Het morele krediet van het joodse leed

HET ENE ONGELUK verbergt vaak een ander. De internationaal befaamde Nederlandse Stehgeiger André Rieu had zich onlangs voor twee miljoen een nep-Stradivarius in de maag laten splitsen. Het ding klonk goed en was oud, maar niettemin nep. Rieu wilde er dan ook van af. Samen met de veilingmeester bracht hij het verhaal in de wereld dat de viool had toebehoord aan een joodse familie en na 1945 door een vioolbouwer wederrechtelijk was doorverkocht. Rieu voelde zich daardoor bezwaard, te meer, zo zei hij, omdat zijn eigen vrouw joods was.

De opzet van de Nederlandse walskoning werd doorzien en door de internationale vereniging van vioolbouwers als schandalige laster afgedaan. Dat maakt het achterliggende mechanisme niet minder interessant. Rieu voelde goed aan dat op dit moment een beroep op het leed van joden geld waard is. Iedere dag brengt weer een nieuw bericht over restitutie van goederen die aan joden hadden toebehoord, over het al of niet uitbetalen van levensverzekeringen die joden hadden afgesloten, over joodse kunst, effecten en tegoeden. Terwijl nog niet zo lang geleden de jodenvervolging vooral geassocieerd werd met het gevaar van nieuw racisme en met het gedachteloze kwaad van de bureaucratie, wordt nu vooral het verband gelegd met roof en restitutie, met geld en materiële genoegdoening. Deze opvallende koppeling van het leed van de jodenvervolging met het herstel van eigendomsrechten en financiële compensatie is een internationaal verschijnsel. Zwitserse banken, Duitse bedrijven, Nederlandse verzekeraars, Amerikaanse advocaten, allemaal zijn ze betrokken bij de plotseling opgekomen zoektocht naar verdwenen tegoeden en nooit teruggegeven bezittingen van joden die door de Duitsers zijn vermoord. Overal worden ook onderzoekscommissies opgericht en conferenties georganiseerd. In Nederland zijn ondertussen vijf commissies aan het werk. De commissie-Kordes heeft haar eindrapport gepubliceerd over archieven, en over roerende en onroerende goederen; de commissie-Scholten, die onderzoek doet naar verzekeringen, hypotheken, effecten en andere eigendomsrechten, heeft net een tussenrapport uitgebracht. Naast nog allerlei kleinere onderzoeken over individuele zaken, bijvoorbeeld over levensverzekeringen en kunstcollecties, is er nog het omvangrijke onderzoek van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (Soto), gehuisvest in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod, tot 1 januari 1999 nog Riod genaamd). Dit onderzoek richt zich op de wijze waarop door de overheid en door maatschappelijke organisaties en in de dagelijkse omgang is gereageerd op mensen die terugkeerden uit gevangenschap of uit hun schuilplaatsten. De aandacht gaat daarbij uit naar joden, maar ook naar Indische gevangenen, dwangarbeiders, politieke gevangenen en zigeuners. De Soto hield op 7 december 1998 een eerste symposium waar alle betrokkenen konden inspreken. Al met al is het wonderlijk: zo veel onderzoeken in zo'n korte tijd, allemaal gericht op of voortkomend uit de materiële schade die joden tijdens hun vervolging hebben ondervonden. Waar komt dat vandaan? Wat levert dat op? OM MET DE EERSTE vraag te beginnen. Voor de journalisten, ook van dit weekblad, ligt er een vleiend antwoord klaar: de onderzoeken van Kordes en de Soto zijn afgedwongen na de vondst van een deel van het Liro-archief, en na het bericht dat de kleinoden die in het archief werden beschreven in 1968 ‘voor een prikkie’ onder medewerkers van het ministerie van Financiën waren geveild. De verwijzing naar journalistieke speurzin is echter ontoereikend om het moment, de omvang, en het financiële karakter van de huidige onderzoeken naar de jodenvervolging en haar nawerking te verklaren. Waarom