Het moreel verval der vlinders

Bruce Bagemihl probeert te bewijzen dat homoseksueel gedrag onder dieren natuurlijk is. Maar waarom moet er iets bewezen worden?
‘THE UNIVERSE IS not only queerer than we suppose, it is queerer than we can suppose’, schreef de evolutionair bioloog J.B.S. Haldane ooit, en Bruce Bagemihl, de auteur van Biological Exuberance, over dierlijke homoseksualiteit, geeft hem met een knipoog gelijk. Er is, zo zou je na lezing van dit boek weer eens kunnen vaststellen, niets vreemds of ‘onnatuurlijks’ aan homoseksualiteit, maar de vraag die daarbij onmiddellijk opkomt is of er überhaupt wel iets bewezen moet worden - een problematisch aspect van dit boek, zoals we nog zullen zien.

Homoseksueel gedrag en transgender (een verzamelnaam voor allerlei ‘overschrijdingen’ van de geslachtsgrens) komen in de dierenwereld overvloedig voor. Momenteel bestaan er voor 450 diersoorten gedocumenteerde waarnemingen, en Bagemihl, een Canadese bioloog, vermoedt dat het om het topje van de ijsberg gaat. Het tweede gedeelte van het boek is een encyclopedische opsomming van de gewoontes die zoogdieren, vogels en reptielen op het gebied van de gelijkgeslachtelijke liefde zoal ontwikkeld hebben. Mannelijke bizons en orang-oetans penetreren elkaar, de boto (een dolfijnensoort) stopt van tijd tot tijd zijn penis in het spuitgat van zijn partner, bonobo’s doen aan tongzoenen, vogels wrijven - bij ontstentenis van een fatsoenlijke penis - hun genitaliën tegen elkaar, en stompstaartmakaken bedrijven wederzijdse fellatio in 69-posities. Afgezien van een imponerende variëteit aan seksuele technieken heeft Bagemihl bewijzen opgediept voor alle soorten gedrag die we ook bij mensen zien: hofmakerij, affectie, paarvorming en ouderschap; er zijn homoseksuele paren zilvermeeuwen en zwarte zwanen, biseksuele trio’s bij de oestervangers, paren met en zonder seksuele activiteit, tijdelijke allianties en levenslange vriendschappen - een enorme rijkdom aan uitingsvormen.
DE VERLEIDING om op basis van diergedrag sweeping statements te formuleren over de menselijke homoseksualiteit (een variant op de Bert-Haanstra-fallacy) moet volgens Bagemihl worden weerstaan. Seksueel gedrag wordt bepaald door diverse factoren (leeftijd, sociale status, strategie, dwang of vrijwilligheid), waarbij vrijwel elk afzonderlijk aspect of elke gedragsvorm zijn pendant vindt in de dierenwereld, maar de combinaties zijn uniek. Biologen benadrukken dat dieren en mensen méér zijn dan biologie; ze 'overstijgen’ hun genetische programmering, en Bagemihl aarzelt dan ook niet om te spreken over de homoseksuele 'cultuur’ en zelfs over de 'tradities’ van dieren.
Er heerste lange tijd een taboe op de waarneming van dierlijke homoseksualiteit. Het viel voor wetenschappers niet mee om homoseksualiteit als 'onnatuurlijk’ te bestempelen, waar er in de dierenwereld toch zo duidelijk op los werd gestreeld, gelikt en gerukt; onderzoekers zagen, wanneer mannelijke orang-oetans elkaar bestegen soms niets anders dan 'affectie’ en stelden verder geen vragen. Wanneer dieren zich niet - zoals 'Darwin’ dat eiste - reproductief gedroegen, werden ze bekritiseerd alsof het mensen waren. Ontrouw bij wilde vogels werd toegeschreven aan een hormonale disbalans, ze waren zeker 'ontevreden over thuis’, en er werd steen en been geklaagd over een 'verlaging van de morele standaards bij vlinders’. Wanneer dieren elkaar kusten, zochten de wetenschappers naar verklaringen in termen van 'voedseluitwisseling’ of sociale functies, maar Bagemihl wijst erop dat juist de kus op voortreffelijke wijze de limieten van het reductionisme laat zien. Het seksuele gedrag vertoont een poëtisch extra, iets wat de verklaringen altijd zal ontstijgen.
