Het monoculturele drama: ons kent ons niet meer

Hoe vertaal je «allochtoon» in het Engels? En «verongelijkt»? Vanuit New York houdt Ian Buruma in Murder in Amsterdam Nederland een glasheldere spiegel voor. Ian Buruma
Murder in Amsterdam
(The Death of Theo van Gogh and the Limits of Tolerance) Penguin Press/New York, 278 blz., euro 20,90

Medium cover16c 2

Al vijf jaar koestert Nederland het idee dat het abnormaal is geworden. Nu dacht Nederland al langer dat het niet normaal was – op de keper beschouwd sinds de vijftiende, zestiende eeuw – maar dat werd altijd positief opgevat. We waren het land van Erasmus, Spinoza en Rembrandt: verlicht voordat er Verlichting was. Of het nu ging om de predestinatie, die hier oog in oog met God net iets gunstiger uitpakte dan elders, of om de gedoogzone waarin je vrijelijk in je blote kont een joint kon wegblowen, de natie was er meestal trots op.

Sinds Pim Fortuyn en Theo van Gogh is die vredelievende eigendunk geknakt. Want politiek geweld als vorm van normalisering onder ogen zien, ermee leven en tegelijkertijd bestrijden, dat is te veel gevraagd. Nederland wentelt zich nu in zijn verongelijktheid. Verongelijkt: het is een woord dat Ian Buruma, halve Nederlander in New York, in zijn nieuwste boek Murder in Amsterdam eigenlijk niet in het Engels kan vertalen. Verongelijktheid is inderdaad een welhaast uniek Nederlandse gemoedstoestand. Mede door dit tolkenprobleem heeft Buruma een verhelderend boek geschreven over het land van Fortuyn, Van Gogh en hun exegeten, volgelingen en vrienden.

Buruma is een steengoede helikopterpiloot. Hij deinst er niet voor terug heen en weer te vliegen tussen de orangistische lynchpartij van de gebroeders De Witt in rampjaar 1672 en het fortuynistische volksgericht van 2002, tussen de vanwege de satirische sketch «Beeldreligie» in Zo is het van 1962 als «jood» verguisde (katholieke) Mies Bouwman en de brullende Oranjefans op weg naar een wedstrijd tegen Duitsland anno 2006. Hij ziet er niet tegenop om de terreurdaden van de Molukkers medio jaren zeventig af te wegen tegen de eveneens politiek gemotiveerde liquidaties dertig jaar later. Hij draait zijn hand niet om voor een doortastende extrapolatie van het befaamde essay In de schaduwen van morgen van Johan Huizinga uit de jaren dertig en een interview met Jort Kelder over Georgina Verbaan. Hij heeft waarachtige belangstelling voor zowel de Hollanders, die bang zijn dat hun vertrouwde wereld gaat kraken, als de Immigranten, die beklemd tussen hun twee werelden schizofreen of depressief worden. Al cirkelend boven de polder weet hij intussen zo stijlvast te blijven dat Murder in Amsterdam met recht een monografie voor de boekenlijst eigentijdse vaderlandse geschiedenis mag worden genoemd.

Het is een godsgeschenk – dit is geen ironie – dat Ian Buruma eind 1975 uit Nederland is vertrokken, maar het land, waar hij is getogen, nooit mentaal de rug heeft toegekeerd. Het maakt dat hij nu diagnoses kan stellen die ver uitstijgen boven de politieke of emotionele opportuniteit waarin wij ons noodgedwongen vermeien.

Nee. Murder in Amsterdam bevat geen onthullingen. Enkele dingen die onbekend lijken, kloppen zelfs niet of niet helemaal. Zo is Paul Scheffer, een van de gesprekspartners met wie Buruma over de politieke ambities van Michael Ignatieff spreekt, nooit maoïst geweest, juist niet: Scheffer was eenvoudig communist met een c, althans lid van de cpn. En wethouder Rob Oudkerk is in 2004 niet door zijn eigen pvda gedwongen tot aftreden omdat hij zich in 2002 het woord «kut-Marokkanen» had laten ontglippen. Hij sneefde op de tippelzone aan de Theemsweg. Vooral die laatste onvolkomenheid is spijtig, omdat de volledige chronologie van de kortstondige bestuurlijke carrière van Oudkerk vlijmscherp in de grote lijn van Buruma past. Seks als metafoor voor Nederland en de moderniteit: te mooi om te laten lopen. Maar dat is allemaal klein kritisch grut.