worden allerlei financieel-juridische zaken, die vaak al dertig, veertig jaar geleden beklonken leken, opnieuw onderzocht? Op het hoogtepunt van de Liro-affaire werd soms de indruk gewekt alsof 'we het allemaal voor het eerst hoorden’. In de opwinding over nog meer schandaliger vondsten ging het weemoedige gezucht verloren van de wat oudere journalisten en van degenen die de nawerking van de jodenvervolging hebben bestudeerd. Zij hadden dit allemaal al een keer eerder gehoord, zo niet deze details, dan toch de algemene strekking van het verhaal. Men had in de jaren tachtig al bij Gerhard Durlacher kunnen lezen, en in de jaren vijftig bij Marga Minco, dat de behandeling van terugkerende joden op zijn zachtst gezegd nogal onhartelijk was geweest. Ook de vaak ingewikkelde en weinig publieke financiële kwesties traden soms aan het licht: in de vroege jaren vijftig, toen de Amsterdamse beurs in staking ging uit protest tegen het terugdraaien van transacties met de Liro, of in de late jaren zestig, met de strijd om de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV), die in 1973 van kracht werd. Of bijvoorbeeld in 1985, toen na een koehandel tussen vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap en Onno Ruding twee miljoen werd overgemaakt aan joodse instellingen. Die eerdere affaires lijken het nog merkwaardiger te maken dat de Liro-affaire tot grootschalig nieuw onderzoek leidde. Toch zit in die historische ontwikkeling juist de oplossing van dit raadsel. De strijd om publieke erkenning van het leed dat joden is aangedaan, is de laatste jaren uitgemond in een harde concurrentieslag met andere groepen van slachtoffers. Naast allerlei andere factoren, zoals de opening van archieven in het voormalige Oostblok en de geldlust van gehaaide Amerikaanse advocaten opgevoed met de mores van het casino-kapitalisme, is die concurrentieslag de belangrijkste verklaring voor de huidige aandacht voor het gebrekkige rechtsherstel van joodse overlevenden. NA HUN TERUGKEER uit de kampen of de onderduik hadden veel joden een ambivalente houding tegenover rechtsherstel en financiële compensatie. Aan de ene kant wilden zij een teken ontvangen dat zij weer welkom waren in de Nederlandse samenleving. Teruggave van bezittingen, vooral persoonlijke goederen, was daarvan een belangrijk aspect. Aan de andere kant bestond er een sterke weerzin tegen financiële compensatie van hun leed. De terechte gedachte dat er niets viel goed te maken aan zo veel slechtheid leidde tot weerzin om aanspraak te maken op Duitse Wiedergutmachung of Nederlands rechtsherstel. Ook lijkt de neiging te hebben bestaan om claims op de ontvreemde goederen te laten verlopen. De weduwe Goudstikker was zeker niet de enige die na een procedure van jaren akkoord ging met een schikking waarvan achteraf de rechtvaardigheid betwijfeld kan worden. Ondanks deze ambivalentie nam aan het eind van de jaren zestig de druk vanuit de joodse gemeenschap op de overheid toe om een financiële genoegdoening voor hun leed ter beschikking te stellen. Waarom dat toen gebeurde, laat ik nu even terzijde. Belangrijk in dit verband is dat de Nederlandse overheid (overigens iedere overheid) naast vrome woorden over weinig andere dan financiële middelen beschikt om de roep tot erkenning van bijzondere noden te beantwoorden. Het was voor iedereen duidelijk dat het geld dat in 1973 met de WUV ter beschikking kwam in zekere zin de inlossing van een ereschuld was. De grondslag van die schuld lag niet in de verdiensten voor de samenleving, zoals bij de pensioenen voor het voormalig verzet, maar in het psychische leed dat de vervolging had veroorzaakt. Zoals het altijd gaat met overheidsbeleid had ook de WUV onvoorziene gevolgen. Zodra de wet was