Niet alleen dat onuitroeibare antropomorfisme speelde een rol bij deze wetenschappelijke bijziendheid, ook de behoefte om het gedrag van dieren als functioneel te zien, gericht op voortplanting van de soort; er moesten dus wel verhitte debatten ontstaan over infanticide, verkrachting, masturbatie, nestverlating en groepsseks. Zoals zo vaak werd en wordt het 'probleem’ vooral veroorzaakt door een beperkt perspectief, een ontoereikend wereldbeeld.
DE NATUUR, beweert Bagemihl, wordt evenzeer gedreven door overvloed en exces als door schaarste en functionaliteit. Wanneer we uitsluitend door de darwinistische bril van voortplanting en adaptatie kijken, zal de weelderigheid van levensvormen en gedragingen deels onbegrijpelijk blijven.
Bagemihl is nogal onder de indruk van de wijsheid der inheemse volkeren (misschien omdat ze 'natuurlijker’ zijn dan wij?). Vertegenwoordigers van indiaanse first nations, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea en arctische volkeren verbinden homoseksualiteit, transgender, tweeslachtigheid en talloze andere cross-over-fenomenen vaak met vruchtbaarheid en kracht. Van sommige diersoorten wordt geloofd dat ze een tijdje man zijn voor ze vrouw worden; de kasuaris (een niet-vliegende struisvogel) wordt door vele volkeren als een sterke androgyn gezien, wat het dier een mythische status heeft opgeleverd. Bagemihl betoogt dat inheemse classificaties van het dierenrijk in subtiliteit en nauwkeurigheid vaak niet onderdoen voor de (westerse) biologie. Zo associeerde de Nuuh-tsjah-nulth-stam op Vancouver-Island beren vanouds met linkshandigheid, een waarneming die later door systematisch onderzoek leek te worden ondersteund (alle eenentwintig bij een onderzoek gevangen poolberen bleken met hun linkerpoot in de val te zitten), en de overtuiging dat vrouwen tijdens hun maandstonde niet alleen het bos in moesten gaan - wilde beren zouden houden van menstruatiegeuren - bleek te sporen met sommige onderzoeksresultaten. De Kalam van Nieuw-Guinea beweerden dat aardwormen konden fluiten, een idee dat door westerse deskundigen niet volledig serieus werd genomen, totdat wormbiologen ontdekten dat sommige grotere soorten inderdaad vogelachtige geluiden konden voortbrengen.
Om zijn visie kracht bij te zetten roept Bagemihl de 'post-darwiniaanse evolutie’, biodiversiteit en chaostheorie te hulp. De chaos is sinds James Gleicks gelijknamige boek op grote schaal misbruikt als een theoretisch manusje-van-alles (inzetbaar bij zowel het managen van multinationale ondernemingen als het sparen van folkloristisch houtsnijwerk), maar de schade bij Bagemihl valt mee; hij wil vooral begrip voor de overvloed, de schijnbaar doelloze weelderigheid van de dierenwereld. Hij citeert Hakim Bey: 'In feite is chaos leven. Alle rommeligheid, alle oproer van het kleurrijke, iedere protoplasmatische drang, iedere beweging - is chaos.’
DE LAATSTE TWINTIG jaar hebben zich interessante ontwikkelingen voorgedaan, die Bagemihl samenvat onder de term 'post-darwiniaanse evolutie’. Hij wijst op de 'zelforganisatie van het leven’ (bepaalde enzymen en cellen zouden spontaan ontstaan, maar we horen niet welke), op 'chaotische orde’ en 'omgevingsfactoren’ die invloed zouden hebben op genetische codes; 'experimenten’ zouden van alles hebben 'aangetoond’, maar we vernemen niet welke. We kunnen de weelderigheid van de natuur niet zonder meer vanuit de aanpassing en overleving van de soorten verklaren, en het wordt duidelijk wat het belang van Bagemihl is: homoseksualiteit moet worden begrepen als noodzakelijk onderdeel van de biologische exuberantie, een manifestatie van 'heilige eenheid en overvloed’; de natuur gedraagt zich zelfs non-lineair (bij dit toverwoord is waakzaamheid geboden; zelfs de talloze malen met occulte bedoelingen misbruikte quantumfysica is een voorbeeld van een volkomen lineaire theorie).
