H.J.A. Hofland

Het moeras van Irak

Tolles, politiek tekenaar van The Washington Post, is helderziend. Op 3 oktober 2002 drukte zijn krant een tekening af: de voorpagina van een willekeurig dagblad, gedateerd 1 juni 2003. Over de hele breedte de kop wederopbouw irak verloopt traag. Daaronder een portret van Saddam Hoessein met een onderschrift: «Is Hij Dood? Verdwenen leider misschien nog in leven. Hoe heeft hij zich met zijn massavernietigingswapens uit de voeten kunnen maken?»

Dan de rest van het nieuws. Rivaliserende leiders willen niet samenwerken. Weer een moordaanslag. VS moeten rekenen met een aanwezigheid van jaren. Maar geduld en geld raken op. Pag. 2 Nieuwe kandidaat voor opvolger van Hitler aangekondigd.

De internationale politiek na de oorlog is rijk aan revanche en leedvermaak. De verkoop van Franse wijn in Amerika is met 21 procent gedaald. De Amerikaanse en Britse oppositie blijven de wereldleiders maar aan hun kop zeuren over de onvindbare MVW’s. Als zou blijken dat Bush en Blair niet eens zelf gelogen hebben, maar dat, zonder dat ze het wisten, onder hun verantwoordelijkheid al te gedienstige geheime agenten beiden met de casus belli hebben bediend, zouden ze dan niet hun verantwoordelijkheid voor deze misleiding van wereldformaat moeten aanvaarden? Presidenten van commerciële wereldconcerns worden in dergelijke gevallen afgezet, en door de benadeelden aangeklaagd. Zo ver is het in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk nog lang niet. Wel is deze waarheidsvinding steeds meer een binnenlandse kwestie geworden. De partijen hebben zich ingegraven, de Democraten in Amerika vatten weer moed. Maar voor de wederopbouw van Irak is dit vraagstuk van leugen of waarheid, of half om half, van geringe betekenis.

In The Financial Times van 30 juni 2003 staat een artikel van Gerard Baker dat uitvoerig beschrijft wat Tolles in zijn hierboven beschreven tekening zo mooi en zo vroeg heeft samen gevat. De kop luidt: «With troops under fire and the costs mounting, does the US have the will for the long haul in Iraq?» Dat is de kwestie waarom het nu gaat. Iedere dag worden daar soldaten van de coalitie doodgeschoten, aanslagen op pijpleidingen en infrastructuur gepleegd. Openbare diensten functioneren op z’n hoogst gebrekkig. Paul Bremer, die de leiding heeft van het burgerlijk bestuur, slaagt er niet in een organisatievorm te vinden waaronder de etnische en religieuze partijen überhaupt willen vergaderen, laat staan dat ze het eens worden over een of andere federatie met democratische omgangsvormen. «In de 75 dagen na de shock and awe, na al die ontplooiing van strategisch genie en krijgskundig vakmanschap rommelt en stommelt het burgerlijk bestuur daar rond als een peloton gedemotiveerde Keystone Cops.»

Geen serieuze commentator heeft eraan getwijfeld dat de coalitie de directe oorlog snel zou winnen. Misschien zou er nog een stadsguerrilla komen, maar ook daarop was de coalitie voorbereid. Tot verbazing van het opperbevel zelf is het geweldig meegevallen. De twijfel gold ten eerste de kosten van de oorlog in mensenlevens en verwoestingen, en ten tweede de haalbaarheid van de wederopbouw zoals de neoconservatieve denkers die zich voorstelden. Sceptici en tegenstanders, onder wie schrijver dezes, waren en zijn van mening dat het grand design, de hervorming van de hele regio, te beginnen bij Irak, zich tot een oeverloze onderneming zou kunnen ontwikkelen, met als uiterste gevaar de ondergang van de hervormer zelf in zijn nobele plannen.

In de chaos van het naoorlogse Irak worden nu, nog vaag en in de verte, de tekenen van een dergelijke mislukking zichtbaar. De mislukking is niet onafwendbaar, de kans erop wél groter geworden en op een andere manier dan na de zege was verwacht. De stadsguerrilla is traag op gang gekomen. Sluipschutters slagen er met geringe middelen in een heel leger in onzekerheid te brengen. Dat is de efficiency van de terreur. Een paar moorden per dag zijn voldoende. Verder richten ze zich op het verwoesten van infrastructuur die juist voor de wederopbouw van belang is. De bevrijders van een paar maanden geleden dreigen tot bezetters te worden.

Dat heeft twee gevolgen die elkaar op negatieve manier in stand houden. In de regio zelf wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van «Amerika». Of dat het Amerika van Bush is of Amerika tout court maakt dan geen verschil meer. Amerika staat in dit geval voor het hele Westen. Ten tweede neemt in de Verenigde Staten zelf de weerstand tegen de hele onderneming toe, terwijl het er juist nu op aankomt het uithoudingsvermogen te tonen dat de wederopbouw vergt. Nu de oorlog een voldongen feit is, mag het naoorlogse beleid niet mislukken, omdat dit een ramp voor het hele Westen zou kunnen betekenen.

Irak is geen Vietnam. Er is geen jungle waarin de strijdkrachten van de coalitie zich kunnen verstrikken in een oorlog die niet te winnen valt. Irak is evenmin een Vietnam omdat de oorlog daar een Amerikaanse zaak was, waarbij de rest van het Westen zich niet hoefde te laten betrekken (en dat ook niet heeft gedaan). Irak is geen geïsoleerd probleem. Het hoort tot het complex van het Midden-Oosten, dat het hele Westen aangaat. De overeenkomst met Vietnam is dat de regering van Bush, met assistentie van Blair, geprobeerd heeft het unilateraal op te lossen. Met dit unilateralisme gaat het op het ogenblik zichtbaar niet goed. Tijd voor Europa en de Verenigde Naties om opnieuw toegang tot Washington te verlangen, opdat zelfs de aanzet tot een «israëlisering» van Irak zal worden voorkomen.