Films van Quentin Tarantino en Clint Eastwood

Het mooie van slechte smaak

Quentin Tarantino

Kill Bill Volume 1

Te zien vanaf 20 november

Clint Eastwood

Mystic River

Joel & Ethan Coen

Intolerable Cruelty

Grind house betekent letterlijk «huis waar het er knarsend aan toegaat». Ook figuurlijk houdt de definitie stand: in het Amerikaans refereert de term aan aftandse bioscopen in vervallen grootstedelijke gebieden. In de jaren zeventig draaiden van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in deze «gettobioscopen» films van het genre pornografie, kungfu, blaxploitation of exploitatiethriller. Wie een grind house betrad, stapte een harde wereld binnen van wraak en weerwraak, bloed en gebroken botten en oeverloze seksuele wellust. Maar het was ook een wereld van ongekende cinematografische schoonheid. En dat laat Quentin Tarantino zien met zijn nieuwe film, Kill Bill, Volume 1.

Het verhaal van Kill Bill valt samen te vatten in twee zinnen: bijgestaan door de DiVAS, oftewel de sluipmoordenaars die zich de Dodelijke Adders noemen, pleegt Bill (David Carradine) een aanslag op de zwangere Bride (Uma Thurman). Ze overleeft en zweert wraak. Wat volgt is een adembenemende deconstructie van de genres van het grind house: kungfufilms van de roemruchtige Hongkongse producent Run Run Shaw, spaghettiwesterns en allerlei Japanse yakuza-, samoerai- en animatiefilms. Dermate duizelingwekkend is het bronmateriaal dat het valt aan te raden een van de talloze Kill Bill-gidsen op internet te raadplegen alvorens naar de bioscoop te gaan.

Of niet. Juist het cinefiele aan Kill Bill vormt de kern van de kritiek op de film: de afwezigheid van een lineair verhaal, de obscure referenties en het buitensporige geweld zouden niets anders zijn dan genotzucht van de kant van de regisseur. Misschien. Hier staat tegenover dat het «genieten» van de regisseur aanstekelijk is. Werkelijk iedere scène druipt van de passie van de maker. Wanneer Tarantino in een ziekenhuisscène een montage compleet met splitscreen en muziek overneemt uit een oude favoriet van de gettobioscoop — Dressed to Kill van Brian de Palma — dan herkent ook de kijker dat en komt hij terecht in dezelfde inter tekstuele wereld als die van de regisseur. Deze noemt Tarantino zelf zijn «filmwereld».

En wat een wereld. Prachtig is een twintig minuten durend gevecht tussen de Bride en een Dodelijke Adder, O-Ren Ishii (Lucy Liu), bijgestaan door yakuzakrijgers in zwarte pakken en met maskers die stammen uit The Green Hornet, een televisieserie uit de jaren zestig waarin de legendarische Bruce Lee zijn carrière begon. Zelf heeft de blonde, beeldschone Bride een geel vechtpakje aan met zwarte strepen aan de zijkant van de armen, hetzelfde iconische trainingspak dat Bruce Lee droeg in zijn laatste en beste film, Game of Death (1978).

Behalve aan deze referenties ontleent het House of the Blue Leaves-segment zijn schoonheid vooral aan de wijze waarop Tarantino verschillende elementen vermengt, fotografeert en thematisch verrijkt met muziek, montage en beeldeffecten. Voorbeeld: als het bloedvergieten een hoogtepunt bereikt, knippert de Bride met haar ogen, waarna het beeld in zwart-wit verandert. Het is een poëtisch, puur filmisch moment dat de kijker bewust maakt van de vreemde lyrische kwaliteit van de heroic blood shed, zoals dit soort scènes in de wereld van de Hongkongse cinema heet. Dan weer zijn we in een Japanse tuin. Het sneeuwt. Een oog knippert. En de kleuren zijn terug. Het beslissende samoerai-zwaardgevecht tussen de Bride en de Adder begint.

Dit zijn de penseelstreken van een grootmeester. Tarantino’s eerdere films — Reservoir Dogs, Pulp Fiction en Jackie Brown — waren slechts een voorproefje van waartoe hij in staat is. Nu is er het echte meesterwerk: Kill Bill Volume 1.

Tarantino valt goed te vergelijken met Orson Welles, en wel om de volgende reden: met zijn beste films distilleert Welles schoonheid uit lelijkheid. Welles’ Touch of Evil ziet er bijvoorbeeld uit als een pulpthrillertje, maar is in werkelijkheid een briljant «morality play». Bij beide regisseurs is er iets diepers aan de hand dan slechts een spel voor filmgekken. In het geval van Tarantino: zijn magnifieke Bride, een mix van moeder, seksobject en moordmachine, strijdt tegen zielloze figuren die geen enkel gevoel meer hebben van wat het betekent een mens te zijn. Wie Uma Thurman als de Bride ziet lijden, weet dat Kill Bill eigenlijk één lange speurtocht is naar tederheid en liefde.

Quentin Tarantino groeide op met Clint Eastwood. Als «Man zonder Naam» in de Dollar-films van Sergio Leone was Eastwood ooit heer en meester in de gettobioscoop. Aanvankelijk was dit soort spaghettiwesterns nauwelijks te zien in het ordentelijke multiplex of «filmtheater». Ook de harde thrillers Coogan’s Bluff en Dirty Harry die Eastwood later in de jaren zeventig maakte samen met Don Siegel waren in eerste instantie geen commerciële successen. Temeer waren Clint, Don en Sergio het dagelijks brood voor hen die over de hele wereld knarsend de nacht in gingen in donkere met sigarettenrook gevulde zaaltjes zonder fatsoenlijke stoelen of projectieapparatuur.

