De eenzijdigheid van het multiculti-debat

Het monoculturele drama

In het debat over het ‘multiculturele drama’ is slechts aandacht voor eenzijdige aanpassing van allochtonen. Door het ritsen als metafoor voor multicultureel samenleven in te voeren, wordt duidelijk dat autochtonen zich niet aan hun verantwoordelijkheid kunnen onttrekken.

MET DE INGEZONDEN brief van Paul Scheffer (in de Volkskrant van 8 maart) is de unieke maatschappelijke discussie over de migratieproblematiek, die men hardnekkig ‘het multiculturele drama’ blijft noemen en die wellicht ook als zodanig de geschiedenis zal ingaan, in een interessante eindfase beland. In zijn antwoord op de terecht scherpe woorden van cultureel antropoloog Kadir Canatan (de Volkskrant van 7 maart) neemt Scheffer afstand van het hem aangewreven ‘monoculturalisme’. Daardoor blijkt nu pas welk misverstand wekenlang de discussie heeft vertroebeld, want Scheffer is natuurlijk wél een monoculturalist.


Eén ding ontbreekt in de door Scheffer aangezwengelde discussie: een bruikbare en voor ieder hanteerbare omschrijving van het begrip ‘multicultureel’, en in het verlengde daarvan van het begrip ‘monocultureel’. Zo’n omschrijving is vrij simpel te geven als men ervan uitgaat dat een samenleving niet alleen bestaat uit mensen maar ook, en vooral, uit betrekkingen tussen mensen. Mensen zijn in een migratieland als Nederland eenvoudig te verdelen in een autochtone meerderheid en een allochtone minderheid. Tussen beide groeperingen bestaan, als het goed is, over en weer multiculturele betrekkingen. Richt men de aandacht voornamelijk op een van beide groeperingen, dan is er sprake van een louter monoculturele benadering. Dat is het geval als men bijvoorbeeld van allochtonen eist dat zij zich zo snel mogelijk moeten aanpassen en tegelijkertijd de aanpassing van autochtonen aan de veranderde maatschappelijke situatie buiten beschouwing laat. Zo’n monoculturele houding spreekt uit de meeste reacties op het artikel van Scheffer — ik zal dat straks toelichten — maar voor Scheffer zelf ligt dat ingewikkelder. Hij wekt de indruk vanuit een multiculturele houding te opereren. Immers, enerzijds is hij begaan met het lot van allochtonen en hun inpassing in de Nederlandse samenleving en anderzijds beschrijft hij de autochtone verantwoordelijkheid hieromtrent. Precies op dat punt verdwijnt echter het multiculturele karakter uit zijn betoog: autochtonen moeten niet leren in te spelen op de gewijzigde omstandigheden, maar ze moeten integendeel hun eigen monocultureel ingestelde positie versterken door een groter historisch-cultureel bewustzijn te ontwikkelen. Allochtonen mogen wat hem betreft best onderdeel worden van de ‘collectieve Nederlandse herinnering’, zoals hij dat noemt, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Eigenlijk is er in zijn ‘bescheiden pleidooi’ niet veel meer nodig om tot een ‘gedeeld burgerschap’ te komen. Met andere woorden: waar maken we ons eigenlijk druk over? Een beetje aanpassing van hun kant en het drama is voorbij.


Dat de werkelijkheid ingewikkelder ligt, mag duidelijk zijn. Scheffers angst is groot dat de teloorgang van de Nederlandse cultuur als gevolg van onze onverschilligheid nabij is. Ook uit eerdere publicaties bleek dat culturen wat hem betreft van vreemde smetten vrij moeten blijven. Zo breekt Scheffer in zijn vrijwel vergeten column ‘Een ruim bemeten geweten’ in NRC Handelsblad (18 oktober 1993) al een lans voor het veiligstellen van de eigen historisch-culturele verworvenheden. Hij bekritiseert daartoe Harry Mulisch, die zichzelf tijdens zijn voordracht ‘Een spookgeschiedenis’ op de Frankfurter Buchmesse als volgt karakteriseert: ‘Ik ben geen mengsel, maar een nieuwe chemische verbinding. Ik woon in de Nederlandse taal, maar “etnisch” ben ik nog eerder een Oostenrijker dan een Nederlander. (…) Als ik dus kan bestaan, dan kan in beginsel ook een vreedzaam, tolerant, multi-etnisch Europa bestaan, als een nieuwe collectieve verbinding.’