Ja. Murder in Amsterdam is een journalistiek boek. Buruma heeft gesproken met alle leden van de spraakmakende gemeente, voorzover nog in leven of niet achter de tralies. Hij is niet alleen bij Scheffer langs geweest, maar ook bij de Iraanse ex-communist Afshin Ellian, bij Ayaan Hirsi Ali, de Kroatische schrijfster Dubravka Ugresic, de «vrienden van Theo», bij een Marokkaanse psychiater en een geschiedenisleraar, bij islamitische vrouwen en nog een tiental serieuze lieden. Maar het is meer dan journalistiek, omdat Buruma hun opvattingen niet alleen maar op een rijtje zet. Hij speelt ze juist respectvol doch genadeloos tegen elkaar uit. Dat verschaft inzicht, zoals een psychiater zijn patiënt laat inzien wat hij zou hebben kunnen weten.

Ook in Murder in Amsterdam zijn de jaren zestig een breukpunt. Die ludieke jaren zestig spoorden, alles optellend en aftrekkend, redelijk met het beeld dat Johan Huizinga in de woeste jaren dertig had beschreven. Het nazisme zou de Hollanders volgens de grote historicus nooit volledig kunnen verleiden. Nederland zou hooguit rijp zijn voor «gematigd extremisme». De «mentale basis» voor collectieve illusies is immers een «politiek gevoel van inferioriteit» na eeuwenlange mislukkingen en onderdrukking. Nederland is daarentegen «als natie en als staat uiteindelijk satisfait», citeert Buruma uit In de schaduwen van morgen.

Hoezeer de uiterlijkheden van de sixties ook schrik aanjoegen, Nederland bleef nadien een burgerlijke maatschappij waarin de regenten voor hun volk zorgden zonder zichzelf te kort te doen. De culturele revolutie verschafte de tevredenheid zelfs een extra dimensie: die van uitverkorenheid, alsof het nieuwe Babylon voor ons was voorbestemd. Zo kon de schande van de jodenvervolging, gepersonifieerd door Anne Frank, toch nog een beetje recht worden gezet. Het Nederland van 2000 was het Nederland dat Drees in de grondverf had gezet, Den Uyl had afgelakt en Lubbers uiteindelijk gerenoveerd: een abnormaal normaal land waar Big Brother werd gepatenteerd en een saaipiet als Wim Kok de verkiezingen kon winnen.

En toen vlogen de vliegtuigen het World Trade Center binnen en deed Pim een stap naar voren. «Fortuyn was een showboat. En dat is in een natie, waar doe maar gewoon al gek genoeg is, een zware beschuldiging. Deze puriteinse Hollandse zedenpreek verwerd bij Volkert van der Graaf tot moorddadig extremisme», aldus Buruma. Terwijl Van der Graaf het protestantisme in onversneden vorm dacht te belichamen, etaleerde Fortuyn een retoriek die niets meer gemeen had met het bestuurlijke taalgebruik. Hij waande zich een missionair die premier zou worden, ook als hij dat via de stembus niet zou worden. «Zoals veel in een maatschappij die aan de buitenkant de katholieke of protestantse kerk lijkt te hebben verworpen, waren de visies van Fortuyn diep geworteld in bijbelse termen.» Pim was, kortom, een kind van de jaren zestig, zoals Volkert een kind was van de Dordtse synode.

Dezelfde spiegelbeeldigheid is met enige moeite toepasbaar op de volgende politieke moord. Theo van Gogh, het kind van Wassenaar dat altijd uit was op épater le bourgeois door een permanente verzetshouding tegen zijn eigen biotoop aan te nemen, versus diens moordenaar Mohammed Bouyeri, die zijn eigen «superioriteit evident» achtte. Beiden behoorlijk Hollands, zij het dat Bouyeri er verdwaald is. Een van Buruma’s gesprekspartners – een Marokkaanse leraar geschiedenis die de stof die hij moet doceren heidense onzin vindt en alleen les geeft voor het geld – is zo ver nog niet. Maar koester geen illusies. Deze allochtoon – Buruma moet het woord voor de buitenlandse lezer uitleggen en dat doet hij door te schrijven dat het begrip niet letterlijk moet worden opgevat, maar een ander woord is voor moslims – heeft zich verschanst in de moskee, de enige plek waar zijn gemeenschap nog iets aan heeft. Ook deze leraar is «Hollandser dan hij denkt», aldus Buruma: «Het idee de moskee te gebruiken om kwade jongens op het rechte pad te houden is conservatief, maar nauwelijks vreemd voor een maatschappij die een paar decennia terug nog was geschraagd op religieuze zuilen.» De wrokkige docent «is op een excentrieke manier spiritueel verwant met een oudere en orthodoxere Hollandse samenleving, die bijna is weggespoeld door de culturele vloed van de jaren zestig».