Tegenwoordig is Eastwood een maker van hoge kunst. Dat constateren ook Amerikaanse critici naar aanleiding van zijn nieuwe film, Mystic River. Gelijk hebben ze: de nieuwe Eastwood boeit.

De centrale metafoor in Mystic River is even simpel als verpletterend: terwijl drie jongens in een voorstad van Boston op straat spelen, verdwijnt hun plastic hockeybal in de goot. Vele jaren later, als de jongens zijn opgegroeid tot mannen van middelbare leeftijd, loopt een van hen voorbij hetzelfde gat in de dezelfde weg. Bij hem is zijn zoontje. Aan hem vertelt de man het verhaal van de verloren bal. En, zegt hij, met het verstrijken van de jaren moeten er zo veel ballen in die goot zijn verdwenen dat er wel duizenden onder het wegdek liggen. Laten wij het deksel van de goot dan optillen, stelt de jongen voor. Misschien later, zegt de man.

Dat gebeurt niet. En dat is juist waar het om gaat in Eastwoods film: net als de bal die in de goot verdwijnt, is het verleden iets dat onherroepelijk verloren gaat. Dat is een bijzonder on-Amerikaans idee. Optimisme, weten dat het leven maakbaar is en het geloof dat alles wel goed zal komen in het leven — daar gaat het immers om in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Dat wist ook F. Scott Fitz gerald, een auteur die in The Great Gatsby zijn protagonist laat zeggen: «Het verleden overdoen? Nou, natuurlijk kun je het verleden overdoen!»

In het Amerika van Clint Eastwood kan niet alleen het verleden worden overgedaan, ook het heden is maakbaar. Al zijn films draaien in meer of mindere mate om kwesties van schuld en boete. Daarbij zijn de personages gebonden aan twee dingen: het verleden en het noodlot. Aangezien de jongens van Mystic River de onschuld van hun jeugd nooit zouden kunnen terughalen, zijn ze afhankelijk van het heden, van wat ze nu van het leven maken.

Voor Jimmy Markum (Sean Penn) is dat leven een teleurstelling. Jimmy is een tweederangs boef wiens dochter wordt vermoordt. Jimmy is ook één van de drie jongens die jaren geleden op straat hockeyden. Tijdens het onderzoek naar de moord komt hij weer in aanraking met de andere twee: rechercheur Sean Devine (Kevin Bacon) en de werkloze Dave Boyle (Tim Robbins). Behalve de bal is er nog iets dat de drie mannen bindt: destijds, terwijl ze op straat speelden, werd Dave ontvoerd en seksueel gemolesteerd door twee pedofielen. De vraag of dit incident iets te maken heeft met de moord op Jimmy’s dochter is de rode draad in het verhaal.

Het einde van de film is ontnuchterend. Eastwood laat zien dat moraliteit in het burgerlijke Amerika iets relatiefs is. Een geweten is een teken van zwakte. Wie sterk is, overleeft.

Heeft Mystic River iets van een klassieke tragedie, Intolerable Cruelty van regisseur Joel Coen en producent Ethan Coen toont dezelfde sensibiliteit als een komedie van Shakespeare. Net als bij Shakespeare stellen de makers een moreel dilemma aan de orde. In dit geval gaat het om de vraag of geld belangrijker is dan liefde. Ter illustratie van het dilemma houdt het hoofdpersonage, de rijke echtscheidingsadvocaat Miles Massey (George Clooney), een weergaloze monoloog waarin hij eeuwig trouw zweert, niet aan een vrouw, maar aan het idee van verliefd zijn. Om dit te bereiken, zegt Miles, is er maar één remedie: weg met het cynisme dat zo overheersend is geworden in het moderne leven.

Zelf schudt Miles het ene citaat van Shake speare en Christopher Marlowe na het andere uit zijn mouw. Op het eerste gezicht heeft hij ze uit een doe-het-zelfboekje over de liefde, eerder dan door diepgaande kennis van de context van Shakespeares of Marlowes werk. De citaten komen immers niet uit romantische komedies, maar uit tragedies als Romeo & Juliet en Julius Caesar. Maar dan blijkt hoe gepast de bloeddorstige referenties zijn: de combinatie liefde, geld en echtscheidingsadvocaten staat garant voor de allervreselijkste ellende.

De film grossiert in cartooneske situaties. In één ervan komt Miles oog in oog te staan met een astmatische huurmoordenaar die hij heeft gecontracteerd om zijn geliefde, Marylin Rexroth (Catherine Zeta-Jones), te vermoorden. In de hilarische scène die hierop volgt, bepaalt een astmapompje het lot van Miles en Marylin…

Intolerable Cruelty illustreert samen met Kill Bill en Mystic River hoe rijk de moderne Amerikaanse cinema is. Quentin Tarantino, Clint Eastwood en de Coens bewijzen alle vier dat ze grote kunstenaars zijn. Maar het is de Bride die de show steelt, die een blijvend spoor in het culturele bewustzijn zal achterlaten, zij die geboren werd in de gettobioscoop, als bastaard van een obscure feministische samoerai-wraakfilm en de melodramatische martiale kunstenfilms van Run Run Shaw. Slechte smaak was nog nooit zo mooi. En zo verheven.