Kunst: Nicolaes Maes

Het métier

Nicolaes Maes, Naaiende jonge vrouw in een interieur, 1655 © Guildhall Art Gallery, City of Londonchil

Het Mauritshuis presenteert Nicolaes Maes (1634-1693) als ‘Rembrandts veelzijdige leerling’, wel, dat was-ie, en je kunt dus eens goed kijken hoe zo’n meester-leerlingrelatie in de zeventiende eeuw uitpakte. Daar is deze tentoonstelling uitstekend voor samengesteld, niet te groot, maar wel compleet, en met precies het goede vergelijkingsmateriaal.

Maes kon waarschijnlijk al behoorlijk schilderen toen hij uit Dordrecht naar Amsterdam toog, rond 1651, maar Rembrandt heeft hem duidelijk een paar dingen voorgedaan, of aangereikt, die Maes in zijn carrière kon gebruiken. Het belangrijkste wat Maes te verhapstukken kreeg was het grote historiestuk. De tentoonstelling laat er vijf zien, waarvan de meeste zeer aan Rembrandts werk schatplichtig zijn, zijn Offer van Abraham, Wegzending van Hagar en Christus zegent de kinderen. Dat laatste is een rembrandteske meesterproef, een groot en origineel stuk, waarin Maes de ingetogen aandacht van Jezus contrasteert met een rijtje opdringerige ouders, en peuters die duidelijk geen idee hebben van wat hun allemaal boven het hoofd hangt. Uit het Rembrandt-atelier heeft Maes hier behalve de gedempte bruine toon het leuke spel met spotlights overgenomen, een hier-en-daar en voor-en-achter met lichtjes op de gezichten.

Eenmaal op eigen benen, terug in Dordrecht, koos Maes echter voor een veel minder grandioos soort werk, en wel het sfeervolle interieur. Soms intiem – een geconcentreerd naaistertje, een lezende oude vrouw – soms direct en snaaks, met als opvallend genre de ‘luistervink’: een schalks kijkende vrouw die de kijker wijst op het gefoezel van vrijers en dienstmeiden op de achtergrond. Dat type was een vondst, die Maes geen windeieren legde, en ook artistiek gezien interessante mogelijkheden bood. Dat begint met de slimme constructie van dat interieur, met trappen en gangen en doorkijkjes, en verder met de charmante suggestie van de anekdote. Maes houdt van een geintje, maar hij wordt nooit grof. Voor alles werkt hij aan de sfeer, in sprekende details als een stralend rood tafellaken, glanzend aardewerk, of een wit schort. Er zijn originele elementjes bij: in zijn Jonge naaister rijgt het meisje haar naaidraad voorzichtig uit de lap omhoog – maar die draad is feitelijk niet te zien: het gebaar is alles. Knap.

In 1673 verhuisde Maes met zijn familie naar Amsterdam en dan veranderen zijn activiteit en zijn stijl opnieuw: in Amsterdam wordt hij dé society-portrettist van de stad. Hij verruilt de kalme intensiteit van zijn interieurs voor een uitgesproken zwierige manier van portretschilderen, zó anders dat vroeger wel is verondersteld dat er twee verschillende Maesen zijn geweest. De meeste portretten zijn briljant in hun kleur en de uitdrukking van stoffen, maar het is wel seriewerk, de kinderen steeds maar weer op dezelfde manier uitgedost als herderin of jagertje, en de ouders als opgedirkte praalhanzen.

Daartussen zal in Londen echter ook het schitterende portret van de Rotterdamse zijdehandelaar Jan de Reus te zien zijn, een zeventiger met wallen onder de ogen en rimpels in het voorhoofd. Dat kon Maes dus ook; waarmee maar is gezegd dat een schilder uit de zeventiende eeuw vooral succesvol was als hij voldoende verschillend repertoire kende om zijn bedrijf te kunnen aanpassen aan de veranderende markt. In die zin was Maes’ leertijd bij Rembrandt dus vooral een verstandige investering.


Nicolaes Maes, Mauritshuis, Den Haag, t/m 19 januari, mauritshuis.nl. Londen, National Gallery, vanaf 22 februari