Andy Summers en The Police

Het monster van succes

Geen band werd ooit beter van binnenuit gedocumenteerd dan The Police. Andy Summers’ foto’s bieden nuance, intimiteit en zelfkritiek en geven vanuit een ongekend perspectief inzage in de dynamiek van een band vol tegengestelde krachten.

Een jong, naakt meisje ligt gelukzalig uitgestrekt naast een Gibson-gitaar. Ze is zojuist genomen door de gitarist van The Police, die in zijn dagboek mijmert over de enige vrouw die er toe deed, en die gekrenkt haar biezen heeft gepakt. Succes, zo zal Andy Summers meermaals verklaren, voelt als penetratie op publieke schaal, gesymboliseerd door het magische tapijt van een privé-jet, gevuld met bandleden die met elkaar op de vuist gaan en de kinderen van gescheiden ouders. Opwindend, jazeker. Maar het holt de ziel uit.

Geen band werd ooit beter van binnenuit gedocumenteerd dan The Police, de mega-act die dit jaar aan een nooit gedachte reünietour is begonnen. Drummer Stewart Copeland ging gewapend met een 8mm-camera, waaruit hij vorig jaar de documentaire Everyone Stares samenstelde, Stings roadie en assistent Danny Quatrochi publiceerde in 1986 een fotoboek rond de band. Maar gitarist Andy Summers is de ware chroniqueur. Na het jaren-tachtigfotoboek Throb pakt hij nu uit met het uitgebreidere I’ll Be Watching You: Inside The Police 1980-1983. Vorig jaar verscheen bovendien al de autobiografie One Train Later. Beide bieden een inkijk in het bestaan van een rockidool, gemaakt door iemand die het niveau van de goedwillende amateur ruim is overstegen, en die zelfkritisch en zonder romantiseren naar eigen wereldfaam durft te kijken.

Summers (Poulton-le-Fylde, 1942) had in 1977 al een half rockleven achter de rug toen hij door de onbekende Sting en Stewart Copeland werd gevraagd knoeier Henri Padovani te vervangen. The Police had nog geen platencontract en weinig uitzicht op optredens. Summers had als gitarist al gespeeld bij Zoot Rollins en bij The Animals van Eric Burdon. Hij was tien jaar ouder dan Sting en Copeland, die het zoveelste punkbandje hadden opgericht, en een niet onverdienstelijk sessiemuzikant. Maar Summers’ leven zat voor zijn gevoel ‘op slot’, en hij zag iets in de larger-than-life-_karakters van zijn komende bandgenoten: de een de zoon van een Noord-Engelse melkman, de ander van een hoge cia-operative._

Wat Summers zag, borrelde al snel naar de oppervlakte. De drie muzikanten waren technisch te onderlegd voor punk: bovendien brandden ze van ambitie, zeker voorman Sting. Die begon de ene hit na de andere te produceren. The Police ontwikkelde een sound die getypeerd werd als ‘witte reggae’, maar al snel diverser bleek dan dat. Sting had het schrijftalent, Copeland kwam met syncopische innovatie, Summers putte uit zijn klassieke en jazz-roots. Hij verrijkte het harmonische palet van de rock en experimenteerde met effectenprocessors en de net uitgevonden gitaarsynthesizer. Het maakte hem tot de meest invloedrijke gitarist van de jaren tachtig. Bovendien had de band met Miles Copeland III een kiene manager, die een programma voor werelddominantie ontwierp, dat onder meer een genadeloos tourschema door de Verenigde Staten en onontgonnen rocklanden in Azië en Zuid-Amerika behelsde. De band die ooit voor een kauwgomreclame het haar blondeerde, om nog iets te eten te hebben, groeide uit tot de grootste act sinds The Beatles.

Summers’ fotowerk – dat schatplichtig is aan Diane Arbus, Henri Cartier-Bresson, Walker Evans en Gary Winogrand – toont de aanzwellende tsunami van succes. De opeenstapeling van stadions en concerthallen, van schreeuwende massa’s en de creatieve strijd in de studio. Maar er is ook de onthechting en de psychologische verwording. De groupies, de uitgestreken drugsgezichten, de toch al grote ego’s die groter en groter worden, de bandleden die steeds minder zichzelf zijn en steeds meer hun eigen imago naspelen. En dan, opeens, als een voltreffer in je gezicht: Copeland met zijn baby op de arm, ergens op een Engels platteland dat is ontdaan van associaties met roem en succes. Een mens, en niet de monsterachtige zwelbast die in spotlamplicht is ontstaan.

