Het moet werkelijk dood zijn

Niet middelmatig zijn. Opvallen, echt opvallen, meer dan al je leeftijdgenoten. Echte kunst maken – en je vooral niet laten leiden door die permanente twijfels en nuanceringen en kanttekeningen in je achterhoofd. Dit is, kort samengevat, hoe de Ierse studente Frankie zichzelf jarenlang heeft toegesproken. Het zorgde ervoor dat ze fanatiek een opleiding aan de kunstacademie volgde, dat ze zich stortte op het Dublinse leven. En dat het haar allemaal te veel werd. De prikkels. De sociale interacties, de mensen, de stemmen. En vooral haar eigen gedachten, die als mantra’s door haar hoofd bleven gaan, zonder rem of relativering.

Small sara baume   copyright sarah davis goff
Sara Baume laat haar proza bruisen © Sarah Davis-Goff / Querido

Aan het begin van Zevenduizend eiken zit ze al enkele weken in de afgelegen bungalow van haar overleden oma (‘Moederziel alleen. Op de dieren na dan’). Ze is 25 (‘Maar toch ben ik al zo aangepast, zo ontregeld’), heeft weinig meer om handen (‘ik ben te nietig om er iets aan te veranderen, te veel met mezelf bezig’) en voelt zich zo angstig en somber dat ze sowieso tot niets in staat is (het oordeel van de dokter: ‘Je valt in de categorie tussen een milde en een ernstige depressie’).

Hoe eindelijk rust te vinden met een brein dat maar niet stopt – is verbetering nabij?

Voor de goede orde: die zinnen tussen haakjes staan daar niet zomaar ter toelichting, ze laten zien hoezeer Frankie gevangen zit in haar gedachtenwereld. Alles wat ze meemaakt of denkt wordt becommentarieerd, elke handeling lokt nieuwe beelden en herinneringen uit. Ze overhoort zichzelf elke paar bladzijdes, verplicht zich over tientallen onderwerpen zo veel mogelijk kunst op te dissen (‘Kunst over Borden; ik overhoor mezelf.’ ‘Kunst over Stuifmeel; ik overhoor mezelf.’ ‘Kunst over Haar; ik overhoor mezelf’). Kritisch is ze op de weinige mensen die ze tegenkomt, maar met name op zichzelf, op haar lijden waar ze ook meteen weer aanmerkingen op heeft, ze kan er maar niet aan ontkomen, er is geen moment van inwendige rust.

Het zorgt voor bruisend, associatief proza, in deze tweede roman van de Ierse Sara Baume (Cork, 1984). Het verhaal bestaat uit een enorme reeks korte, fragmentarische alinea’s, alles opgetekend vanuit de ik-persoon en zonder duidelijke spanningsboog – het zijn eerder flarden van gebeurtenissen dan werkelijk uitgesponnen scènes, laat staan dat zich een duidelijke plot ontvouwt. Toch is Zevenduizend eiken een krachtig, bijna verslavend boek. De roman overweldigde me, zeker gedurende het eerste deel; er zit een ongekende levendigheid in dit roesachtige, verbrokkelde levensverhaal, in de oneindige stroom interrupties, herinneringen en terugkerende thema’s. Op den duur merkte ik dat het me, ondanks mijn bewondering, ook allemaal wat op de zenuwen begon te werken: dat eeuwige beter-weten en bijstellen, het cyclische en vaak richtingloze van de gedachtes. Zevenduizend eiken had net zo goed honderd bladzijdes meer of minder kunnen bedragen, zo weinig structuur bevat het boek. Anderzijds: juist dáár gaat dit verhaal over. Het zoeken zonder concreet doel voor ogen, de irritant slimme, afstandelijke blik die maar niet getemperd kan worden en de beklemmende beelden die aldoor terugkomen.

Zevenduizend eiken is een boek dat de crisis van het hoofdpersonage niet zomaar voorschotelt, het laat ons die crisis meevoelen. Wat uiteindelijk nog het meest in de buurt komt van een plot of in elk geval een rode draad: het fotograferen van dode dieren. Een roodborstje, een konijn, een das: wat Frankie in de bosrijke omgeving van haar oma’s bungalow maar tegenkomt legt ze vast. En ook dit kan ze niet zomaar ontspannen uitvoeren, er zijn allerlei zelfopgelegde regels aan het ‘spel’ verbonden: het betreffende dier mag niet slapen, het moet werkelijk dood zijn, en mag ook niet om het leven gebracht zijn door Frankie zelf, enzovoort.

Natuurlijk is dat fotograferen niet een willekeurige bezigheid in tijden van tegenspoed. De achterliggende obsessie voor het verval, zowel uiterlijk als innerlijk, is een van de prominentste karaktertrekken van Frankie. Soms is die obsessie een houvast, een manier waarmee ze de wereld vormgeeft en nieuwe gebeurtenissen duidt. Vaker is het een sta-in-de-weg. Want met die vraag worstelt ze uiteindelijk het meest: hoe te midden van de chaos, van het verval dat ze overal en ook zeker bij zichzelf ziet, alsnog iets op te bouwen. En vooral: hoe eraan te ontkomen? Hoe eindelijk rust te vinden met een brein dat maar niet stopt – is verbetering nabij of wordt ze alleen maar rustelozer? Het blijft de hele roman door in het midden. Of Frankie’s aftakeling een proces is dat in volle gang plaatsvindt, met ons lezers als getuigen, of dat het ergste al voorbij is, en dat zij piekerend en teruggetrokken in die bungalow eindelijk iets van rust zal vinden.