afgekondigd meldden zich andere groepen, die ook hadden geleden onder vervolging: de kinderen van vervolgde joden; Indische slachtoffers; kinderen van NSB'ers; en de laatste jaren bijvoorbeeld ook de omvangrijke groep die in de Arbeitseinsatz had gewerkt. Liever nog dan een WUV-uitkering wilden deze groepen een eigen regeling, waaruit een erkenning sprak van de ereschuld van de overheid tegenover deze specifieke categorie slachtoffers. Dus ontstond er naast de WUV de WIV (voor het Indische verzet) en de Wubo (voor burger-oorlogsslachtoffers). Deze uitbreidingen vonden plaats in de jaren tachtig, terwijl de overheid elders al hard aan het bezuinigen was. Aan het eind van de jaren tachtig werd ook gemorreld aan deze zwaarbevochten rechten en in de loop van de jaren negentig werd de mogelijkheid om aanspraak te maken op een WUV-uitkering beknot. Ook in andere opzichten was de standing van het joodse slachtoffer enigszins aan slijtage onderhevig. In dezelfde periode barstten de affaires rond Fassbinder en Theo van Gogh los, en was steeds vaker te horen dat joden uit waren op een monopolisering van het leed. Het morele krediet dat joden in het begin van de jaren zeventig vergaard leken te hebben met een verwijzing naar het psychische leed dat de vervolging had veroorzaakt, bleek aan het begin van de jaren negentig op te raken. Er was een heilloze wisselwerking ontstaan tussen wat Evelien Gans in de titel van haar beschouwing hierover heeft genoemd: Gojse nijd en joods narcisme (Amsterdam 1994). Met de onafzienbare reeks kampdocumentaires en de niet te stelpen stroom herinneringen en dagboeken over individuele ontrechting en lijfsbehoud leek een grens te zijn overschreden. Het leed van de vervolging maakte nauwelijks meer indruk, zoals ook bleek toen de antropologe Giselinde Kuipers schoolkinderen vroeg welke moppen over joden ze kenden, en uitsluitend grappen over gaskamers te horen kreeg. Het verminderde aanzien van het leed van de jodenvervolging is een internationaal verschijnsel. De aard en achtergrond van die ontwikkeling verschilt per land, maar overal staat de erkenning van het leed van joden ter discussie. Zoals Norbert Frei in Vergangenheitspolitik (München 1996) betoogt, was er in de Bondsrepubliek al vanaf 1949 discussie over de poging van de overheid om haar breuk met het nazi-verleden te onderstrepen door een officieel filosemitisme en een voortdurend vertoon van Betroffenheit. Martin Walsers pleidooi van oktober vorig jaar tegen deze 'monumentalisering van de schande’ was dan ook niet erg origineel. Wel nieuw was de vrij algemene veroordeling van Ignatz Bubis, de voorzitter van Centrale raad van Joden in Duitsland, die Walser van 'geestelijke brandstichting’ en 'latent antisemitisme’ beschuldigde. Twintig jaar geleden had Bubis daarmee waarschijnlijk het laatste woord gesproken; nu moest hij het na enig aandringen weer inslikken. Ook elders wordt joden het recht betwist om het grootste leed voor zichzelf op te eisen. Zo is in de Verenigde Staten al enige tijd een hard gevecht gaande tussen joodse en zwarte intellectuelen om de titel van het ernstigste slachtoffer. De 'holocaust’ is geen uniek bezit van de joden; de slavernij was er net zo goed een. In Frankrijk wordt joden het alleenrecht op het leed betwist door de leden van het voormalige verzet. Met een treffende titel noemt Jean-Michel Chaumont dit La concurrence des victimes (Parijs 1997); het is een strijd om het schaarse goed van publieke erkenning, om uitkeringen, subsidies, kolommen in de krant, minuten op televisie. Die strijd wordt op dit moment op verschillende plaatsen gevoerd, en heeft veelal dezelfde uitkomst: onderzoek naar het rechtsherstel na de capitulatie van de Duitsers. Na de 'leedvergelijking’ (de term