Jannah Loontjens over Joke van Leeuwen

Het merkwaardige van vanzelfsprekendheden

Heenzending

Goed, zei de schepper, wat ons betreft

is het goed, maar aan jullie laat ik

het met de elleboog voelen of

het badwater niet te heet is,

het behoedzaam proeven of

het eten niet te scherp is,

het drinken niet te zuur is,

het weten waar wat breken kan

zal staan,

het verschonen van wat stinkt en

opnieuw stinkt,

het aanpassen van de voetstap,

het onverstaanbaar zingen

in het donker,

het herhalen van moeilijke woorden,

het tellen tot oneindig

en het hekje voor het trapgat.

Een van de grootste clichés over de ‘kunstenaar’ is misschien wel dat van de verwondering van het kind, die de kunstenaar eigen zou moeten zijn om met een open, onbevooroordeelde blik de wereld te kunnen aanschouwen. Niet alleen de dadaïsten, maar ook Nietzsche en zelfs een aartsmelancholicus als Baudelaire hebben deze opvatting verdedigd. Al verwoordde Baudelaire dit door het kind als ‘altijd dronken’ te beschrijven. Binnen de hedendaagse poëzie wordt Joke van Leeuwen ook wel deze vaardigheid toegeschreven. Wellicht zijn het niet alleen haar gedichten die deze typering ontlokken, ze heeft immers ook vele kinderboeken geschreven. Toch gaat het in haar poëzie niet zomaar over een -onschuldige open blik.

De verwondering in Van Leeuwens gedichten doet vaak eerder denken aan de verbaasde manier van kijken van een ervaren en oud mens, die zo lang de dingen voor gewoon heeft aangenomen dat dit gewone langzamerhand vreemd en doelloos is gaan lijken. Zo’n beetje zoals de klank van een woord abstract gaat klinken als je het maar vaak genoeg herhaalt. Het is dan ook niet zozeer de onbevangenheid van een onbeschreven blad die de dichtbundel Wuif de mussen uit zo intrigerend maakt_,_ maar juist de subtiele verbazing van iemand die de alledaagsheid van het leven te goed kent.

Van Leeuwens poëzie wijst ons erop hoezeer we geconditioneerd zijn; geconditioneerd om tafels te dekken, formulieren in te vullen, afspraken te maken, oud en nieuw te vieren, huizen te bezichtigen en ga zo maar door. We doen deze dingen allemaal grotendeels zonder er steeds de vraag bij te stellen: ‘Maar waarom dan?’ Het is deze schijnbaar kinderlijke vraag die steeds in Van Leeuwens gedichten beklemmend voelbaar is. Zo leidt ze in haar gedicht Bezichtiging de lezer in haar huis rond:

Komt u maar binnen. Hier

is dus de hal. Hier hangen

alle jassen. Voor als het

winter is, voor als ze passen.

Hier is de kamer met de bank,

waarop ik laat en moe

Afghanistan nog zie op de tv

of iemand die een eind weg

praat met aandachtsgeil op camera

gericht gezicht. De deuren. Mooi

bedacht toch, deuren, zo eenvoudig

gaan die open en weer dicht en open en weer
dicht en o en weer hoeps en

Deze regel loopt tegen de grens van de pagina aan. Er is nog net een streepje te zien van de volgende letter van een woord waarnaar we slechts kunnen raden. Het gedicht gaat verder met nog twee strofes, waarvan de eerste regel constateert: ‘Nou goed. Hier slaap ik als ik slaap.’

Te midden van deze objectieve, maar ook enigszins afgematte opsomming van de ruimte waarin ze leeft zoals ze leeft, zoals iedereen noodgedwongen leeft, met jassen die in de winter aan moeten en bedden die beslapen worden als ze beslapen worden, vormt de verwondering over de deur die open en dicht kan plotseling een bespiegeling die dit zo gewone leven in een vervreemdend daglicht stelt. Zijn deuren mooi bedacht? Ze lijken de meest voor de hand liggende oplossingen voor gaten waar je doorheen moet, maar die je ook graag wilt kunnen afsluiten. Maar eens was dit anders, voordat de scharnieren werden uitgevonden. En hoe had het huis eruitgezien als die scharnieren niet waren bedacht? Een wereld zonder open en dicht klappende deuren, dat is een werkelijkheid die we ons amper kunnen voorstellen.

Zo weet Van Leeuwen je steeds met een eenvoudige observatie uit de wereld te trekken die je zo gewoon is. Een ander treffend gedicht is Vragenlijst:

Heeft u onlangs/zojuist/in het begin

u afgevraagd of/en zo ja/maar hoe

zie onderaan – was (heu/welwel/watwat)

hoeveel alweer doorgrondelijk/nog on-?

Heeft u geweten van/gezien/gedacht,

doet wat het doen moet het wel/niet/

misschien? Dit is alles/niets opdat toch ook/

opdat enfin/opdat toch zeker?

Streep door zolang dit kiezen lijkt wat kan.

Hoe vaak worden we wel niet met vragenlijsten geconfronteerd, door de gemeente, op vliegvelden, op het werk, bij de bank, ga zo maar door. En altijd wordt ervan uitgegaan dat iedereen zich tot die vaak nogal absurde vragenlijsten kan verhouden; dat die compleet algemene vragen betrekking hebben op het leven van ieder individu. Is dat wel zo? Kun je eigenlijk wel antwoord geven op die beperkte keuzevragen? Reduceert zo’n lijstje je leven niet tot een treurige opsomming? De vraag ‘doet wat het doen moet het wel/niet/ /misschien?’ geeft misschien het best uitdrukking aan de dwaasheid van dergelijke enquêtes.

Zo zet Van Leeuwen je telkens op een lichtzinnige en vaak grappige wijze aan het denken over de al te gewone dingen. Tegelijkertijd grenst er aan dat lichtzinnige plezier steeds het beklemmende gevoel ten onder te gaan in de routine die het leven beheerst. Het benauwende hiervan wordt weerspiegeld in Van Leeuwens donkere, vervreemdende tekeningen die de gedichten in deze bundel vergezellen. Juist deze donkere kant, die in Van Leeuwens zo heldere regels sluimert, maakt dat deze bundel je niet gauw loslaat. En doet wat alle poëzie zou moeten doen: je herinneren aan het merkwaardige van ons zo vanzelfsprekend lijkende bestaan.