RONDETAFELGESPREK OVER FAMILIE

Het merg van je bot

In een gesprek over familie draait het al gauw om de vraag in hoeverre je tot je familie veroordeeld bent. Duurt familie een leven lang of kun je je er ook los van maken? ‘Breken met je familie kan niet, onderbreken wel.’

‘IK HEB EEN PERIODE GEHAD’, vertelt Funda Müjde, ‘tussen m’n twintigste en dertigste, dat ik me volkomen van mijn familie wilde losmaken. Ik dacht dat het zo hoorde: je gaat naar de grote stad, je gaat op kamers wonen en je neemt afstand. Nederlanders waren ook niet bepaald familieziek, het was alsof ze niet eens familie hadden. De televisie ademde ook vrijheid, blijheid en individualiteit. En ik vond dat zo bevrijdend. Ik zag familie als verplichting. Ik dacht dat mijn vrienden mijn nieuwe familie vormden.
Toen werd ik op m’n 27ste moeder, van een dochter, en het veranderde opeens. Toen wilde ik opa’s, oma’s, tantes, ooms. Ik begon veel meer naar Turkije te schrijven, ben mijn familie in Turkije nadrukkelijk gaan opzoeken om mijn kinderen en mijn man voor te stellen. Ik besefte toen hoe ik me had vergist.’
Else-Marie van den Eerenbeemt valt gedecideerd in: ‘Familie is de meest krachtige band, maar ook de meest kwetsbare. Familieleden kunnen je gelukkig maken, maar je ook enorm kwetsen. Maar familiebanden zijn levenslang en niet te ontkennen. “Familie duurt een mensenleven lang”, wie schreef dat ook al weer? Achterberg? Vrienden lijken misschien op familie, maar vrienden kunnen verhuizen, gaan scheiden, en dan kan de vriendschap verwateren. Ze kunnen ook ex-vrienden worden. Maar met familie kan dat niet, dat gaat tot na de dood door.’
Nóg verder dan tot de dood ons scheidt – en dan is het gesprek ternauwernood begonnen.
Het is een grauwe zondagmiddag en we zitten in een gracieus zaaltje van Hotel de L’Europe in Amsterdam met vier vrouwen voor wie familie niet alleen, zoals voor iedereen, geleefde werkelijkheid is, maar in meer of mindere mate ook professie. Else-Marie van den Eerenbeemt is de meest flamboyante familietherapeute van Nederland, bekend van radio en tv. Onlangs verscheen bij uitgeverij Bert Bakker haar boek Door het oog van de familie. In het werk van schrijfster Maria Goos gaat het altijd om familie, of het nu een bankiersfamilie is als in de tv-serie Oud Geld, een arbeidersfamilie als in het vierdelige toneelepos De familie Avenier of de zelfgekozen familie van vrienden (haar toneelstuk Cloaca) of werk (het advocatenkantoor in de serie Pleidooi). Rita Kohnstamm is ontwikkelingspsycholoog. Ze schreef niet alleen een driedelig leerboek, maar betrad als oud-hoofdredacteur van Ouders van nu en Psychologie Magazine en als columniste ook altijd nadrukkelijk de publieke arena. Funda Müjde is actrice en cabaretière. In haar columns voor De Telegraaf voert ze met regelmaat haar familie op.
De ‘thé complet’ is net geserveerd – schalen met zalmsandwiches, scones, citroentaart, bonbons en zoute stengels – de dames hebben kort uitgewijd over hun eigen familieachtergrond en het gaat meteen over het meest wezenlijke: in hoeverre ben je tot je familie veroordeeld? Het ingewikkelde van familie is dat zij, om met cultuurcriticus Christopher Lash te spreken, een veilige haven in een harteloze wereld is, maar tegelijkertijd de bron van alle trauma’s. Je zou zeggen dat iedereen zich maar al te graag van zoiets ingewikkelds zou verlossen, maar familie steekt juist zo in elkaar dat dat niet zo eenvoudig gaat.
‘Toen ik als moeder mijn roots zocht’, zegt Funda Müjde, ‘hield ik ook een zoektocht in Syrië – de opa van mijn vader komt uit Syrië. Ik ontdekte er zusjes en broers van mijn opa die inmiddels over de tachtig waren. Ze hebben me onthaald… ze legden hun hart gewoon op een dienblad. Er was een bloedband, ik was een van hen. Ik werd als het verloren kind binnengehaald.’
