Opheffer

het mooie van onze democratie

1.Kun je de democratie misbruiken? Berlusconi heeft gebruik gemaakt van al zijn bedrijven en zijn miljoenen om gekozen te worden. Zijn partij heeft een meerderheid.

Sindsdien verandert hij alles wat hem onwelgevallig is. Bevalt hem een minister niet, hij benoemt een nieuwe. Is er een wet die hem tegenstaat, hij verandert haar. Is er een cabaretier die te gevaarlijke grappen over hem maakt op de televisie, hij zegt dat propaganda op de televisie niet mag en laat de cabaretier ontslaan. Zijn eigen optreden voor de televisie – bijna elke dag – noemt hij «informatie» en is dus geen propaganda.

Maar is er sprake van misbruik?

Ik moet eerlijk zeggen dat ik wel eens droom van een meerderheid in het parlement. Ik zou dan ook alles wat mij tegenstaat, veranderen. Ik zou andere keuzes maken dan Berlusconi, maar ook «mijn» meerderheid in het parlement gebruiken om al mijn wensen in vervulling te laten gaan.

Natuurlijk heeft Berlusconi dictatoriale trekken – en ik weet ook wel dat wanneer je bijna alle communicatiemiddelen in handen hebt je de ander kunt sturen – maar Italië blijft een democratie, wat betekent dat Berlusconi altijd weggestemd kan worden door een meerderheid.

Ik weet niet of Berlusconi tegen de Deense cartoons is, maar ik denk van wel – hij is tenslotte een goed katholiek die de katholieke kerk nodig heeft – en dat hij veel opheeft met de vrijheid van meningsuiting lijkt mij ook niet, al maakt hij daar zelf gebruik van wanneer hij een Duitse politicus vergelijkt met de Gestapo – iets wat hij dus Italiaanse cabaretiers verbiedt op televisie te verkondigen.

Wat irriteert aan Berlusconi – behalve zijn machtswellust – is de maatschappelijke paradox waarin hij zich wentelt. Langs democratische weg probeert hij zijn eigen dictatuur te vestigen, terwijl hij diezelfde democratie gebruikt om te bewijzen dat hij per definitie geen dictatuur kan vestigen.

Laten we eens een keurig en integer politicus als André Rouvoet van de ChristenUnie bekijken. Ik denk niet dat hij ooit iemand bewust zal beledigen. Hij zal zich wel snel beledigd voelen. Bijvoorbeeld door iemand als ondergetekende die graag godsdiensten bestrijdt.

Rouvoet – hij deed het onlangs weer met de Deense cartoons – zal altijd als eerste wijzen op artikel 1 van onze grondwet, dat stelt dat we niet mogen discrimineren op ras, geloofsovertuiging en seksuele voorkeur. Daarna pas zal hij wijzen op artikel 7, dat stelt dat er vrijheid van drukpers is. En dan zegt Rouvoet: «Er staat dan een komma, waarachter je leest: behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.» Met andere woorden, zie artikel 1. De Deense cartoons zijn – toen ze in Nederland werden gepubliceerd – dus discriminerend in de ogen van Rouvoet, omdat de kranten zich niet «verantwoordelijk» hebben gedragen. Ze hebben zich niet gehouden aan artikel 1.

Ook hier is weer sprake van een paradox. Immers: artikel 1 en artikel 7 spreken elkaar min of meer tegen, want wat is precies «verantwoordelijkheid voor de wet»? Daarom wilde Pim Fortuyn ook, naar mijn mening terecht, van artikel 1 af. De vrijheid van meningsuiting moet «één en ondeelbaar zijn».

Kortom: een grondwet zal altijd tegenstrijdige passages bevatten – en dat is maar goed ook. Je moet niet te veel vast willen leggen; die paradoxaliteit geeft juist ruimte voor debat. Weten we precies wat een wet inhoudt – men mag niet door het rode stoplicht rijden, dan hoeven we daarover over te debatteren.

2.

Terwijl ik iets opzoek in het boek Ita lianen van Jan van der Putten, hoor ik op de radio dat politieke partijen zendtijd «kopen» op de zenders die het best worden bekeken. Ik weet dat dit zo is.

Toen ik nog zelf op televisie figureerde, werd de redactie in verkiezingstijd herhaaldelijk benaderd met: «Jullie kunnen, bij hoge uitzondering, vanavond Wim Kok krijgen.» Of: «Balkenende vindt jullie programma erg leuk, hij wil graag een primeur bij jullie weggeven.» En als we dan niet toehapten, werd er wel gezegd: «Ach jeetje, wat vervelend, we wilden ook spotjes rond het programma laten uitzenden.» Voorzover ik weet zijn we nooit gezwicht. Maar ik zal nooit meer spotjes rond program ma’s los zien van de politici die erin verschijnen.

Heb ik er iets op tegen?

Ach, wat kan het mij schelen. Ik weet dat presentatoren van televisieprogramma’s zich goed laten betalen om op partijcongressen «interviews» af te nemen. Ik heb het zelf ook eens gedaan, voor een partij die me toen dierbaar was (GroenLinks). Maar ik weet dat je dan je objectiviteit absoluut laat varen. Je wordt vriendelijk ontvangen, politici liegen dat ze je stukken zo mooi vinden, je krijgt een warme kop soep en een zoen van de partijvoorzitter. En als je dan in het vraaggesprek merkt dat iemand schuttert, stel je snel een andere vraag.

Zo heeft Berlusconi zijn roem vergaard.

Kritiek kun je afkopen. Het is de les die Joop van den Ende heeft getrokken, toen hij musicals begon te produceren die altijd slecht werden gerecenseerd. Een paginagrote advertentie met «geweldig» doet meer dan een rotstuk van driehonderd woorden. (In Amerika geven ze bij grote publieksfilms nu meer dan zestig procent van het budget uit aan reclame.)

En zo zal een rijke Nederlander, als hij zich wil bewegen in de slangenkuil van de politiek, zichzelf ook tot een Berlusconi kunnen opwerken.

Dat is het mooie van onze democratie.