Evolutionaire biologen vermoeden dat vitaliteit en gezondheid van biologische systemen correleren met de hoeveelheid verschillende soorten die ze bevatten, een beweeglijkheid die Bagemihl ook gereflecteerd ziet in een grote variëteit aan gedragingen (onder meer de homoseksualiteit). Bagemihl geeft toe dat het proces 'slecht wordt begrepen’, maar hij waarschuwt ervoor dat we, wanneer we niet meteen het evolutionaire belang van de zoveelste keversoort inzien, moeten bedenken dat de biosfeer een uiterst complex verschijnsel is, waarbij 'nut’, 'functie’ en 'adaptatie’ vaak niet direct zichtbaar zijn op het niveau van de afzonderlijke soorten.
Allerlei theoretici 'worstelen’ met de extravagantie van de pauwestaart en de prachtige manen van leeuwen, maar zo niet Georges Bataille. Hij bedacht het concept van de algemene economie, dat erop neerkomt dat niet schaarste maar overvloed en exces de drijvende krachten zijn. Alle levende wezens ontvangen meer energie dan ze nodig hebben, en het surplus moet hoe dan ook worden verkwist, door middel van reproductie, 'opgegeten worden’ en door de dood. Creativiteit, destructie, barokke ornamenten, extreem ingewikkelde sociale systemen, bloei en bederf, het zijn allemaal methodes om het surplus kwijt te raken (zelfs de sovjet-industrialisatie zag Bataille als een functioneel exces). Eten is, in vergelijking met de fotosynthese van planten, uitzonderlijk omslachtig, maar deze verspilling wordt vanuit Batailles 'algemene economie’ plotseling begrijpelijk.
HOE NATUURLIJK is homoseksualiteit? Na een schets van de geschiedschrijving komt Bagemihl tot de verrassende slotsom dat onze attitude in de loop der eeuwen weinig te maken heeft gehad met oordelen over de natuurlijkheid van homoseksueel gedrag. Soms werd de 'onnatuurlijkheid’ ervan aangewend om de superioreit boven heteroseksuele liefde te bewijzen, zoals in het klassieke Griekenland, maar vaak werd de brute natuurlijkheid - het oncontroleerbare en driftmatige aspect - juist veroordeeld en onwenselijk geacht. Er zijn boekdelen volgeschreven over de eeuwige dialectiek van het beteugelen van onze natuurlijkheid en het al dan niet gedoseerde uitleven ervan. Het probleem is dat de 'natuurlijkheid’ van gedragingen naar believen als kwaliteit of als minpunt kan worden gewaardeerd. Raciale minderheden worden met overgave gediscrimineerd, of ze nu een biologisch 'excuus’ hebben of niet. Homo sapiens vindt altijd wel een ideologisch verpakte stok om de deviante hond mee te slaan.
Zijn natuurlijkheid en onnatuurlijkheid bij de mens wel zo goed uit elkaar te houden? Er is al vaak beweerd dat de zogenaamde 'onnatuurlijkheid van de mens’ tot zijn meest natuurlijke talenten behoort; volgens Richard Dawkins bestaat er zelfs geen onnatuurlijk gedrag. Is balletdansen natuurlijk? Het componeren van een Finlandia? Ook voor mensen geldt dat de interactie tussen biologie en omgeving eindeloos complex is; 'natuurlijkheid’, schrijft Bagemihl ietwat gechargeerd, 'is meer een kwestie van interpretatie dan van feiten.’