Maria Goos sputtert tegen: ‘Daar heb ik grote problemen mee, de vanzelfsprekendheid dat je een band zou hebben, omdat er een bloedband is. Daar geloof ik helemaal niet in.’
Funda Müjde: ‘Maar ik zag daar mensen die op mijn andere neven en nichten leken.’
Maria Goos: ‘Ik heb het kind van mijn zus ontmoet. Mijn zus werd zwanger toen ze zeventien was. Haar kind heeft zij nooit gezien, omdat zij haar heeft afgestaan. Het meisje is nu zelf in de veertig en heeft contact met mij gezocht. Ze lijkt sprekend op mijn zus, ook in hoe ze zich beweegt, terwijl ze elkaar nooit ontmoet hebben. Maar ik voelde geen enkele band met die vrouw.’
Rita Kohnstamm, tegen Funda: ‘Misschien is het ook niet dat je echt een band voelt. Het is een soort vanzelfsprekendheid die bij familie hoort. Er is een uitdrukking die vaak wordt gebruikt: “Ik ben met jou getrouwd, niet met je familie.” Dat kan niet, je trouwt ook met die familie, alleen heb je niet dezelfde invalshoek als je man of je vrouw met zijn of haar familie heeft. Je kijkt veel objectiever. Dat is misschien wat je loyaliteit zou kunnen noemen, dat je naar je eigen familie niet objectief kijkt. Positief, negatief, het is zo’n husseltje bij elkaar van ervaringen die je met elkaar hebt gehad… Ja, het is een rechtse klootzak, maar het is wel mijn broer.’
Maria Goos sputtert nog steeds: ‘Jij ziet echt geen mogelijkheid om met je familie te breken zonder dat je daar last van hebt…’
Rita Kohnstamm: ‘Nee.’
Maria Goos: ‘… dat je met je familie breekt en zegt: het was een verrijking van mijn leven dat ik dat heb gedaan?’
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Totdat je moeder sterft of er iets is. Breken met je familie kan niet, onderbreken wel. Het kan nodig zijn dat mensen afstand nemen, maar breken niet. Je merkt dat mensen daar járen mee blijven worstelen. Als hun vader plotseling overlijdt, of een zus waarschuwt niet als moeder op de intensive care ligt, dan komt het weer in alle hevigheid opzetten. In alle hevigheid!’
Maria Goos: ‘Wat komt dan in alle hevigheid opzetten?’
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘De betekenis die mensen willen hebben in een familie, wat ze gegeven hebben, wat ze gekregen hebben, het is een existentiële zaak, kwetsingen die er zijn, wat ze tekort zijn gekomen, de hele balans wordt opgemaakt. Mensen blijven verlangen, misschien zelfs naar iets wat er nooit is geweest. Ik ontdekte dat er een verschil is tussen wat mensen zeggen en wat ze doen, toen ik werkte bij de ongehuwde moeders in Sint Hubertus in Amsterdam. Daar kwamen meisjes van vijftien, zestien bevallen die zeiden: “Moeder is een kreng, ik wil haar nooit meer zien.” En dan was het dochtertje geboren en vroeg ik hoe ze heette. “Nel, net als m’n moeder.” Dat is de paradox van de liefde. Het ontroerde me heel erg.’

De rode wijn wordt aangerukt en we krijgen het over de delicate balans tussen familie aan de ene kant en geliefden en vrienden aan de andere. Kiezen tussen de een of de ander, dat gaat zomaar niet. ‘Je hebt én én’, stelt Else-Marie van den Eerenbeemt, ‘en mensen vinden dat heel moeilijk. Daarom is Kerst een loyaliteitsconflict in iedere familie. Kies je voor je ouders of je schoonouders? Daarom zitten er vliegtuigen vol met kerstvluchtelingen die naar Zwitserland gaan.’
