Het Migrantenmuseum

Een urn

Een urn in het Migrantenmuseum? Hoe kan dat? Is er dan een van de gastarbeiders gecremeerd? Mag dat wel van hun geloof? Vragen, vragen, vragen… En niet verzuimen om de vragen te voorzien van een spottende blik. Elke bezoeker van het Migrantenmuseum is een bron van hoofdpijn voor mij. Nooit eens een teken van waardering voor al dat werk dat ik heb verricht. Maar wel duizend-en-één vragen, alsof de enige reden voor het bezoek het ontdekken van onwaarheden is. Bezoeker (deze keer noem ik je geen ‘waarde bezoeker’), wantrouw niet alles en lees het verhaal van gastarbeider Semsi, de migrant van wie de naam op de urn in het Migrantenmuseum prijkt.
Het waren de jaren dat alle voetballers lang haar hadden. Semsi had dat ook, maar niet op zijn hoofd. Wel op zijn benen, op de bovenkant van zijn handen, op de
binnen- en buitenkant van
zijn armen, op zijn hele rug en in zijn neusgaten. Toen Semsi ergens in de bergen bij de Zwarte Zee was geboren, had zijn moeder het kind geliefkoosd met de woorden: ‘O mijn lieve
beer toch. Wat zijn je haren mooi. God heeft je overal op je lichaam haar geschonken. Mijn lieve Semsi, alle mannen zullen je benijden en alle vrouwen zullen verlangen naar je.’
Semsi kwam naar Nederland toen de bal in het polderland op een andere manier begon te rollen dan voorheen. Het waren de jaren dat de passes opeens feilloos werden, dat de ballen bij de afstandschoten in de kruisingen verdwenen, de spitsen in de lucht zweefden als ze gingen koppen en de verdedigers dapperder waren dan de soldaten van Troje. Nog voordat de bal zo miraculeus begon te rollen was Semsi – een brok verdriet omdat zijn moeder net was overleden en er niemand meer was die zijn haren voorzag van complimenten – naar Nederland gekomen. Door een samenloop van omstandigheden ging hij als schoonmaker bij een voetbalclub werken.
Voetbal is wat het pas verhuisde buurmeisje is voor de tiener. Je raakt op een jonge leeftijd, bij de eerste blik betoverd. Of juist niet. Semsi was geen tiener meer toen hij het spelletje voor het eerst zag, maar dat maakte voor hem niet uit. De schaamte vulde zijn hart toen hij besefte dat hij in een maand tijd meer van het spelletje was gaan houden dan van zijn moeder. Bij de voetbalclub zagen ze dat deze gastarbeider voor het begin van de wedstrijd het gras aaide en gebeden prevelde. Met zo’n liefde voor het veld mocht hij wel de veldknecht van de club worden.
Zoals zijn moeder zijn haren streelde, zo heeft Semsi jarenlang de voetbalvelden verzorgd. Een paar uur voor de wedstrijd trok hij de lijnen met kalk. Als hij eenmaal klaar was, klapte hij in zijn handen, de kalkstof danste dan in de lucht om zo sierlijk als Katerina Witt weer op de aarde te landen. Semsi kuste de ballen één voor één. Werd er gewonnen, dan gingen de spelers eerst de harige gastarbeider omhelzen. Semsi kon zo blij kijken bij een overwinning.
De grootste lol voor de voetballers en voor Semsi was het spelletje ‘mikken op Semsi’. Tijdens trainingen en bij de warming-ups ging Semsi als een paal bewegingloos staan. Degene die van ongeveer dertig meter Semsi kon raken, was de winnaar. Semsi was blijer dan de voetballer zelf wanneer hij geraakt werd. Hoe vaker raak, hoe beter de kwaliteit van het voetbal. 1974 was het beste jaar. Bijna alle ballen waren raak.
De kleine Semsi heeft in Amsterdam, in Rotterdam en in Utrecht velden bemind. Toen de machines werden uitgevonden die de lijnen veel sneller en nauwkeuriger trokken, hebben ze Semsi naar huis gestuurd. Semsi treurde niet voor zichzelf maar voor het voetbal van het land. Het was afgelopen met de liefde voor het spel. De harige migrant ging terug naar zijn geboortedorp.
Voor zijn vertrek kwam Semsi met een kilo kalk naar me toe en overhandigde het aan mij. ‘Mocht er een plekje over zijn in jouw museum’, zei hij verlegen. Ik deed het in een urn en vroeg hem: ‘Komt er ooit nog een WK-finale voor ons?’ Met natte ogen schudde hij het hoofd.
Ik heb hoofdpijn, waarde museumbezoeker.