Rens Bod breekt lans voor alfa’s

Het menselijke in de wetenschap gerehabiliteerd

Rens Bod brengt in De vergeten wetenschappen de verworvenheden van de humaniora in kaart. Er is maar één conclusie mogelijk: deze kennis is ten onrechte in onmin geraakt.

In verhouding tot de niet-aflatende stroom technologie uit hard bèta­wetenschappelijk onderzoek steken de mens­wetenschappen schril af. Hoe zit dat eigenlijk met de bijdragen van de alfa’s aan de samenleving? Zijn die er wel? Wat is het bestaansrecht van de ‘zachte’ wetenschap nou precies – en kunnen we die eigenlijk wel wetenschap noemen? Rens Bod, hoogleraar aan The Institute for Logic, Language and Computation (illc) van de UvA, verbaasde zich al langere tijd over de afwezigheid van een algemene geschiedenis van de alfa­wetenschappen oftewel de humaniora. Met De vergeten wetenschappen: Een geschiedenis van de humaniora doet hij een imponerende en uiterst leerzame poging om in deze leemte te voorzien.

Bod breekt een lans voor de niet te onderschatten verworvenheden die de geestes­wetenschappen de mensheid hebben opgeleverd. Bovendien, en dit is minstens zo belangrijk, verschaft hij met zijn boek veel zwalkende alfa’s een prachtige gelegenheid hun zelfvertrouwen op te vijzelen.

Iedereen kent Newton, Einstein en Copernicus, maar de namen van grote geesten als Panini, Qian Sima, Poliziano, Al-Biruni en Vladimir Propp zijn slechts bij een handjevol specialisten bekend. Toch verdienen deze en vele andere door Bod besproken menswetenschappers het om bij een veel groter publiek bekend te zijn. De baanbrekende inzichten van de grote alfa’s blijken veel verstrekkender te zijn dan iedereen denkt. Leest u mee, ministers van Onderwijs, en vooral u, alfawetenschappers zelf?

Rens Bod maakt duidelijk dat het succes van de natuurwetenschappen, bijvoorbeeld in de genetica of de informatica, voortkomt uit ontdekkingen die gedaan zijn in de menswetenschappen. Daarnaast is het baanbrekende werk van humanistische filologen de voornaamste reden geweest dat ondanks hun onaantastbaarheid in de Middel­eeuwen allerlei bijbelse waarheidsclaims na kritische bestudering verworpen konden worden. Dat had niet alleen een enorme betekenis voor de opkomst van de Verlichting (Spinoza was, in navolging van de Leidse hoogleraar ­Scaliger immers met de stofkam door het Oude Testament gegaan) – ook de grote namen van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw waren schatplichtig aan het veranderde intellectuele klimaat dat door de filologie was ingezet. De onaantastbare auctoritas van de overgeleverde geschriften van bijvoorbeeld Aristoteles en Ptolaemaeus bleek op filologische gronden aanvechtbaar. Galilei en de zijnen zetten de logische volgende stap door ook hun natuurfilosofische aannames aan een kritische empirische toets te onderwerpen, met alle gevolgen van dien.

De vergeten wetenschappen staat vol met dit soort eye-openers, en dan hebben we het nog niet over de praktische en maatschappelijk relevante invloed van (kunst)historisch onderzoek. Want op welke basis wordt de authenticiteit van kunstwerken of het buitenlands, het economische of financiële beleid van een land bepaald? Inderdaad, op onderzoek uit de alfahoek.

Bods methodologische basisprincipe is dat alfa’s, net als hun bètacollega’s, altijd op zoek zijn naar empirisch waarneembare patronen (zelfs als het methodologische uitgangspunt uitgaat van de afwezigheid van patronen en de nadruk juist ligt op het afwijkende) en theoretische principes die daaruit voortkomen, of eraan voorafgaan. De verhouding tussen inductieve en deductieve kennisvergaring blijkt voor de menswetenschappen niet wezenlijk anders dan voor de natuurwetenschappen.

Het onderzoeksobject van de menswetenschappen spitst zich in Bods interpretatie van wat alfawetenschappen zijn toe op taal, literatuur, muziek, beeldende kunst en geschiedschrijving. Ambitieus als hij is, betrekt hij bovendien naast Europa en Amerika ook China, India en Afrika tussen Oudheid en heden in zijn onderzoek. In al deze vak­gebieden en regio’s ontwaart Bod ontwikkelingspatronen – in de omgang van de wetenschap met empirisch materiaal, of in de methodologieën waarmee dat geduid werd.

Neem een van de meest interessante bevindingen van De vergeten wetenschappen. De humaniora werden in hun beginperiode grosso modo gekenmerkt door een descriptieve vorm van wetenschap. Dit houdt in dat de gevonden regelmatigheden aanvankelijk een neutraal, beschrijvend, maar geen normatief voorschrijvend karakter hadden. De kentering van descriptieve naar prescriptieve wetenschap zette al in het klassieke Griekenland in. Deze fase, waarin de wetenschap bepaalde hoe de werkelijkheid in elkaar steekt of zou moeten zijn, werd pas in de twintigste eeuw afgesloten. Sindsdien lijken de alfa­wetenschappen weer in een descriptieve periode beland. De gang van descriptief naar prescriptief terug naar descriptief betekent overigens volgens Bod niet per se dat van een cyclische ontwikkeling in de humaniora sprake is.

Natuurlijk zijn er bij dit prachtige boek wel wat kanttekeningen te maken; sommige geografische regio’s, bijvoorbeeld Zuid-Amerika, blijven onderbelicht; de rechtswetenschappen komen nergens aan bod bij Bod en zijn demarcatiecriterium van wat het verschil is tussen alfa- en bètawetenschappen is wel erg pragmatisch: de Nederlandse universitaire praktijk bepaalt het onderscheid. Vooral dat laatste kan hem echter vergeven worden. Niemand zit natuurlijk te wachten op het zoveelste boek dat de tanden stuk bijt op de demarcatieproblematiek.

Door deze kwestie te omzeilen kan De vergeten wetenschappen doordringen tot wat écht interessant is: het in kaart brengen van de verworvenheden van de humaniora en ze rehabiliteren. Er is maar één conclusie mogelijk: deze kennis is ten onrechte in onmin geraakt.


Bart van den Bosch is historicus en wetenschapsfilosoof

Rens Bod
De vergeten wetenschappen
Bert Bakker € 27,50