Ze legt uit: ‘Je kunt niet vóór je man of vrouw kiezen, tégen je familie. Je kunt iemand niet deloyaal maken aan zijn familie. Iedere familie heeft schaamte, heeft schande, heeft verhalen en die hoef je niet per se met je partner te delen. Ik gaf een lezing over familiegeheimen in Brasschaat. Er waren tweehonderd mensen, ze zaten zelfs op de grond. Een vrouw daar vertelde mij dat ze vijftig jaar was getrouwd en dat de avond voor de gouden bruiloft haar zuster uit Australië zou komen. Ze zei: “Ik was zo bang dat zij, als ze een borreltje op had, loslippig zou worden en dan misschien iets zou vertellen wat mijn man niet weet.” Zegt zij ’s avonds in bed tegen die man: “Luister eens, als Trees komt uit Australië en zij heeft een borrel op: onze vader is na de Tweede Wereldoorlog gedetineerd geweest voor drie jaar.” Toen zei die man: “Vrouwke, ik hou toch van je.” Voor haar gevoel was zij toen pas getrouwd, nadat ze haar geheim had prijs gegeven.’
Rita Kohnstamm: ‘Dat zijn natuurlijk prachtige dingen.’
Maria Goos, uit de grond van haar hart: ‘Verschrikkelijk!’
Else-Marie van den Eerenbeemt, laconiek: ‘Ik zeg ook niet dat het mooi is. Het gebeurt.’
De vraag blijft waarom we zo aan onze familie vasthouden als we er zo onder lijden. ‘Ik houd er niet zo aan vast’, zegt Maria Goos stellig. ‘En de vrienden met wie ik omga ook niet.’
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Maar als er iets aan de hand is in hun families, moet je eens opletten wat er dan gebeurt.’
‘De praktijk’, werpt Maria Goos tegen, ‘heeft het tegendeel bewezen in veel gevallen. Toen ik twee jaar geleden borstkanker kreeg, zei mijn zus: “Ik kom eraan!” Toen zei ik tegen haar: “Dat hoeft niet, want jij weet niet waar de pannen staan hier in huis, en de kopjes en de schoteltjes, en dan heb ik het gevoel dat je een logee bent en ik voor jou moet zorgen in plaats van jij voor mij.” Ik ben verhuisd van Breda naar Amsterdam en heb daardoor een totaal andere relatie met mijn familie dan degenen die in Breda zijn gebleven. Ik zei: “Maak je geen zorgen, ik heb hier goede vrienden die heel goed voor me zorgen.”’
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Maar je zegt toch iets heel wezenlijks. Het feit dat je zus zegt: ik kom eraan, daar gaat het om. Surinamers zeggen over familie: het is het merg van je bot. Je krijgt ze er niet uit. Het is niet nodig dat je zus komt, maar het feit dat zij het aanbiedt, is belangrijk.’
Maria Goos: ‘Ik vond het geweldig groots dat zij na even slikken accepteerde dat het niet nodig was. Maar voor de familie die in Breda is blijven wonen, is het belang van de familie ook heel erg praktisch. Mijn zus zorgt de ene dag voor de opvang van het ene kleinkind en de andere dag voor de opvang van het andere. Als er iets verbouwd moet worden of als er een tweedehands auto moet worden gekocht, helpt de familie.’
‘Zo heb je de beste familiebanden’, concludeert Funda Müjde, ‘als het niet vrijblijvend is, maar je elkaar nodig hebt, en dan zo dat je er niet eens bij stilstaat, dat het vanzelfsprekend is. Toen ik bijna twee jaar geleden een zwaar auto-ongeluk kreeg in Istanbul, stond de dag na de operatie mijn vader aan mijn bed. Het was zo heerlijk om weer kind te zijn. Familie hier in Nederland is kleiner dan in Turkije. Eerst is er het gezin, en dan een beetje je eigen vader en moeder, de schoonouders. Bij Turkse en Marokkaanse families heb je ook echt contact met de tweede en derde ring van neven en nichten. Na mijn ongeluk belden al mijn neven en nichten. Ik weet ook dat ze me in hun huis zouden opnemen als dat nodig was.’
Maria Goos: ‘Ik denk dat het uitmaakt of je van elkaar afhankelijk bent of niet. Als je in een kleine gemeenschap woont, heb je elkaar erg nodig. En dan is het van levensbelang dat je er niet uit valt. Op het moment dat je in een samenleving leeft waarin je je zonder je familie kunt ontwikkelen, is de noodzaak om de familieband in stand te houden ook veel minder groot.’