Volgens Scheffer maakt Mulisch hier een ‘denkfout’ en noemt hij zelfs diens houding met afkeer ‘ergerlijk’ en naïef. Vanuit eenzelfde visie moet hij zijn roemruchte ‘multiculturele drama’ hebben vormgegeven. Dat artikel mag dan de inzet zijn geweest tot een unieke en ongemeen belangrijke maatschappelijke discussie, zijn angstscenario zal een multiculturele samenleving nooit kunnen bevorderen. Uit het volgende zal blijken hoe dicht Mulisch’ houding een werkelijk multicultureel samenlevingsideaal benadert. Zijn omschrijving is die van een geslaagde integratie, zoals neergelegd in de grondbeginselen van intercultureel opvoeden en onderwijzen, waar betrekkingen tussen mensen de essentie vormen.



HET PROBLEEM WAAR het hier om gaat is de vraag of er eigenlijk wel van een multicultureel drama sprake is; voltrekt zich niet veeleer een monocultureel drama? Nu monoculturalisten — in de hierboven omschreven betekenis — als Schnabel, Fortuyn, Lakeman, Entzinger, Cornielje, Prick, Van Boxtel, maar ook Scheffer zelf dus, zich steeds meer isoleren van een groeiend besef van multiculturaliteit of alle heil van een ‘taalinjectie’ verwachten, wordt het beantwoorden van deze vraag steeds noodzakelijker. Men kan niet langer doorgaan met het benadrukken van de zich aanpassende of zich invoegende allochtoon, zonder het contact met de multiculturele werkelijkheid te verliezen. De door migratie in gang gezette aanslag op de autochtone monocultuur is weliswaar hard aangekomen, maar het is onvermijdelijk dat de laatste met de moed der wanhoop verdedigde bastions uiteindelijk zullen worden geslecht.


Wat hier namelijk in het geding is, is wat existentialistisch georiënteerde filosofen graag het ‘probleem van de ander’ noemen: in hoeverre is de ander kenbaar, of: hoe kan ik de ander ontmoeten? Dit ‘probleem’ is, behalve in de etnologie en culturele antropologie, vrijwel altijd als een monocultureel fenomeen beschouwd. Het was volkomen vanzelfsprekend dat men er, bijvoorbeeld met betrekking tot een relatieprobleem, van uitging dat mensen dichter tot elkaar konden komen, louter en alleen omdat men elkaars taal sprak. We weten inmiddels dat dit ijdele hoop is. Het spreken van elkaars taal biedt geen enkele garantie tot een beter begrip van elkaar. Toch doet men met betrekking tot de migratieproblematiek of het leren van de Nederlandse taal de ultieme oplossing is. Zoals het bovenstaande relatievoorbeeld laat zien, kunnen taallessen op zich allochtonen en autochtonen niet op voorhand dichter bij elkaar brengen. Daarvoor is meer nodig.


In de beginperiode van de migratieproblematiek meende men nog dat dit wel het geval was. In het onderwijs werden kinderen van migranten ‘anderstaligen’ genoemd. Al gauw werd duidelijk dat de moeilijkheden niet lagen bij het al dan niet beheersen van de Nederlandse taal. Kinderen van migranten in een achterstandsituatie hebben niet in de eerste plaats een taalprobleem, maar een bestaansprobleem. De zorg voor het bestaan is een voorwaardelijke noodzakelijkheid om de taal te integreren in het eigen bestaan. Het leren van de tweede taal verloopt dan op een meer natuurlijke wijze, en maakt het werk voor leerkrachten een stuk ongecompliceerder. De roep om betere taalmethoden is trouwens arbitrair: gemotiveerde leerkrachten kunnen ook met een slechte methode, of zelfs zonder, uitstekend lesgeven en prima resultaten behalen. Gezien de korte geschiedenis van de migratieproblematiek is het onbegrijpelijk hoe van tijd tot tijd de taallobby weer de kop op steekt, terwijl het besef steeds meer doordringt dat, al spreken allochtonen vlekkeloos Nederlands, de problemen zullen blijven, zolang autochtonen zich niet aangepast hebben aan de gewijzigde maatschappelijke situatie.



