Het menselijk gezicht van verraad

Palestijnen werkten in het interbellum in groten getale samen met zionisten. De zionisten maakten daarbij handig gebruik van de conflicten in de Palestijnse samenleving.
HILLEL COHEN
ARMY OF SHADOWS: PALESTINIAN COLLABORATION WITH ZIONISM, 1917-1948 Uit het Hebreeuws vertaald door Haim Watzman University of California Press, 384 blz., $ 29.95

Enige maanden geleden liep ik met een Palestijnse vriend door een drukke winkelstraat in Amsterdam. ‘Kijk!’ zei hij en hij wees naar een verlichte winkelruit. ‘De eigenaar is een Palestijn uit Haifa. Zijn vader spioneerde voor de zionisten en zijn zoon heeft die familietraditie voortgezet. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, heeft de Israëlische regering hem een mooi bedrag gegeven om zich in het buitenland te vestigen.’

De verhalen over samenzweringen en verraad zijn talrijk onder Palestijnen in en buiten Israël. In Haifa kunnen de bewoners precies aanwijzen waar in de Halisa (een volkswijk in Haifa) een collaborateur woonde. En bij de ontruiming van de Gazastrook werden niet alleen de nederzettingen geëvacueerd, maar ook Dahaniyya, een speciaal dorp voor Palestijnse verraders onder Israëlische bescherming. Al sinds de val van het Ottomaanse Rijk waren er Palestijnen die samenwerkten met de vijand. Waar kwam die bereidheid om met de zionisten te collaboreren vandaan?

In zijn tweede boek, Tzava Hatzalim (2004), vanaf december 2007 onder de titel Army of Shadows in de boekwinkel, gaat historicus dr. Hillel Cohen gedetailleerd in op de vele vormen van collaboratie tussen 1914 en 1948. Hij baseert zich daarbij op een breed scala aan Arabische, Britse en zionistische bronnen: spionagerapporten uit de Haganah-archieven (een van de voorlopers van het Israëlische leger), dagboeken van vooraanstaande Palestijnse leiders, artikelen uit de Arabische pers en brieven van betrokkenen. Wat het boek aantrekkelijk en soms ook beklemmend maakt zijn de vele persoonlijke verhalen.

Cohen zelf groeide op in een joodse nederzetting ten zuidwesten van Jeruzalem. In zijn vroege tienerjaren droeg hij een keppeltje en was hij lid van de jeugdbeweging van Gush Emunim, die zich actief inzet voor de uitbreiding van nederzettingen. Op zijn vijftiende ging hij van school en zwierf drie jaar rond op de Westelijke Jordaanoever. Hij bezocht meer dan tweehonderd dorpen, sliep bij Palestijnen thuis en leerde Arabisch. In een interview in Ha’aretz beschrijft hij hoe hij eens op zijn motor de omgeving van Bethlehem doorkruiste. Palestijnse jongeren bekogelden hem met stenen en kwamen op hem af met een koevoet. ‘Maar mijn ervaring is dat voor elke Palestijn die je bedreigt, er een andere is die je beschermt en in zijn huis opneemt.’ De vele gesprekken die hij tijdens zijn tochten voerde veranderden zijn visie op de Palestijnen. Nog steeds vindt hij dat joden zich op de Westbank moeten kunnen vestigen, maar niet onder Israëlische bezetting.

Daarnaast ontwikkelde hij een grote belangstelling voor de onbekende persoonlijke verhalen die de nationale geschiedenis in een heel ander licht zetten. Hij beschouwt zichzelf echter niet als een van de New Historians, die met hun onderzoek de schuld van Israël aan het lot van de Palestijnen proberen aan te tonen, noch zegt hij te proberen het gedrag van Israël te rechtvaardigen. ‘Ik streef ernaar om mij, binnen alle beperkingen, open te stellen voor het materiaal, in plaats van mijn (steeds veranderende) opvattingen eraan op te leggen’, zegt hij zelf over zijn manier van geschiedschrijving.

Zijn eerste boek, The Presentee Absentee (2000), vertelt over de Palestijnse vluchtelingen van ’48 binnen Israël. Zij kregen een Israëlisch paspoort, maar konden niet naar hun eigen dorpen terug, die soms maar een paar kilometer verderop lagen. Na Army of Shadows schreef hij nog Good Arabs (2006), over Palestijnse collaboratie na 1948 en The Market Square Is Empty, over de positie van Oost-Jeruzalem. Op dit moment werkt Cohen aan een boek over de Palestijnse ‘vredesbeweging’ en de geschiedenis van de Palestijns-Israëlische samenwerking. Dat eerst Army of Shadows wordt uitgebracht en pas later de recentste geschiedenis heeft een praktische reden: op het moment dat met de vertaling ervan werd begonnen was Good Arabs, waarvan de vertaling in 2009 zal verschijnen, nog niet geschreven.

