cultuurbeleid 2006-2010

Het ministerie van verheffing

In 2004 liet Stef Blok – financieel woordvoerder van de Tweede-Kamerfractie van de vvd – zich in krachtige termen uit over de relatie tussen overheid en cultuur. Waarom zou de overheid meebetalen aan een live uitvoering van klassieke muziek als je diezelfde muziek op cd voor een schijntje bij de drogist kunt kopen? Het oude verheffingsideaal zette hij resoluut opzij: ‘De verheven doelstellingen uit de jaren zeventig over toegankelijkheid [van de opera] voor de arbeider hebben niet geleid tot opera’s vol arbeiders.’
Het lag voor de hand te denken dat Blok de voorbode was van een cohort brandschattende Filistijnen. Als u per se naar peperduur ballet wilt, dan betaalt u dat maar zelf. Wat niet op eigen benen kan staan, hoort niet door de overheid overeind gehouden te worden, enzovoort. Een manier van redeneren waar de Raad van Cultuur toen alleen maar bleekjes tegenin kon brengen dat cultuur van belang is voor het toerisme, voor de aantrekkelijkheid van steden als vestigingsplaats voor bedrijven, en ook wel voor binding in de samenleving en het bevorderen van integratie.

In de programma’s voor de verkiezingen heeft Bloks naakte marktdenken echter geen school gemaakt. Integendeel: het verheffingsideaal is terug. Cultuur hoeft zich veel minder zorgen te maken dan defensie of zorg, waar de grote lagen vet zullen worden weggesneden. Alle partijen willen een sterke integratie van cultuur in het onderwijs. Er zijn partijen die het cultuurbudget structureel tot één procent van de begroting willen verhogen (sp, GroenLinks, d66). Bloks eigen vvd bewerkstelligde zelfs dat rijksmusea gratis toegankelijk worden, expenses be damned.

Waar het Thorbecke-principe – dat de overheid zich niet inhoudelijk met de kunsten bemoeit – in de verkiezingsprogramma’s formeel overeind wordt gehouden, is het in de praktijk al lang een holle frase.

Alle partijen zien in de cultuur een middel om de burger te verheffen, meer precies: om de integratie van buitenstaanders te bevorderen. Als niet de minister zelf per oekaze de inhoudelijke programma’s van de uitvoerders beïnvloedt, dan zijn het wel zijn financiële handlangers die de subsidiedirectieven hanteren. Dat is niet nieuw. Onder staatssecretaris Van der Ploeg werden al criteria voor het bereiken van minderheden geformuleerd (en opgelegd); nu vinden ook vvd en d66 dat de gesubsidieerde sector ‘programmatische opdrachten’ dient te vervullen, ‘bijvoorbeeld op het gebied van culturele diversiteit of internationaal cultuurbeleid’.

De fondsenquango’s nemen die opdracht al heel serieus. De Mondriaanstichting bijvoorbeeld schreef zelf een prijsvraag uit voor het beste minderhedenplan van de musea en organiseerde zelf een tentoonstelling van Nederlandse kunst in Marokko. Dat de stichting daarmee de rol van verheffingsmandarijn aanneemt zorgde al voor ophef in de museumwereld.

Dus: ook de komende jaren zullen lagere en middelbare scholieren met de _Bildungs-_bajonet in de rug en een ‘cultuurstrippenkaart’ van vijftien euro in de zak massaal de musea en de theaters in gedreven worden, en ze zullen grondig worden overhoord over professor Van Oostroms Patent-Canon. Het is wat paternalistisch, maar zo is de geest van de tijd. Dat die canon een restauratie van een goeddeels ingestort bouwwerk is, een geforceerd herstel, zoiets als de Domtoren in Nagasaki Holland Village, mag de pret niet drukken. Zoals in Holland gebruikelijk wordt het veen, als het ingeklonken is, opgehoogd. Met plaggen cultuur.