Funda Müjde: ‘Dat gebeurt nu met allochtonen. De economische onafhankelijkheid van vrouwen heeft gemaakt dat er meer scheidingen zijn, dat je van Deventer naar Amsterdam kunt verhuizen, ook als homoseksuele Turkse man, en ik weet niet of ze in Deventer iets van zijn leven weten, maar in Amsterdam maakt hij ook Nederlandse vrienden.’
‘Ik ben er heel erg dankbaar voor’, vervolgt Maria Goos onverstoorbaar, ‘dat de extreme loyaliteit die ik aan mijn moeder had, na diep verdriet om haar dood, omsloeg in een enorm gevoel van bevrijding. Ik hóef niet meer loyaal aan haar te zijn. Vanaf dat moment gingen dingen ook lukken. Want loyaliteit bij ons in de familie was mislukken. En daar ga je als kind héél ver in, als het brandmerk van je familie nu eenmaal is: bij ons lukt nooit niks.’

Rita Kohnstamm heeft een tijdje zitten luisteren en zegt nu peinzend: ‘Dat losmaken, dat lijkt zo’n bewust concept, maar het leven zelf maakt dat je, bijvoorbeeld als broers en zusters, uit elkaar groeit. Je gaat allemaal je eigen weg, woont niet meer zoals vroeger allemaal in dezelfde wereld. Je hebt allemaal je eigen toekomst. Maar er komt een moment in het leven dat die toekomst kleiner wordt, en dat je terug gaat denken, en dan komt er weer meer contact. Het is voor mij niet zo beladen. Juist als je je eigen leven hebt, is het gemakkelijk om te denken: ach, ik ga die eens opzoeken. Mijn zusjes en broer maken deel uit van mijn herinneringen en van die herinneringen maak je je niet los.’
Else-Marie van den Eerenbeemt knikt hevig: ‘Ik ben het met Rita eens. Dat losmaken, dat is een hype geweest. Het slaat nergens op, het heeft heel veel mensen eenzaam gemaakt. Mensen willen verbonden zijn.’
‘Dat hoeft toch niet alleen met familie’, protesteert Maria Goos.
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Nee. Familie heeft een andere lading.’
Maria Goos: ‘Familie is goed omdat het familie is?’ >
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Ze zijn er gewoon, lieve schat, maar het hoeft niet per se goed te zijn.’
‘Als we kijken vanuit onszelf en onze eigen behoefte’, zegt Funda Müjde, ‘dan begrijp ik Maria compleet. Maar vanuit mijn moeder gezien: zij heeft zes kinderen en inmiddels tien kleinkinderen, ze woont in Zaandam, op een steenworp afstand van Amsterdam, en zij vindt dat zij ons te weinig ziet. Ze huilt elke week, is daar steeds emotioneler over. Ze heeft een man, is na de scheiding hertrouwd, maar niemand kan de plek van haar kinderen innemen. Wij kunnen wel zeggen: je hebt toch je vriendinnen, je vrienden, maar dat wil zij niet. Wij willen respect voor onze keuzes, maar haar keuze was: ik ga veel kinderen krijgen, en ik word later als ik oud ben omringd door mijn kleinkinderen. Dat was in Turkije waarschijnlijk zo geweest, mijn tantes daar krijgen elke dag bezoek van hun kinderen en kleinkinderen.’

En via de tranen van de moeder van Funda Müjde komen we uiteindelijk te spreken over minister Rouvoet van Jeugd en Gezin, en over zijn gezinsnota en de suggestie die daarvan uitgaat als zou het gezin in crisis zijn. Volgens Maria Goos bestaat die crisis niet; het is het land dat in een identiteitscrisis verkeert. Ook Else-Marie van den Eerenbeemt gelooft niet dat het gezin in crisis is. Zij pleit voor respect voor de ouder-kindrelatie in welke vorm ook, of het nu alleenstaande moeders zijn, gescheiden ouders, stiefouders, enzovoort.
‘Door wie moet het gerespecteerd worden?’ vraagt Maria Goos verbaasd.
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Door Rouvoet, door familieleden, door De Groene, door de overheid. Respect voor de ouder-kindrelatie.’