is van Judith Herzberg) met betrekking tot de oorlogsjaren is er nu een miskenningscompetitie over de naoorlogse periode losgebrand. En, triest als het is: voor die strijd is er ammunitie in overvloed. Zoals Dienke Hondius in de nieuwe editie van haar studie Terugkeer (Den Haag 1998) laat zien, moesten joodse overlevenden in 1945 tot hun ontzetting constateren dat, anders dan voor andere Nederlanders, de tijd na mei 1945 geen breuk met de periode daarvoor was, maar in het verlengde van de vervolging lag. Joden werden zowel voor, tijdens als na de oorlog op een afstand gehouden en teruggeworpen op hun eigen lot, zelfs door degenen die meenden het beste met joden voor te hebben. Joden waren individueel en collectief te zwak om zich te verweren. Na de oorlog misten zij de kracht en de steun om de restitutie van hun bezittingen op te eisen waar zij wettelijk wel recht op hadden. Huizen, kleren, spullen waren door anderen ingepikt. Steeds moesten bewijzen worden overlegd dat men het gestolene echt in bezit had gehad, dat men echt in een kamp had gezeten, dat vanuit de onderduik echt geen verzekeringspremie kon worden betaald. Kortom: genoeg leed om nog een keer de aandacht voor te vragen. TOCH IS HET maar de vraag of de huidige onderzoeken naar het moeizame rechtsherstel het morele krediet van het joodse leed zullen opvijzelen. Persoonlijk zullen maar weinigen er financieel iets wijzer van worden. De commissie-Kordes heeft de Nederlandse staat gemaand een bedrag van 48,4 miljoen gulden aan ten onrechte geïnde gelden aan de joodse gemeenschap over te maken. Een mooi bedrag, maar geen individueel rechtsherstel. Ernstiger is dat het onderzoek naar het rechtsherstel voor een deel het onrecht van destijds herhaalt, adding insult to injury. Zowel in de rapporten van Kordes en Scholten als in het onderzoek van Niod-medewerker Gerard Aalders wordt gesteld dat het proces van rechtsherstel weliswaar traag en formalistisch was, maar juridisch allemaal wel in de haak. Zo stelde Aalders 'dat het rechtsherstel van de Nederlandse joden, uitgaande van de bij wet vastgestelde doelstelling, niet heeft gefaald’ (NRC Handelsblad, 5 november 1998). De tussenwerping is essentieel: net als Scholten en Kordes aanvaardt Aalders het wettelijk kader dat in Londen tussen 1940 en 1944 werd voorbereid. Zo stelt de commissie-Scholten dat de herstelwetgeving weliswaar 'weeffouten’ bevatte, maar verder 'alleszins tegemoet [kwam] aan de eisen die daaraan overeenkomstig de Nederlandse rechtsopvatting gesteld mogen worden’ (p. 25). Dat is een merkwaardige opmerking in een rapport dat elders talloze voorbeelden geeft van nogal fatale 'weeffouten’, die ook destijds al door rechtsgeleerden werden opgemerkt: om te beginnen al het hele verschijnsel van aparte wetgeving, naast het gangbare recht; dan de inperking van beroepsprocedures en de enorme discretie van de Raad voor Rechtsherstel; de vage criteria van 'redelijkheid’ en 'billijkheid’, op basis waarvan het de Raad vrijstond om door de Duitser gecreëerde rechtsverhoudingen al of niet te wijzigen; de inperking van het recht van terugvordering, ten gunste van 'derden’ die 'te goeder trouw’ in bezit van eigendommen van joden waren gekomen. Een van de pijnlijkste 'weeffouten’ is nog wel de bepaling van de sterfdatum en de daaruit voortvloeiende successierechten. Wanneer een hele familie vermoord was, maar op verschillende datums, werden voor iedere vererving opnieuw successierechten berekend, zodat de daadwerkelijke, dat wil zeggen nog levende erfgenaam een fractie van de oorspronkelijke erfenis overhield. Dat het ook anders kon, bewees men in Duitsland, waar voor deze gevallen de fictieve sterfdatum van 8 mei 1945 werd aangehouden. Een voorstel in deze zin van het communistische