Steeds meer, zo toont I’ll Be Watching You, wordt de band afgeschermd van wat ze teweegbrengt. Zo sta je in een stadion met vijftigduizend fans, zo word je gehaast een limousine in geduwd en naar een hotel gereden waar vijfsterren-roomservice klaarstaat en Chopin uit ongeziene boxen kabbelt. Zet de tv aan en je ziet jezelf. Lees een krant en daar staan – zwaar verminkt – je eigen woorden. Andy Summers: ‘Alles wat we zeggen wordt naar ons teruggeleid in een eindeloze feedback_-loop.’_ Zo gaat het, stad in, stad uit – een blur van hoogbouw, van stadions, van fans die met je naar bed willen. ‘We zijn weer hier/ daar/ waardanook, onze botten richting een voortijdig graf tourend.’

Een gevoel dat een steeds grotere rol in de foto’s gaat spelen: hier hebben we drie maal koning Midas op wereldschaal. Ooit een hechte eenheid, later drie eilanden die elkaar nog net aan de horizon kunnen velen. Summers gebruikt het medium niet alleen om de band vast te leggen, maar ook om eraan te ontsnappen. Hij zoekt de sereniteit van een landschap, van een stilleven, van een in scène gezet beeldexperiment. Op zeker moment begint hij zelfs tíjdens optredens te fotograferen, middels een camera op statief, van afstand bediend met een voetpedaal. De enige manier om in de maalstroom van adrenaline, adoratie, drugs en seks je verstand niet te verliezen.

De zelfdestructie van The Police was ingebouwd: het succes diende slechts als katalysator. Summers in een dagboekaantekening: ‘Niemand kan met zijn vingers van de verdomde mixing-console afblijven – faders gaan op en neer als jojo’s – die oude Hollywood-grap: “Wat ik eigenlijk wil, is regisseren…”’ The Police bestond – en bestaat – uit drie zelfovertuigde muzikanten en drie visies op geluid en compositie. Maar slechts één van hen kwam met wereldhits op de proppen. Sting begon zijn geduld te verliezen met de opinies van zijn collega’s. Hij weigerde Summers’ materiaal te zingen, zodat diens eigen wankele stem het tot een B-kantje veroordeelde. De opname van een onwelgevallige instrumental van Summers’ hand werd door Sting in de tuin van de Wisseloord-studio’s begraven. Copeland en Sting begonnen over elkaars toetsenpartijen heen op te nemen – soms sloegen ze elkaar half of helemaal het ziekenhuis in.

Na The Police was Summers zoekende. Hij was opgehouden met oefenen en deed een halfbakken poging een popplaat te maken. XYZ bewees echter andermaal de beperkingen van zijn stemgeluid. Begin jaren tachtig, nog tijdens de band, had hij twee instrumentale avant-gardeplaten gemaakt met King Crimson-gitarist Robert Fripp. Langzaam zou Summers weer richting de instrumentale muziek graviteren. Eerst middels filmsoundtracks, later op de New Age-achtige neuzelplaat Mysterious Barricades. Zijn solostem vond hij pas in 1989, met het goed ontvangen The Golden Wire, dat de jazz-, avant-garde- en rockinvloeden uit zijn leven samenbracht. De vele jazzplaten daarna – waaronder herinterpretaties van Thelonius Monk en Charles Mingus – toonden Summers’ kracht: een compositorisch oor voor structuur, een eigenzinnige benadering van harmonie, doeltreffende, lyrische solo’s en een rijke benadering van klankkleur. Als fotograaf bleef hij aan de weg timmeren, resulterend in tentoonstellingen die hoegenaamd niets met muziek te maken hadden. Maar nooit maakte hij er een geheim van dat hij zat te wachten op dat ene telefoontje van Sting.

De autobiografie One Train Later, zo zou hij bij publicatie in 2006 zeggen, was voor hem een afsluiting: de definitieve erkenning dat dat telefoontje niet ging komen. Om dezelfde reden maakte Copeland zijn documentaire Everyone Stares. Naast de vele miljoenen zal het Sting geprikkeld hebben om tóch te bellen; hij was degene die die deur dicht mocht houden, niet anderen. En zo is daar, andermaal, dat monster van succes; de aaneenschakeling van uitverkochte stadions. Het roept Summers’ cynische dagboekaantekening uit 1983 in herinnering: ‘We zijn een groep geworden die avond aan avond een streng hits ten gehore brengt. We zijn een backing group gevangen in de kooi die we zelf gebouwd hebben – Arabisch gezegde: geef een man wat hij wil…’

Andy Summers’ bijdrage aan de muziekhistorie zal groter blijken dan enkel zijn verbreding van het rockpalet. Het zijn de nuance, de zelfkritiek en de intimiteit van zijn inkijkjes die de glorie dimensie verschaffen. Dankzij hem krijgen we vanuit een ongekend perspectief inzage in de dynamiek van een band die door haar tegengestelde krachten nog altijd fascineert.

Andy Summers, I’ll Be Watching You:

Inside The Police, 1980-1983

Taschen, 378 blz., € 29,95 (publiekseditie);

€ 350,- (gelimiteerde, gesigneerde editie)

Andy Summers, One Train Later

Thomas Dunne Books, € 23,99 (hardcover)

Platkus Books, € 14,99 (paperback)