Rita Kohnstamm: ‘Als je naar de kinderen zelf luistert, de onderzoeken die daarnaar zijn gedaan, dan zijn zij buitengewoon tevreden over hun ouders. Ook het feit, heel concreet, dat jongeren veel langer thuis blijven wonen, omdat ze niets geen last van die ouders hebben…’
‘Dat is iets anders’, valt Funda Müjde haar in de rede, ‘ze hebben veel vrijheid in een luxehotel.’
Rita Kohnstamm: ‘Maar de relatie is goed. Het gezin in crisis? Dat valt reuze mee. Maar als je goed naar Rouvoet luistert, bedoelt hij vader-moeder-biologische kinderen. Ik vind het zo grappig dat sommige mensen denken dat dat de normale situatie is, terwijl dat in West-Europa nooit het geval was. Er zijn altijd veel weduwen met kinderen geweest. Moeders die in het kraambed stierven, vaders die hertrouwden, stiefouders, stiefkinderen. Kinderen samen, een ouder zusje dat een kindje kreeg dat werd ondergeschoven als jongste kind. Het was heel bijzonder als een vader en een moeder bij elkaar bleven en al hun kinderen in leven bleven. De enige periode waarin je in Nederland dat leuke gezinnetje had, was na de oorlog, toen je penicilline had, zodat moeder niet meer dood ging in het kraambed, en toen de pil er nog niet was en er nog niet gescheiden werd. Mijn kinderboeken stonden vol verhalen van stiefmoeders, kinderen die door oom en tante werden opgevoed, dat was heel gewoon.’
Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Ik ben zo blij dat je dit zegt, want dat nucleaire gezin waar iedereen het over heeft, is niet het enige.’
Rita Kohnstamm: ‘Het gezin is wel de hoeksteen, maar niet altijd in die ene vorm. Je hebt allerlei hoekstenen.’
‘Ik ben trouwens niet tegen een minister voor het gezin’, vervolgt ze. ‘Als het een minister is die ervoor zorgt dat álle gezinsvormen goede randvoorwaarden hebben om de kinderen die daarin opgroeien op een goede manier groot te brengen, dan vind ik het prima. Dat de huisvesting goed is en dat er voor de opgroeiende hangjongeren weer buurthuizen zijn, dat soort dingen.’
Maria Goos: ‘Maar ik geloof dat het meer de bedoeling is dat er een soort huwelijkslessen komen.’
Rita Kohnstamm: ‘Nee, dat vind ik ráár!’
Is een echtscheiding dan niet het grootste drama dat in een kinderleven kan plaatsvinden, vragen wij. ‘Welnee’, roept de een. ‘Alsjeblieft zeg!’ de ander. ‘Dat ligt eraan.’ ‘Het gaat om de manier waarop.’ Ze zijn het erover eens dat van scheiden een groter probleem wordt gemaakt dan het is.
Else-Marie van den Eerenbeemt, beslist: ‘Kinderen kunnen met een scheiding omgaan, alleen het ligt eraan hoe ze met hun oorspronkelijke trouw aan beide ouders worden geconfronteerd. Want kinderen blijven trouw aan twee ouders. Als ze worden opgezadeld met het gevecht tussen exen, is dat vreselijk voor ze.’
Funda Müjde: ‘Ik ben zo blij dat ik gescheiden ben. Mijn kinderen waren nog maar twee en vijf jaar oud, en toch was het de zwaarste maar mooiste beslissing uit mijn leven. Het twijfelen heeft vijf jaar geduurd, nog een tweede kind erbij en een huis gekocht, geloven, vechten, en uiteindelijk toch gescheiden. Zonder iets af te doen aan zijn pogingen, het was een rothuwelijk, zeer gepassioneerd, maar in de ruzies. Als de kinderen groter werden, zouden ze dat meekrijgen, ruzies, slaande deuren, scheldpartijen. Voor de kinderen was het bovendien een redelijk voordelige leeftijd als ik iemand ontmoette die de rol van tweede vader wilde vervullen. Nu biechten ze op hoe moeilijk ze het ermee hebben gehad, ze hielden van mijn nieuwe man en haatten hem. Je hebt biologische ouders die lijden onder een scheiding en de vorming van een nieuw gezin. Je hebt kinderen die heen en weer schommelen tussen hun echte ouders en de nieuwe relaties van hun ouders en daaronder lijden. En je hebt nieuwe partners die eronder lijden, want er zijn best partners die zich geweldig inzetten voor de kinderen van hun nieuwe liefde.’