TOCH BLIJVEN hardnekkige monoculturalisten hameren op aanpassen, op ‘taal, taal, taal’ en beschouwen zij multiculturaliteit als een illusie. De voornaamste zegsman van deze visie, die zich nog krampachtig vastklampt aan aloude, vertrouwde mensbeelden, is Paul Schnabel. Tijdens zijn op uitnodiging van Forum uitgesproken rede ‘De illusie van de multiculturele samenleving, een pleidooi voor aanpassing en assimilatie’ in het West-Indisch Huis te Amsterdam bleek echter hoe aangepast allochtonen reeds zijn. De enige die dat niet doorhad, was Schnabel zelf. Zijn grotendeels bruine en zwarte gehoor sidderde van woede bij de toch wel erg achterhaalde woorden van Schnabel, maar men bleef in typisch Hollandse zin ‘fatsoenlijk’, en wachtte rustig af tot er kon worden gereageerd. Schnabel bleek er een sterk verouderde folkloristische benadering op na te houden, door bijvoorbeeld ‘onze waarden en normen’ tegenover ‘hun eten en muziek’ te stellen. Moest de klok zo ver worden teruggedraaid?


Omdat ook Anet Bleich, de gespreksleidster, jammer genoeg niet merkte hoe hoog de nood in de zaal was, kon Schnabel vrijwel ongestraft zijn gang blijven gaan. Gelukkig maakte zij dat met een niet mis te verstane kritiek op Schnabels ‘hooghartigheid’ in haar column ‘Multiculturele misverstanden’ weer enigszins goed.


Belangrijker is dat het aanpassingscriterium onverwacht op een andere bijeenkomst, ditmaal in De Rode Hoed, op onnavolgbare wijze werd verwoord door Michaël Zeeman, de verrassend alerte gespreksleider in een debat rond ‘Het multiculturele drama’, waar zowel Paul Scheffer als de integratieminister Roger van Boxtel, soms tegen beter weten in, hun standpunten trachtten te verdedigen. Toen voor de zoveelste maal gesproken werd van ‘ínvoegen’ in de Nederlandse samenleving gebruikte Zeeman als alternatief de term ‘ritsen’, hoogstwaarschijnlijk zonder de diepere betekenis van zijn metafoor te beseffen. Ieder die zich de tv-spotjes van het recente verkeersfenomeen voor de geest haalt, kan zich een beeld vormen van de zich invoegende automobilist/allochtoon. Die kan dat alleen doen als de automobilist/autochtoon op de hoofdbaan voor hem plaatsmaakt door even iets harder te rijden, of juist door wat gas terug te nemen. De invoeger wordt niet belemmerd — zoals voorheen veelal gebruikelijk was — maar wordt in de verkeersstroom geaccepteerd en opgenomen. Dat laatste hangt volledig af van het aanpassingsvermogen van de oorspronkelijke automobilist. Kortom, niet de nieuweling past zich aan — hij past in — maar de zich reeds op de hoofdbaan bevindende past zijn snelheid aan. Ieder moet in dit ‘ritsende’ tussen- of overgangsgebied zijn of haar houding bepalen en heeft een eigen verantwoordelijkheid.


Het multiculturele drama kan alleen in goede banen geleid worden als de autochtone meerderheid bereid is een stapje terug te doen en een andere houding aan te nemen door het andere, het vreemde tot iets van hemzelf te maken — iets wat de allochtone minderheid vrijwel onafgebroken doet. In die optiek blijkt de betekenis van Mulisch’ woorden: multiculturaliteit is geen streven naar ‘vermenging’, geen ‘melting pot’, zoals in Amerika tevergeefs geprobeerd is, maar een ‘nieuwe chemische verbinding’, waarbij mensen een nieuwe identiteit ontwikkelen.



HET UNIEKE KARAKTER van de huidige openbare maatschappelijke discussie, die dwars door de geledingen van de bevolking loopt (gezien de diversiteit van de media die hun pagina’s of zendtijd beschikbaar stellen), biedt mijns inziens een hoopvol perspectief op de toekomst. In elk geval is de migratieproblematiek een stuk dichter bij degenen gekomen voor wie multiculturaliteit een issue is, namelijk wij allemaal, niemand uitgezonderd. Femke Halsema mag dan in haar artikel ‘Progressieve coalitie allochtonen-autochtonen nodig’ stellen dat er vooral een mentaliteitsverandering nodig is onder ‘de politieke en culturele elites’, maar dat is natuurlijk lang niet genoeg. Zeker niet nu een bepaald deel van de zogenaamde linkse elites het zo jammerlijk laat afweten. Integratie moet integendeel bij de basis een feit zijn, willen de consequenties daarvan tot de elites, waaronder ook de wetenschappelijke, doordringen.


