DE MILIEUBEWEGING  

Het milieu is niet links

Na de affaire-Duyvendak neemt rechts de subsidies aan de milieubeweging onder vuur. Maar de beweging heeft flink meer leden dan de politieke partijen. Iedereen, links en rechts, is ‘klimaatvriendelijk’.

ZONDER EXTRA INZET van de overheid zal Nederland voor het tiende opeenvolgende jaar zijn natuur- en milieudoelen niet binnen de vastgestelde termijn halen. Dat was de boodschap van de jaarlijkse Natuur- en Milieubalans die twee weken terug werd gepubliceerd. Jan-Jaap de Graeff, voorzitter van Natuurmonumenten, trok aan de bel bij het kabinet. Zijn reprimande haalde alle grote kranten.
Milieuorganisaties zijn machtige spelers in het maatschappelijk middenveld, zo blijkt uit Maatschappelijke organisaties in beeld, het eerder deze maand gepubliceerde rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, SCP. Het onderzoek constateert dat het ledenbestand van natuur- en milieuorganisaties in Nederland de afgelopen 25 jaar met 444 procent is gegroeid. En dat terwijl al wat groen is tot voor kort een kwijnend bestaan leed in de marge van de politieke belangstelling. Wat cijfers om het beeld te verduidelijken: het ledenaantal van de twee grootste natuurorganisaties in Nederland, het Wereld Natuur Fonds en Natuurmomenten, ligt rond de 900.000. Het kleinere Milieudefensie telde in 2007 94.000 leden. Ter vergelijking: het CDA, Nederlands grootste politieke partij telde eind vorig jaar 69.000 leden en GroenLinks 21.000. Nederland heeft ‘de milieubeweging’ nodig. Haar legitimiteit zou dan ook niet ter discussie moeten staan.
‘De milieubeweging’, een term die sommige politici en journalisten de laatste weken in de mond bestorven ligt, is afkomstig uit de tijd dat het milieu voor het eerst nadrukkelijk politieke aandacht eiste. Kernenergie, zure regen en de Waddenzee: in de jaren tachtig gaven ze allemaal aanleiding tot grote protestacties. De milieubeweging van toen was radicaal, kwam van links en droeg geitenwollen sokken. Maar al snel vond het milieu een thuis in de politiek. Niet alleen bij links. Lucas Reijnders, hoogleraar milieukunde aan de Vrije Universiteit, benadrukt dat er in Nederland nooit veel verschil tussen rechts en links is geweest wat aandacht voor natuur en milieu betreft. De VVD leverde immers al in de jaren tachtig twee opeenvolgende milieuministers. De enige echte splijtzwam was kernenergie. Verder is het milieu tot op grote hoogte politiek gemeengoed.
Maar politieke aandacht voor het milieu komt altijd in toppen en dalen, meent Reijnders. Jarenlang behoorde Nederland wat betreft natuur- en milieuwetgeving tot de Europese koplopers. Tot in de tweede helft van de jaren negentig de klad erin kwam. Nederland wilde volgens Reijnders ‘niet langer de beste van de klas zijn’. In het onstuimige politieke vaarwater van de eerste kabinetten-Balkenende bereikte de belangstelling een absoluut dieptepunt. In dezelfde periode is het belang van Europese wetgeving op dit terrein sterk toegenomen. Op het gebied van klimaat, luchtkwaliteit en verkeer en vervoer zijn Europese richtlijnen en doelen inmiddels belangrijker dan nationale.
Maar natuur en milieu staan nu weer op de agenda in Den Haag. De opmars begon twee jaar geleden met de nationale verontrusting rond de film van de klimatologische onheilsprofeet Al Gore, won aan kracht tijdens de protesten tegen, opnieuw, boringen in de Waddenzee, en bereikte zijn voorlopige hoogtepunt in de heksenjacht op Wijnand Duyvendak en Jacqueline Cramer, oudgedienden van ‘de milieubeweging’, en de kruistocht tegen de overheidsmiljoenen voor de ‘milieumaffia’. Behalve veel nodeloos opgeofferde regeertijd had dit rumoerige voorspel van het politieke jaar tot gevolg dat de Nederlandse politiek voorlopig niet om het milieu heen kan. En nu wordt duidelijk dat het kabinetsbeleid op dit gebied veel te wensen overlaat.