DE WIJZE LES lijkt te luiden dat, of het homoseksuele gedrag nu door genen, cultuur of keuzes wordt bepaald (de biologen kiezen voor een combinatie), niets ons garandeert dat homoseksualiteit om die reden als 'geldig’ of 'legitiem’ zal worden aanvaard. Dean Hamer meende in 1993 een verband te hebben ontdekt tussen genen in het zogenaamde Xq28-gebied (de details laten we hier even rusten) en de seksuele voorkeuren van de drager, maar interessanter dan het waarheidsgehalte van de ontdekking (nog onbeslist) was de wrevel die de suggestie van een genetische bepaaldheid van homoseksueel gedrag bij sommige commentatoren opwekte. Opmerkelijk genoeg viel ongeveer dezelfde reactie te beluisteren wanneer door andere commentatoren de 'culturele’ positie werd betrokken; in alle gevallen bleef de oorzaken-kwestie kennelijk gevoelig als een open wond.
Er wringt iets in Bagemihls redenering. De lezer voelt aan dat Bagemihl een dwingende toon aanslaat, omdat hij iets wil bewijzen, al zegt hij het niet met zoveel woorden. Het gedrag van de dieren en de onpeilbare wijsheid van inheemse wereldbeelden moeten kennelijk de visie ondersteunen dat homoseksualiteit tout court natuurlijk en aanvaardbaar is. Het probleem is niet alleen dat de natuurlijkheid van een fenomeen geen garantie is voor de wenselijkheid ervan (doodgaan zonder keizersnede is buitengewoon natuurlijk), en dat het gedrag van dieren niet noodzakelijk iets bewijst over mensen (een ander onbeëindigd debat), maar dat culturele keuzes op zichzelf gerespecteerd zouden moeten worden. Zelfs wanneer homoseksualiteit bij mensen louter een kwestie van keuze zou zijn (en niemand kan momenteel met zekerheid vertellen hoe het met de natuur-cultuurverhoudingen op dit onderdeel gesteld is) viel er niets te verdedigen, zoals het normaliter ook niet als immoreel wordt ervaren wanneer een schilder abstract schildert en zijn hoogbegaafde achterneef twaalftoonsmuziek componeert - omdat ze ervoor gekozen hebben, of omdat iets hen daartoe drijft. Bagemihl zou niets moeten willen bewijzen, omdat zijn hele boek al één pleidooi is voor de exuberantie.
Bagemihls climax, aan het einde van boek één, stelt ietwat teleur. De centrale rol die hij de homoseksualiteit toekent doet geforceerd aan. Hij geeft toe dat de biologische exuberantie 'ergens’ tussen chaos, biodiversiteit en evolutie ligt, maar dat de precieze locatie 'strangely imprecise’ is; de lezer krijgt vooral de indruk dat Bagemihls argumentatie is zoekgeraakt in de Bermuda-driehoek tussen deze theorieën. Bagemihl lijkt uiteindelijk te kiezen voor 'the drunkenness of things being various’ (MacNeice), maar hij aarzelt; zelfs de verkwisting van Bataille past nog in een architectuur van de nuttigheid.
Bagemihl meent dat, bezien in het licht van de exuberantie, homoseksualiteit en transgender een 'intuïtieve betrekking’ hebben met 'een groter patroon’, maar het lijkt alsof hij er toch nog voor terugdeinst om de weelderigheid van de natuur te beschouwen als het resultaat van een proces dat uiteindelijk aan zichzelf genoeg heeft. Kiest Bagemihl nu voor een Hogere Nutteloosheid of niet? Is de natuur weelderig, vooral omdat zij weelderig is? Zelfs bij herhaalde lezing blijft het slot van zijn betoog strangely imprecise.
IEDERE HERFST vliegen de prachtige, roestbruin-met-zwarte monarchvlinders vanuit de Verenigde Staten en Canada in imponerende zwermen naar het Sierra Madre-gebergte in Mexico, waar ze op de berghellingen bij duizenden overwinteren; moeten we ons afvragen wat het hogere evolutionaire doel van hun aanwezigheid is? Bagemihls betoog over de biodiversiteit leidt niet in de eerste plaats naar een Gaia-achtige, 'romantische’ visie op het aardse leven als één enkel organisme; we kunnen de exuberantie van het leven opvatten als een viering van het schijnbaar niet-functionele, van een schoonheid die vooral bestaat omwille van zichzelf. Waarom zouden we de superieure verscheidenheid van de natuur niet ook mogen ervaren als een uitbundige manifestatie van het nutteloze? En is het nutteloze uiteindelijk niet het natuurlijkste wat er bestaat?