Deze maatschappelijke discussie maakt dan ook een door velen nagestreefd parlementair onderzoek geheel overbodig. Hetzelfde geldt voor de recente voorstellen om kinderen in de voorschoolse periode met taallessen en toetsen op te zadelen. Hier dringt zich onverwacht de navrante consequentie op van de grootste onderwijskundige misser uit de vorige eeuw: de invoering van de basisschool. Immers, op steeds vroegere leeftijd worden kinderen gedwongen hun ongecompliceerde bestaan achter zich te laten en zich in te stellen op de prestatiemaatschappij. Bovendien liggen daar de discutabele initiatieven van staatssecretaris Adelmund, tot het instellen van ‘laboratoriumscholen’, waar een legertje deskundigen mag proberen om binnen twee jaar de knelpunten in kaart te brengen en na te gaan hoe leerachterstanden beter kunnen worden bestreden. Een zinloos initiatief; het is bedroevend om te zien hoe mensen bereid zijn om steeds maar weer om de hete brij te draaien. Alles is in de afgelopen jaren op dit terrein reeds onderzocht, alles is gezegd, iedereen heeft zich ermee bemoeid. Geen enkel onderzoek kan bewerkstelligen dat houdingen van mensen veranderen. Het heeft geen enkele zin financiële middelen in scholen of taalmethoden te pompen, zolang niet alle aandacht gaat naar de opleidingen waar aanstaande leerkrachten voorbereid worden op hun toekomstige beroepspraktijk. Alleen daar kan de noodzakelijke mentaliteitsverandering onder leerkrachten in gang worden gezet.


Hoe moeilijk dat te begrijpen is blijkt alleen al uit een uitspraak van Entzinger, migratiedeskundige van het eerste uur, in het artikel ‘Het witte bastion’. Entzinger stelt weliswaar: ‘We verzuimen ons onderwijssysteem aan te passen aan de veranderende bevolking’, maar die visie blijkt verder nergens uit zijn woorden. Zo bekritiseert hij bijvoorbeeld Scheffers ‘eendimensionale benadering’, en stelt daar zijn eigen ‘tweesporenbeleid’ tegenover: enerzijds ‘achterstanden tegengaan en allochtonen onderbrengen in arbeids- en schoolsystemen’ en anderzijds ‘uitvinden hoe die mensen denken en voelen en op grond daarvan sociale samenhang bevorderen’. Met andere woorden: ‘wij’ autochtonen blijven keurig buiten schot.



VREEMD GENOEG is één allochtone stem in deze discussie nauwelijks gehoord, die van David Pinto, hoogleraar interculturele communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Pinto, die voorafgaande aan zijn benoeming met de regelmaat van de klok van zich liet horen, viel daarna angstvallig stil. Hij had zijn doel bereikt, zoals hij in de vele interviews meedeelde. Hij ambieerde ‘macht’. Was hem dat indertijd in het leger (generaal) niet gelukt, later in de politiek (minister) ook niet, aan de universiteit (professor) lukte dat wel. De waarde van deze benoeming werd vooraf in de pers ruimschoots betwijfeld. Zo luidde Stella Braam de alarmklok (NRC Handelsblad, 20 augustus 1998) door de beschamende methoden van Ratelband te vergelijken met de simplificerende blabla-interculturaliteit van Pinto en achtte Henriëtte Boas (Trouw, 28 oktober 1998) Pinto’s ‘lege leerstoel’ volstrekt ‘nutteloos’. Het is een openbaar geheim dat ook vanuit verschillende andere universiteiten is geprobeerd zijn benoeming tegen te gaan. Waar het mij om gaat is dit: leggen we Pinto’s veelgeroemde interculturaliteit tegen de multiculturele meetlat, zoals die in dit artikel in grote lijnen geschetst is, dan valt hij zeker door de mand. De reeds gehoorde betiteling van Pinto als ‘wolf in schaapskleren’ gaat wellicht wat ver, zijn publicaties maken voor de oplettende lezer duidelijk dat zijn ‘interculturele communicatie’ niets meer of minder dan louter ‘monoculturele communicatie’ inhoudt. Een troost is dat nu, zo’n beetje aan het einde van het multiculturele debat, Pinto’s oratie gepland is. Waarschijnlijk heeft hij zijn kruit droog willen houden. Op 24 maart zullen we weten wat hij van het drama vindt.



Siep Kooi is auteur van het proefschrift Naar een pedagogiek van de tussenwereld, een wijsgerig-pedagogische studie over de grondslagen van de interculturele ontmoeting in opvoeding en onderwijs.