Onherkenbaar. Dat is wat het nationale natuur- en milieubeleid van Balkenende IV is voor veel Nederlanders, omdat het grotendeels verstopt zit achter het even elastische als ondoorzichtige begrip ‘duurzaamheid’, dat bovendien verdeeld is over verschillende ministeries. De door De Telegraaf en VVD-kamerlid Helma Neppérus gehekelde subsidies voor ‘de milieubeweging’ zijn de gelden die vallen onder de ‘SMOM-regeling’, Subsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu. Het gaat om een jaarlijks totaalbedrag van een kleine zeven miljoen euro dat wordt verdeeld over honderden van tevoren goedgekeurde projecten. Met die verspilde miljoenen valt het dus wel mee.
Voor organisaties als Milieudefensie en Natuur en Milieu bedragen overheidssubsidies minder dan de helft van hun inkomsten. Het grootste deel van hun inkomsten is afkomstig uit fondsenwerving, donaties en een forse bijdrage van de Nationale Postcode Loterij. Natuurmonumenten vormt wat overheidssubsidies betreft een uitzondering omdat het extra gesubsidieerd wordt bij de aankoop van gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofd Structuur, een in 1991 door het ministerie van VROM gelanceerd plan met het doel verschillende Nederlandse natuurgebieden met elkaar te verbinden.
Maar hoe bescheiden de SMOM-subsidies ook mogen zijn, ze hebben waarschijnlijk een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het huidige succes van natuur- en milieuorganisaties. Volgens Joep de Hart en Esther van den Berg, de auteurs van het SCP-rapport, zijn veel van de onderzochte organisaties de afgelopen jaren vergaand geprofessionaliseerd. En ook de samenleving is veranderd. ‘Het mes snijdt aan twee kanten. De manier waarop Nederlanders hun betrokkenheid in de samenleving uiten is veranderd en de organisaties hebben daar goed op ingespeeld.’
De onderzochte organisaties zijn grofweg te verdelen in twee categorieën. Aan de ene kant staan de ‘grote drie’: de Nederlandse afdeling van het Wereld Natuur Fonds, Natuurmonumenten en Greenpeace. Zij zijn samen verantwoordelijk voor tweederde van het totale aantal leden en donateurs. Slechts een tiende van het ledenbestand is ook echt actief binnen zo’n organisatie.
Binnen dit trio is sprake van een tweedeling. Het ledenaantal van Greenpeace vertoont over de gehele onderzochte periode een daling, terwijl de andere twee vooral in de jaren negentig sterk zijn gegroeid. Het ruige, onafhankelijke en activistische imago van Greenpeace lijkt minder in trek dan vroeger. De sfeer bij WNF en Natuurmonumenten is eerder die van een lobbyclub dan van een actiegroep. Het maatschappelijke draagvlak van deze organisaties is breed en niet verbonden aan een politieke overtuiging. Het zijn professionele organisaties die volgens De Hart ‘familiegevoel’ uitstralen.
Natuurmonumenten stelt zo’n 350 gebieden en gebiedjes veilig ‘voor nu en toekomstige generaties’, zo meldt de website. Dat doet de stichting door middel van aankoop en beheer. Het succes van deze strategie bleek twee jaar geleden tijdens de actie tegen de verbindingssnelweg A6-A9. De weg die de verstopte verkeersaders tussen Amsterdam en Almere moest ontlasten, was deels door en deels onder het natuurgebied Naardermeer gepland. Met radio-uitzendingen en nachtelijke protestmarsen die in de jaren tachtig niet hadden misstaan, werd het regeringsplan succesvol gedwarsboomd. Natuurmonumenten kreeg bij zijn acties bijval van veel kleine bewegingen en actiecomités.
Ook die kleine bewegingen zijn bezig aan een opmars. Volgens Lucas Reijnders staat ook deze tweede vorm van betrokkenheid bij het milieu tot op grote hoogte los van politieke ontwikkelingen. Het gaat om one-issuebewegingen die in actie komen tegen een vervuilende fabriek of een snelweg in de buurt. De Hart noemt dit het terrein van de ‘politieke knutselaar’, ontleend aan de bricoleur van de Franse filosoof Claude Levi-Strauss. Die heeft geen langetermijnvisie, maar wil een concreet probleem in zijn omgeving zo snel en efficiënt mogelijk oplossen. Samen met andere gedupeerden gaat hij op zoek naar bruikbare financiële middelen en maatschappelijke structuren die hem daarbij van pas komen. Als het beoogde doel bereikt is, is er zelden behoefte aan voortzetting van zo’n verband. Deze vorm van burgerlijke zelfredzaamheid is niet nieuw. Het is een verworvenheid uit de jaren zestig, meent De Hart. Wat wel nieuw is, is het gemak waarmee dit soort actiegroepjes via moderne media een groot publiek kunnen bereiken, de snelheid waarmee ze ontstaan en zich weer oplossen en het gemak waarmee ze zich kunnen aansluiten bij grotere gehelen als Milieudefensie. In ruil voor naamsbekendheid biedt zo’n organisatie plaatselijke comités hulp en juridische bescherming.

