel komt. Er ontstaan olifantgrijze vingers, oren, ogen, lippen, neuzen. Een jongen zit geconcentreerd een buitenaards wezen te boetseren. Sofie, die in haar vrije tijd tekenles heeft, probeert het oor van haar buurvrouw te kleien. ‘Ik vind het belangrijk om iets te máken, met je handen bezig te zijn. Te ervaren hoe het lichaam nog veel ingewikkelder in elkaar zit dan je je realiseerde. Zo’n oor bijvoorbeeld. Die vloeiende lijn, met hier een kleine afbuiging, daar een verdikking en een holte. Waanzinnig, toch?’

Sofie stopt haar oor in een doosje om het mee te kunnen nemen. Op de rij voor haar drukt de jongen het buitenaardse wezen terug in de klomp klei waaruit het ontstond.