Rita Kohnstamm: ‘Maar dat is het leven. Dat zijn de normale dingen. Het ene kind maakt zulke dingen mee, het andere kind andere dingen, dat vormt je en dat heeft consequenties, maar je gaat daar niet…’
‘… dood aan!’ vult Maria Goos aan.

…………………………………………………………………………………………………..
Rita Kohnstamm, ontwikkelingspsychologe
‘Ik ben de jongste van vijf; de eersten waren zestien, veertien, twaalf en tien. Hoe ontzettend beschermd en veilig ik me ook voelde, ik heb me ook altijd de buitenstaander gevoeld. Dat maakt ook dat je gaat kijken, dat je als kind veel ziet. Toen ik een beetje bij m’n positieven kwam, toen ik vijf, zes jaar was, waren de anderen allemaal jongvolwassen.
Het was ook nog in de oorlog. Dat was allemaal zo veel belangrijker dan waar ik mee zou kunnen komen. Niet dat ik verwaarloosd was, maar de grote gezinsdrama’s gingen niet over mij.’
…………………………………………………………………………………………………..
Else-Marie van den Eerenbeemt, familietherapeute
‘Ik ben de jongste van elf kinderen. In Amerika vroegen ze: allemaal van dezelfde vader en moeder? Toen ik ja zei, kreeg ik applaus. Ik heb al mijn broers en zussen uit huis zien gaan, ik heb ze liefdesverdriet zien hebben. Ik zie mijn broer nog huilen in de keuken, snikkend voorover: “Ze heeft m’n handschoen niet aangenomen.” Ik bemoeide me ermee, toen al.
Het was een heel emotioneel gezin. Mijn moeder was schilderes, ze heeft in het Rijksmuseum op school gezeten.
Mijn vader bouwde een atelier voor haar toen hij met haar trouwde. Daar kwam al snel een wieg in te staan, en die is daar nooit meer weggegaan. Elf kinderen en schilderes. Ik ben opgevoed door een vrouw die als een wonder werd beschouwd.’
…………………………………………………………………………………………………..
Maria Goos, schrijfster
‘Ik kom uit een gezin van drie kinderen. Mijn broer is vijftien jaar ouder, mijn zus tien jaar. Mijn vader stierf toen ik elf was, in hetzelfde jaar trouwden mijn broer en zus. Later ben ik gaan begrijpen dat het feit dat ik verhalen vertel te maken heeft met toen mijn moeder weduwe werd. Ze kreeg zware hoofdpijn, ging een bril dragen met halfdonkere glazen, waardoor ze voor mij onbereikbaar werd. Ze sprak ook niet meer. Ik was een stil kind, een beschouwer, maar toen dacht ik: ik moet haar weer aan de praat krijgen, letterlijk. Ik ben gaan vertellen, over mijn eigen leven, maar daar ben je snel mee klaar als je op de lagere school zit, dus toen ging ik fantaseren. Ik heb haar aan de praat gekregen. Na haar dood moest ik wel uit Breda weggaan om mijn eigen leven te kunnen leiden.’
…………………………………………………………………………………………………..
Funda Müjde, actrice en columniste
‘Ik ben de oudste van zes kinderen en de eerstgeborene van een tweeling. Twee-eiig, maar we lijken erg op elkaar. We zijn in Turkije geboren. Mijn moeder heeft ook hier in Nederland nog een tweeling gebaard. Mijn vader was een lagere-schoolverlater, hij was een soort autodidact. Mijn moeder mocht niet naar school. Ze was de jongste van negen kinderen. Mijn vader hoorde over Europa en dacht dat het de enige manier was om het land en zijn familie te ontvluchten. Hij was een beetje een vrijdenker, hij wilde niet dat zijn leven bepaald werd door het geloof, zeker niet door onverlichte imams. Als je emigreert, mis je familie. Ik heb nooit echt een opa en oma gehad. We gingen wel terug naar Turkije, maar niet elk jaar. Eén keer zijn we vijf jaar niet geweest; het was te duur.’