Het mensenrecht op een stasi-akte

Christa Wolf, Auf dem Weg nach Tabou: Texte 1990-1994. Uitgeverij Kiepenheuer & Witsch, 344 blz., f43,70
‘ALS DE EERLIJKHEID daaruit bestond eenvoudig alles te zeggen, zou het heel makkelijk zijn om eerlijk te zijn, maar waardeloos, onleefbaar, alles vernietigend, deugd ten koste van anderen. Maar waar begint de leugen? Ik zou zeggen: waar wij beweren op die manier eerlijk te zijn - geen geheim te hebben. Eerlijk zijn: eenzaam zijn.’

Aldus noteerde de Zwitserse schrijver Max Frisch in 1949 in zijn dagboek. De voormalig Oostduitse schrijfster Christa Wolf nam de aantekening van de door haar hogelijk bewonderde collega op als een van de motto’s van haar zojuist verschenen essaybundel Auf dem Weg nach Tabou.
Wat is eerlijkheid? Waar begint de leugen? Het antwoord van Max Frisch mag dan wel kinderlijk eenvoudig klinken, het zijn welbeschouwd natuurlijk onmogelijke vragen. En het zijn juist die vragen die de kern uitmaken van Christa Wolfs literaire werk. In romans als Nadenken over Christa T. (1968), Kindheitsmuster (1976), De cesuur (1987) en Zomerspel (1989) zoekt ze aarzelend en omtrekkende bewegingen makend naar een taal om tot kennis over haarzelf en de wereld te komen. Haar boeken worden niet gestructureerd door anekdoten, geschiedenissen, gebeurtenissen, maar door de vaak pijnlijke vragen die ze stelt. De vragen roepen een meanderende stroom van associaties, analogieen, gedachten en gevoelens op. Schrijven als gewetensvol zelfonderzoek, zo zou Wolfs literaire programma kunnen worden samengevat.
IN KINDHEITSMUSTER bijvoorbeeld, de monumentale roman over haar fascistische jeugd in de jaren dertig in Landsberg (tegenwoordig het Poolse Gorzow Wielkopolski), stelt ze de vraag ‘hoe we zijn geworden wat we zijn’. Het nazi-verleden werd in de DDR diep weggeborgen in de ladenkasten van de geschiedenis: de arbeidersstaat was ferm opgebouwd door de antifascisten, de 'slechte’ Duitsers woonden in de Bondsrepubliek. 'Waar hebben jullie al die tijd eigenlijk geleefd?’ werpt iemand de hoofdpersoon voor de voeten, de geruststellende voorstelling van zaken doorbrekend. In Kindheitsmuster roept Christa Wolf nauwgezet de plekken van vroeger op, de vergeten gezichten, de verdrongen woorden en probeert ze inzicht te krijgen in 'het afschuwelijke geheim van de mensen van deze eeuw’.
En zo beschrijft Wolf in Zomerspel een ogenschijnlijk prachtige zomer - 'de zomer van de eeuw’ - die een vriendengroep samen in een dorpje op het Oostduitse platteland doorbrengt. Het lijkt een pure idylle, dit onbezorgde buitenleven vol toneelspel en filosofische gesprekken, maar onder het luchtige oppervlak worden telkens ongemakkelijke vragen gesteld en oncomfortabele inzichten geformuleerd. Want wat betekende het dat deze kritische intellectuelen die zich eens hadden gewijd aan de verandering van de maatschappij, die zich eens hadden geengageerd, nu eenvoudig naar het platteland trokken? Capitulatie? Had het voormalig enthousiasme plaats gemaakt voor een peilloze teleurstelling? 'Wat doet me eigenlijk zo'n pijn’, vraagt een van de vrienden zich af: 'Dat ik, als iedereen, gewend ben geraakt nooit precies te doen wat ik wil doen. Nooit precies te zeggen wat ik wil zeggen. Zodat ik waarschijnlijk, zonder het te merken, ook niet meer denk wat ik wil denken. Of zou moeten denken.’
DOOR DE LASTIGE vragen die ze stelde, door haar geduldige gewetensonderzoek - en vanzelfsprekend ook door de literaire kwaliteit van haar romans - groeide Christa Wolf uit tot het kritische boegbeeld van de voormalige heilstaat. Zij werd zowel in de DDR als in het Westen als het literaire geweten van haar land omhelsd. Zij was zo 'eerlijk’ kritische kanttekeningen bij het politieke regime te plaatsen - zij het heel voorzichtig - en rekenschap te geven van haar eigen angst en twijfel. Zij was ook zo 'eerlijk’ haar, uiteraard door en door menselijke, neiging tot zelfcensuur te thematiseren.