‘De milieubeweging’ is anno 2008 vooral ‘handig’ geworden. Zowel grote als kleine organisaties weten hoe ze hun acties onder de publieke aandacht kunnen brengen. Daarbij speelt het internet een doorslaggevende rol. Met spandoeken de straat op gaan is in veel gevallen niet nodig omdat een goede website en een massale e-mailactie vaak beter resultaat leveren. Ook gebeurt het steeds vaker dat organisaties Europese richtlijnen gebruiken om de nationale of lokale politiek onder druk te zetten. Die richtlijnen zijn op internet eenvoudig toegankelijk. Verder constateert Reijnders een sterk toegenomen samenwerking tussen natuur- en milieugroeperingen en bedrijven. Dit is een typisch Nederlands verschijnsel. Vaak zet een milieuorganisatie zo’n bedrijf eerst onder druk, om vervolgens tot een samenwerkingsverband te komen. Zo is het door verschillende Nederlandse banken gelanceerde ‘klimaatvriendelijke bankieren’ ontstaan onder druk van Milieudefensie.
De Nederlandse civil society verandert, zo benadrukken de auteurs van Maatschappelijke organisaties in beeld nog maar eens. Waar men zich vijftig jaar geleden verenigde en inzette op verzuilde basis heeft betrokkenheid tegenwoordig steeds meer het karakter van een ruilovereenkomst. Wanneer een vereniging iets aantrekkelijks te bieden heeft, zijn mensen bereid daar geld of vrije tijd tegenover te stellen. Nederland kent van oudsher een brede civil society die zich gemakkelijk organiseert. Het gevolg daarvan in deze tijd is dat mensen zich ook weer makkelijker uit een verband losmaken op het moment dat hun prioriteiten veranderen. Engagement wordt steeds meer een bewuste keuze. In sommige gevallen heeft dat tot gevolg dat betrokkenheid zich beperkt tot iemands directe leefomgeving. Maar uit de sterke groei van internationaal georiënteerde organisaties als het WNF blijkt dat men ook nog steeds bereid is verder te kijken dan zijn eigen achtertuin en dat engagement geen synoniem is geworden voor eigenbelang.
Hier sluit het verhaal over de ontwikkeling van natuur- en milieuorganisaties aan bij het bekende verhaal over het afgenomen vertrouwen in en de afgenomen betrokkenheid bij de politiek. Een tendens die Jan Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, een jaar of vijf geleden onder de publieke aandacht bracht. Maar nog steeds trekken politici keer op keer zuchtend de conclusie dat de Nederlanders niet meer maatschappelijk betrokken zijn. De ontwikkeling die ‘de milieubeweging’ de afgelopen decennia doormaakte, illustreert dat deze zuchters het niet bij het rechte eind hebben. De huidige initiatieven op het gebied van natuur en milieu zijn een typisch voorbeeld van maatschappelijke betrokkenheid ‘nieuwe stijl’.
‘Uit armoede’, aldus Reijnders, hebben organisaties voor natuur en milieu geleerd zichzelf te agenderen en hier en daar successen te boeken in een periode dat het Nederlandse milieubeleid steeds vormlozer is geworden. Maar voor structureel beleid en het halen van nationale of Europese doelstellingen blijft hulp van de overheid onontbeerlijk, zo benadrukt ook Natuurmonumenten-voorzitter De Graeff. Het ontbreekt in Nederland niet aan animo voor natuur en milieu. Maar het ontwikkelen van haalbaar en geloofwaardig beleid kost niet alleen geld en tijd, maar vraagt ook om een luisterend oor voor hen die belangen van natuur en milieu buiten Den Haag behartigen. Het is tijd voor een nieuwe balans tussen de overheid en de civil society. Het is de vraag wanneer de overheid dat zal beseffen.