Maar er is nog een factor die de cultuur de komende jaren van pas zal komen. Bijna alle partijen vinden dat de nationale cultuur aanleiding geeft tot ‘trots’ (en trots weer tot ‘binding’, volgens sommigen), en daarin speelt de internationale uitstraling een rol. Wij hebben ‘topkunst’, en daar moeten andere criteria voor gelden dan voor de fanfare van Kudelstaart. Het Concertgebouworkest, de twee balletgezelschappen en de twee operagezelschappen zullen in het subsidiestelsel worden bevrijd van de vierjaarlijkse subsidiecarrousel. Ivo van Hove maakte zich al sterk voor een vergelijkbare positie voor grote toneelgezelschappen. Een veelgebruikt woord hier is excellence: dat is een term die captains of industry, bondscoaches en universiteitsrectoren ook gebruiken. Niks gelijkmatige verdeling, niks uitsmeren: wij gaan voor het uitzonderlijke talent. Laat niemand meer zeggen dat in Nederland geen plek is voor echte klasse. Het dolst doet d66, dat een ‘royaal fonds’ voor ‘Grand Projects’ zou willen instellen, voor ‘architectuur met internationale grandeur’ of de ‘aankoop van een uniek schilderij’. Er zijn adders onder het gras. De pvda, bijvoorbeeld, ziet wel in dat aandacht voor excellence ook de vraag oproept of het wel per se nodig is dat er in Nederland zeventien zangopleidingen zijn. Als de piramide hoger wordt maar het volume niet toeneemt, wordt de basis smaller.

De cultuur kan de komende vier jaar met enig vertrouwen tegemoet zien – tenzij Bas van der Vlies of Geert Wilders staatssecretaris wordt. Het ziet er niet naar uit dat de vierjarige subsidiestructuur gewijzigd zal worden. Die heeft zijn nadelen, maar functioneert best redelijk. Het afstandelijke beleid van Maria van der Hoeven (die ook al inzag dat het onderwijs vooral met rust gelaten moet worden) wordt gewaardeerd. Alleen blindgangers als John Leerdam (pvda) of Annette Nijs (vvd) zullen daar veel aan willen veranderen.

Wat zou in een formatie dan nog aan de orde moeten komen? Nummer 1: het btw-tarief op boeken. Als dat werkelijk van zes naar negentien procent gaat, betekent dat een serieuze aantasting van de breedte van het uitgeversaanbod. Nummer 2: Hilversum. De publieke omroep kan een belangrijke maatschappelijke rol vervullen als leverancier van drama, cultuur, muziek, nieuws, documentaire, et cetera – de dingen die de commerciëlen niet doen – maar ze zit gevangen in de structurele waanzin van de ledentalgebonden organisaties met licentie en blijft veroordeeld tot concurrentie om commercieel marktaandeel. Dat leidt tot geldverspilling op enorme schaal en regelrechte corruptie; de bezuinigingen komen altijd bij de minder bekeken – lees: culturele – programmering terecht. Op GroenLinks na durft niemand de stier echt bij de horens te vatten. sp en GroenLinks willen dat de publieke omroep geheel uit overheidsmiddelen wordt gefinancierd en vrij is van reclame, dan maar met een net minder. De raad van bestuur bepaalt wat er op de netten komt, niet de omroepen – dat worden productiehuizen.

Daar zal het niet van komen als cda en pvda in de regering komen. Balkenende was tot aan zijn premierschap bestuurslid van de ncrv. Het cda wil omroepen toestaan ‘maatschappelijk te ondernemen’, wat zal betekenen dat handige jongens als de Tros hun zendtijd vrolijk kunnen blijven verkopen aan al of niet verkapte commerciële partijen. De pvda kan niet om de reclame heen; de vvd vindt twee netten mooi genoeg, vindt dat het voetbal terug moet naar de publieken en laat het erbij dat er ‘voldoende’ programma’s moeten zijn die niet aan kijkcijfers gebonden zijn, als ze maar bijdragen aan ‘de gemeenschappelijke ervaring’. Leuk detail: voor de vvd draagt ook reclame aan die ervaring bij.