Army of Shadows verdeelt het interbellum in drie perioden. In iedere periode wordt verraad afgezet tegen de ontwikkeling van het Palestijns nationalisme en de strategieën van het zionisme. In de eerste periode, 1917-1935, is verraad vooral landverkoop. Gedetailleerd worden de samasirah, de Palestijnse tussenhandelaren, in kaart gebracht. Deze wakkeren bijvoorbeeld bestaande conflicten binnen een dorp aan, tot een van de twee partijen geen geld meer heeft voor zijn rechtszaken. Dan verschijnt de simsar met een aantrekkelijk bod en sluist het opgekochte land door aan de zionisten. Omgang met joden is controversieel, maar vele Palestijnen werken samen met joden of zijn met hen bevriend.

Cohen beschrijft hoe Kalvarisky, een belangrijke schakel tussen zionisten en Palestijnse collaborateurs, een uitstekende informant heeft met de schuilnaam Ovadiah. Iedere twee weken stuurt deze een uitgebreid rapport met nieuws over stakingen, pogingen van de Palestijnse leiders tot machtsuitbreiding en informatie over geheime bijeenkomsten. Pas na enige tijd krijgt Kalvarisky argwaan en ontdekt hij dat Ovadiah algemeen bekende informatie uit de Palestijnse pers gebruikt, ingekleurd met zelfverzonnen details.

De tweede fase, van 1936 tot 1939, is de periode van de Palestijnse Opstand tegen de Britten. We zien hoe de straffen op landverkoop steeds zwaarder worden: van boetes tot aframmelingen en uiteindelijk zelfs moord. Ook de definitie van verraad verbreedt zich. Zo wordt de beschuldiging van verraad door Hajj Amin al-Husseini, de grootmoefti van Jeruzalem en leider van de opstandelingen, met succes ingezet om de oppositie monddood te maken. Het is een periode van afpersing, wraak en ongeremd moorden, waarbij de rebellen de burgerbevolking tiranniseren in naam van het nationalisme.

In de derde periode, van het einde van de Opstand tot het uitbreken van de oorlog, is het hele land doordrongen van een fijnmazig netwerk van spionnen en ‘verraders’. Een belangrijk deel heeft politieke motieven, zoals oppositie voeren tegen Hajj Amin al-Husseini. Anderen worden gedreven door wraak, persoonlijk gewin of sociale uitsluiting. Wat pijnlijk duidelijk wordt is dat collaboratie een zeer subjectief begrip is en dat sommige van de politieke ‘verraders’ ook beschouwd kunnen worden als oppositieleden met een veel realistischer kijk op de machtsverhoudingen dan de bestaande leiders.

Na publicatie van de Hebreeuwse editie van Army of Shadows in 2004 verschenen binnen enkele weken ongeautoriseerde Arabische vertalingen in verschillende kranten. De reacties waren heftig. Velen vermoedden een verborgen agenda bij Cohen, verdachten hem zelfs van samenwerking met de Mossad. Er was ook kritiek op de eenzijdige beschrijving van de Palestijns-zionistische collaboratie, waardoor de dubieuze rol van de Britten, bijvoorbeeld bij de landtransacties, geheel buiten beeld blijft. Sayed Kashua, een Israëlisch-Palestijnse columnist, grapte dat alle Arabieren het boek van achter naar voor lazen. Niet omdat Arabisch van achter naar voor wordt gelezen, maar om snel te kijken of er namen van bekenden in de index voorkwamen.

Het lijkt een normale reactie wanneer een zo pijnlijk deel van de Palestijnse geschiedenis juist door een jood, een vijand, wordt beschreven. Toch neemt het boek zelf een groot deel van die bezwaren weg. Niet alleen is het goed gedocumenteerd en zeer menselijk geschreven, maar Cohen bespaart ons ook de sluwe en vaak controversiële strategieën van de zionisten niet. Wel toont het boek pijnlijk duidelijk aan hoe de verdeeldheid tussen de Palestijnen onderling de deur wagenwijd openzette voor de zionisten.

Een kritische noot bij het boek is dat er weinig harde cijfers worden gegeven, zodat de precieze omvang van de collaboratie niet duidelijk wordt. Daarnaast strandt de lezer af en toe in de vele namen en voorbeelden. In het algemeen zijn die persoonlijke verhalen echter de grote kracht van het boek. Zoals de zeer tot de verbeelding sprekende beschrijving van A.H. Cohen, die als undercover in Arabische kleding opereerde. Zo maakt dit boek niet alleen iets van de voortdurende angst voor samenzweringen onder Palestijnen invoelbaar. Het geeft ook een uitgebalanceerd beeld van een controversieel en gevoelig onderwerp binnen de Palestijns-Israëlische samenleving.