Zoals ze in 1974 in een open brief aan Klaus Sauer formuleert, bestaat de spanning en de bekoring van het schrijven nu juist uit 'het conflict van de auteur met zichzelf dat zich tussen de regels, achter de zinnen afspeelt: om bij de grens van het uitspreekbare te komen en die grens zo mogelijk op een onvoorspelbare plek te overschrijden en toch niet te kunnen, niet te “mogen”, omdat hij een door hemzelf bepaald taboe niet ongestraft kan schenden in vergelijking waarmee elk verbod van een censor onbelangrijk is.’
HET IS genoegzaam bekend dat Christa Wolf hard, heel hard van haar voetstuk is gevallen. Toen zij in 1990, ruim na de Wende, de novelle Was bleibt? publiceerde, was er maar weinig waardering meer over voor het morele monument van de DDR. In Was bleibt beschrijft Wolf beklemmend hoe ze wordt bewaakt en begluurd, afgeluisterd en geintimideerd door de Oostduitse geheime dienst. De critici oordeelden genadeloos: het was uitgesproken laf van Wolf dat zij de in 1979 geschreven tekst pas nu in druk liet verschijnen. Tien jaar geleden had het uitgeven van het boekje wellicht van subversiviteit getuigd, alhoewel het volgens de meest verbeten criticasters uberhaupt een gotspe was dat de prominentste schrijfster van het land, de 'nationale prijswinnares’ die tot het laatste moment lid was geweest van de communistische partij, zich nota bene als slachtoffer van de Stasi durfde voor te doen.
Toegegeven, de aanval op Wolf was buitenproportioneel. Van belangrijkste stem van de oppositie werd de schrijfster in een venijnige handomdraai tot 'staatsdichteres’ bestempeld. Bovendien werd de schrijfster niet alleen moreel gekapitteld; ze werd plotseling ook literair met de grond gelijk gemaakt. Zo schreef Die Zeit laatdunkend over 'deze aangename Christa Wolf-sound, deze wazige vrijblijvende melodie’. Niet geheel ten onrechte werd de, vooral Westduitse, afrekening met Wolf door sommigen als 'postmodern McCarthyism’ en ideologisch triomfalisme getypeerd: het is niet fair om haar met de zekerheid van de overwinnaar te verwijten dat zij in haar kritiek op de DDR veel te veel rekening heeft gehouden met de grenzen van het zegbare.
TOEN IN JANUARI 1993 de Stasi-akten van Christa Wolf werden geopend, werd 'Was bleibt?’ de meest gestelde vraag in de Duitse pers - 'Was bleibt jetzt noch von Christa Wolf?’ Uit het Stasi-archief bleek dat Wolf dertig jaar eerder, van 1959 tot 1962, toen zij dertig jaar oud was, onder de schuilnaam Margarete als IM (Inoffizieller Mitarbeiter) contacten met de geheime dienst had gehad. 'Die angstliche Margarete’ is de kop van de somber makende opsomming die Der Spiegel geeft van de informatie die de beroemdste auteur van de DDR de geheime agenten gretig babbelend heeft verschaft.
Die informatie betrof lang niet alleen 'cultuurpolitieke vragen’, zoals zij zelf openbaarde, maar omvatte ook lelijke roddels over collegaschrijvers en kletspraatjes over manuscripten die zij als tijdschriftredacteur en lector van een uitgeverij onder ogen kreeg. Natuurlijk, de inlichtingen die ze gaf vallen in het niet bij de tweeenveertig angstwekkende mappen met informatie over haarzelf, maar toch.
Sinds de Stasi-affaire dansen de Duitse critici onvermoeibaar op de brokstukken van Christa Wolfs ethische reputatie.
En de critici kunnen eenvoudig blijven dansen zolang Christa Wolf geen weerwoord geeft, zolang ze geen woorden vindt om over deze smartelijke episode in haar leven te spreken of te schrijven. Juist van een schrijfster die altijd zo standvastig naar de stemmen in haar innerlijk heeft geluisterd, zou je dat verwachten. Voorlopig hangt boven elk nieuw boek dat van haar verschijnt een donkere wolk van verwachting, de verwachting van antwoorden op deze nieuwe vragen.
Zo ook boven Auf dem Weg nach Tabou, waarin ze de neerslag van vier jaar denken en leven vastlegde. Te meer als daarin Frisch’ aantekening over de grens tussen leugen en eerlijkheid staat. Want is dat niet wat alle lezers nu eindelijk van Christa Wolf verlangen: 'eerlijkheid’ over haar banden met de Stasi?
Welnu, die 'eerlijkheid’ - en Frisch heeft gelijk: niemand verwacht dat ze al haar geheimen onthult - geeft Christa Wolf niet. Tot nog toe verkondigde Wolf dat ze haar IM-activiteiten glad vergeten was - 'een klassiek voorbeeld van verdringing’. Ook in de brief aan Gunter Grass die Im Weg nach Tabou is opgenomen, verklaart Wolf dat ze de toenmalige contacten nooit als 'medewerkerschap’ had begrepen.
