De schaduw

Het Migrantenmuseum

Het was niet zo lang geleden dat ze dartele jongens waren, hun kapotte en verbleekte kleren al rennend op de tarwevelden achterlieten en met hun iele benen in het koele water van de beek sprongen. Het was altijd zonnig. De jongens kenden geen schaduw die over hen heen viel. Ze hadden er nooit van gehoord.
Noch ik, noch de mannen die hen hadden verwekt, noch de vrouwen die hen hadden gebaard, noch God wisten welke van deze jongens eruit gepikt zouden worden om weggestuurd te worden. Misschien dat alleen het water van de beken een vermoeden had.
Maar de jaren verstrijken nu eenmaal en de uitgekozenen bereikten het land waar de schaduw over hen heen viel. In de mijnen in Limburg zei één van hen een keer: ‘In het diepste punt van de mijn bestaat er geen lucht en ook geen God.’
Niet alleen in de mijnen, maar overal voelden ze de schaduw die ze niet meer losliet. Ze liepen onder de lucht die zo vaak de kleur van lood aannam en voelden de aanwezigheid van de schaduw die ongeluk heette. Ook wanneer er een felle zon was en geen wolk te bekennen, dan nog waren ze ervaren genoeg om te weten dat ze onder een schaduw liepen. Ze waren zelfs vergeten hoe het was om de jongen te zijn die zonder onderbroek in de beek spartelde.
Voordat een zelfmoord zich voltrekt dient zich altijd een verslaving aan. Natuurlijk zochten ze hun heil niet bij drugs, dat was iets voor de langharige viezeriken. De gastarbeiders kozen voor het gokken.
Beste museumbezoeker, nu zou u tegen mij kunnen zeggen: ‘Wat heb ik aan dit slappe gelul. Ik heb entreegeld betaald, dus laat me een object zien!’ Dan zeg ik vriendelijk tegen u: ‘Deze week geen object. En voor volgende week durf ik ook niets te beloven.’
De gastarbeiders gokten tot de eerste uren van de dag. Zelfs tot na het ochtendgloren. Terwijl de poldermensen aan de ontbijttafel zaten, smeekten de gastarbeiders die geld hadden verloren om nog één potje. De achterkamers van de koffiehuizen waren klein, de verf bladderde van de muren, het felle licht van de tl-buizen vermoeide hun ogen, de kaarten verraadden hen telkens en de dobbelstenen waren als onberekenbare sletten. Maar deze rokerige kamers, waar elk weekeinde het zuurverdiende geld in andermans zakken verdween, waren de enige plekken waar de schaduw niet viel. Ze konden hun gevoelens niet plaatsen, ze gingen ook niet op zoek naar antwoorden over hoe en wat, maar de lange uren die ze in deze kamers doorbrachten waren de uren waarin ze de jongen in de beek in de ogen keken.
Maar de kindertijd is als de kiezelstenen in de beek. Wanneer je ze uit het water haalt en tegen de zon houdt, drogen ze op. Deze gastarbeiders waren lang geleden uit het water gehaald.
Om een misverstand uit de wereld te helpen zijn hun vrouwen gekomen. De migratie was er niet om in vieze koffiehuiskamers je jeugd te proeven, maar om het geld te koesteren. De vrouwen gingen voor die koffiehuizen staan. Met hun broeken onder de rokken, hun goedkope hoofddoeken en hun voor het polderland te dunne jassen bleven ze net zo lang staan totdat de mannen naar buiten kwamen. Een gastarbeider is misschien een volhouder, maar wat voor een kans heeft hij tegen de wil van een vrouw die zelfs de kinderen bij oma en opa heeft achtergelaten om het geld te redden?
De gastarbeiders accepteerden dat de jeugd vervlogen was. De schaduw viel dus weer overal, de vrouwen waren tevreden, de natuur deed haar werk, er kwamen meer kinderen bij, de hippies hadden in marihuana hun eigen verslaving gevonden en pleegden dus geen zelfmoord, Joop den Uyl ergerde zich aan de lange haren van zijn zonen, enzovoort. Het leven vloeide als een rustige rivier. Iedereen dacht dat alles in orde was.
Maar wat ze niet wisten was dat er vele jaren later een migrantenmuseum geopend zou worden, waar de schaduw zo nu en dan niet overheen viel. U heeft het niet van mij gehoord, maar in een geheim kamertje van het Migrantenmuseum gebeurt het nog steeds… De dode gastarbeiders gokken om de museumobjecten die ooit van hen waren.