Hetzelfde, maar dan weer omgekeerd, geldt voor de deze zomer geëxplodeerde rol van Ayaan Hirsi Ali in de vvd. «De leiders van deze typische regentenpartij haten niets meer dan rocking the boat en dat was precies waarop Ayaan uit was.» Dat lag aan beide partijen. De vvd kon haar revolutionaire toon niet verdragen; Hirsi Ali kon die toon niet hollandiseren. Want «deze dochter van de Somalische elite heeft iets dat behoorlijk regentesk is, ondanks haar bezwaren tegen de pamperende verzorgingsstaat». Buruma verwijst naar een uitzending van Nova waarin Hirsi Ali een bezwaar makende moslima in een Blijf-van-mijn-Lijfhuis letterlijk wegwuift als een hopeloos hardleers geval. Hij concludeert: «Ayaan is op haar manier een beetje als een Hollandse notabele, die niet zou misstaan op een portret van Frans Hals, behalve dan dat ze zwart is.»

De autochtonen hebben die paradoxale misverstanden niet onder ogen willen zien. «Wanneer de zelfvoldaanheid wordt uitgedaagd, begint de paniek. In het nawijzen met de vinger klonk een toon door van gewonde amour propre, een ressentiment dat de dingen plotseling fout waren gegaan, een gevoel van wrok dat men werd getart door de eigen uiteengespatte dromen», betoogt Buruma. «Tolerantie heeft zelfs voor Hollandse progressieven zijn grenzen. Het is makkelijk om tolerant te zijn jegens hen die op jezelf lijken, die je instinctief kunt vertrouwen, wier grappen je begrijpt, die ons gevoel voor ironie delen en die misschien zelfs wel van Michael Ignatieff hebben gehoord. (…) Ik proefde een zekere nostalgie bij Scheffer, een verlangen naar een vroegere tijd toen de jonge intellectuelen van Amsterdam zich wereldpioniers voelden in een nieuw tijdperk van seksuele en religieuze bevrijding, pioniers die dezelfde ideeën, waarden en referenties deelden. De moslims zijn de spelbedervers, de onwelkome gasten op het feestje.»

Vandaar dat de Iraanse jurist Afshin Ellian in die kring werd geknuffeld. Hij verschafte de gastheren van de verlopen sixties party een alibi. Dat leek logisch, maar was het niet. «De oorlog tussen de Verlichting van Ellian en de jihad van Bouyeri is geen rechtlijnige clash tussen cultuur en universalisme, maar tussen twee visies op universalisme, de een radicaal seculier, de ander radicaal religieus», aldus Buruma. «De conservatieve roep om de waarden van de Verlichting is deels een revolte tegen een revolte. (…) Met andere woorden: de Verlichting is de naam geworden van een nieuwe conservatieve orde, wier vijanden aliens zijn met wie we geen waarden delen.» Het is een rechte weg van de wal naar de sloot. «Een essentieel onderdeel van het Verlichte denken is dat alles, in het bijzonder claims op ‹ononderhandelbare› of ‹fundamentele› waarden, open zouden moeten staan voor kritiek. (…) Het enige waarover niet kan worden onderhandeld, is het gebruik van geweld.»

Met deze koele eenvoud zet Ian Buruma het mes er diep in. Want hoewel de secularisten roepen dat er tussen vrede en oorlog niets kan en mag zijn, wordt het geweld sinds 2001 aan alle kanten gepolitiseerd. Ook zij die niet met een wapen of mes op zak lopen, lopen het risico als defaitisten bij de mestvaalt te worden gezet. Zoals is gebeurd met burgemeester Job Cohen, die na het incident bij het slavernijmonument door Ellian voor «moreel corrupt» werd versleten.

Door niet in de val te trappen, heeft Ian Buruma met Murder in Amsterdam analytisch en beschaafd afgemaakt wat Geert Mak in Gedoemd tot kwetsbaarheid emotioneel en retorisch wilde beginnen.