Toch volgt op de brief aan Grass een merkwaardige, verwarde reactie op, zoals Grass het noemt, de 'Falle’. In antwoord op een adhesiebetuiging van Volker en Anne Braun schreef Wolf een curieus stuk experimenteel proza: flarden van zinnen in een ongebruikelijke typografie op de bladzij gezet, ongrammaticale fragmenten. Een tekst vol gaten kortom, die in schril contrast staat met de glasheldere, weloverwogen bespiegelingen die Wolf elders in het boek biedt. Ze rept erin van 'Selbstbetrug und Sinnetauschung’, zelf- en zinsbedrog, schrijft: 'Jetzt fallt mir die letzte Maske vom Gesicht’ en 'Das Schlimme ist/ Wir haben dieses Land geliebt.’
Eiste Heiner Muller, de belangrijkste Oostduitse toneelschrijver die ook een Stasi-verleden bleek te hebben, het 'mensenrecht op lafheid’ op, Wolf noteert: 'Es gibt lese ich ein Menschenrecht auf Irrtum/ Gibt es ein Menschenrecht auf eine IM-Akte.’
HET LIJKT ME dat Christa Wolf nog aan het begin staat van haar Vergangenheitsbewaltigung; de verwerking van het veleden is, en dat kan ook haast niet anders, nog lang niet afgerond. Daarom is Auf dem Weg nach Tabou, de wederom vernietigende Duitse kritieken ten spijt, wel degelijk een fascinerend boek. Het omvat lezingen, artikelen, essays, aantekeningen en brieven die op een of andere manier met de Wende te maken hebben; de bundel is in feite een zeer directe neerslag van de jongste (oost-) Duitse geschiedenis.
Zo opent Auf dem Weg nach Tabou met 'Sprache der Wende’, de rede die Wolf op 4 november 1989 op de Alexanderplatz hield en waarin ze haar problemen met het woord 'Wende’ uiteenzet - 'Ik zie daarbij een zeilboot, de kapitein roept: “Klaar om te wenden!”, terwijl de wind gedraaid is en de bemanning zich bukt als de zeilbalk over de boot vliegt’ - en oproept niet te vergeten dat zij het volk van de DDR zijn.
Het is duidelijk dat voor Christa Wolf de tijd vlak na de val van de muur doordesemd is van de hectische politieke ontwikkelingen. Wederom stelt ze zich kritisch op, nu ten aanzien van de nieuwe machthebbers van het verenigde Duitsland. Ze wijst niet-aflatend op de ondergeschoven positie van de voormalige Oostduitsers, de toenemende werkloosheid onder Ossies, het kapitaal dat Oost-Duitsland met rasse tred verovert. De D- Mark als nieuwe God, de succesvolle jongemannen met aktentassen die nieuwe banken in Oost- Berlijn opzetten, het mensentype van de vrije-markteconomie - Wolf schrijft er met een voorspelbare bitterheid over. Ze hamert erop dat de DDR de eigen geschiedenis niet moet vergeten, want het Westen heeft onmiskenbaar de tendens 'de DDR zo onhistorisch mogelijk te demoniseren als een fantoom, haar bewoners als monsters’.
De burgers van de voormalige DDR moeten juist de 'Wahrheit unserer Zungen’ spreken en met veel zelfkritiek het verleden bezien. Tegelijkertijd spreekt Wolf verschillende keren de hoop uit dat in de nieuwe maatschappelijke constellatie ruimte blijft voor het utopische. Het 'Utopieverbot’ van het Westen bevalt haar geenszins. 'HET VOORBIJE IS niet dood; het is niet eens voorbij. We maken het van ons los en doen alsof we er niets van weten.’ Zo opent Christa Wolf haar magnum opus Kindheitsmuster. Misschien juist omdat het voorbije vaak niet achter ons ligt maar nog onrustbarend actueel is, is Vergangenheitsbewaltigung zo moeilijk en pijnlijk.
In een interview vertelde Christa Wolf dat ze bijna twee jaar nodig had om de eerste bladzijden van Kindheitsmuster, de afrekening met haar eerste ideologische binding, te schrijven. Maar liefst zesendertig keer begon ze opnieuw, het duurde heel lang voor ze de goede toon, het passende handschrift had gevonden.
Uit Auf dem Weg nach Tabou, al met al een zoekend, onevenwichtig en hybride geheel, blijkt dat het waarschijnlijk nog wel even duurt voordat Wolf de toon en het handschrift vindt om zich los te maken van haar tweede ideologische binding. Maar zoals ze in haar verguisde novelle Was bleibt schrijft: 'Nou niet bang worden. In die andere taal, die ik in mijn oren hoor, maar nog niet op mijn tong proef, zal ik eens ook hierover spreken.’