kamerlid Benno Stokvis werd destijds afgewezen omdat het inging tegen de regels van het bestaande erfrecht. Deze afwijzing van de regering sloot aan bij de centrale gedachte achter de herstelwetgeving dat er een evenwicht moest zijn tussen het 'algemene’ belang van het herstel van het rechtsverkeer en de 'bijzondere belangen van in het geding zijnde belanghebbende partijen’. Het is opvallend, om niet te zeggen schokkend, dat de commissie-Scholten klakkeloos meegaat in deze redenering. Zij gaat er daarmee aan voorbij dat hiermee in de herstelwetgeving een voorkeur voor de op 4 mei 1945 bestaande rechtsverhoudingen werd ingebouwd, aangezien het herstel van rechtsverkeer een al te ingrijpende herziening van rechtsverhoudingen uitsloot. Weliswaar erkent de commissie-Scholten dat rechtsherstel vaak een kwestie was van langdurige onderhandelingen en van politieke en maatschappelijke pressie. Maar volgens haar ging het daarin om de afweging van het algemeen belang van het herstelde rechtsverkeer tegenover de bijzondere belangen van oude en nieuwe eigenaren. In feite betrof het echter een afweging tussen bijzondere belangen, waarbij degenen die profijt hadden bij de Duitse rechtsverhoudingen zich konden verschuilen achter het algemeen belang van het herstel van het rechtsverkeer. Joden die hun spullen kwamen opeisen, hadden het nakijken. Zij hadden immers slechts 'bijzondere’ belangen; alsof het herstel van het vertrouwen in het recht bij degenen die door de Duitser op grond van wettelijke bepalingen beroofd waren niet van even groot, algemeen belang was. De rapporten van Kordes en Scholten bevestigen kortom het legalistische idee dat het rechtsherstel conform de regels is uitgevoerd en daarom niet gefaald heeft. Zij ontkennen geenszins dat mensen zich door de traagheid en complexiteit van de procedures geschaad hebben gevoeld, en beide commissies hebben veel warme woorden voor de rancuneuze reclamanten. Maar zij hebben hun slechts sympathie en compensatie van hun leed te bieden, geen recht. De verzekering in het Scholten-rapport dat nu nog te restitueren vermogens nooit meer dan enkele centen zullen bedragen, gaat dan ook geheel aan de kern van de zaak voorbij. Het ging nooit om het geld vanwege het geld; de gestolen waardepapieren stonden voor iets anders dan financieel kapitaal. Zij vertegenwoordigden een moreel krediet dat de slachtoffers van de vervolging wel of niet konden krijgen. En zij kregen het niet; toen niet en nu weer niet. HET ZOU VERKEERD ZIJN om nu te concluderen dat de slachtoffers van de jodenvervolging met hun roep om rechtsherstel in hun eigen zwaard zijn gevallen. Het feit dat joodse organisaties op dit moment op restitutie aandringen, heeft niets te maken met een behoefte vijftig jaar na dato nog het onderste uit de kan te halen. Het heeft daarentegen alles te maken met het afnemend krediet van het leed en met het feit dat maatschappelijke erkenning vrijwel altijd de vorm heeft aangenomen van financiële compensatie. Het heeft daarbij grotendeels ontbroken aan een politieke verantwoording door de Nederlandse overheid van het beleid ten aanzien van de joodse minderheid voor, tijdens en na de oorlog. In de parlementaire enquête naar het optreden van de regering in ballingschap was dit onderdeel van het beleid aanvankelijk weggelaten, terwijl dat van het openbaar bestuur in Nederland zelfs nooit voorwerp van onderzoek was. De Jong schreef veel over de jodenvervolging, maar de harde conclusies die hij hier en daar trok, zijn door zijn opdrachtgevers voor kennisgeving aangenomen. De Weinreb-affaire, die in potentie een debat over de Nederlandse samenleving en de joden had kunnen worden, verzandde in een debat over de vraag of Weinreb beter of slechter was dan de leiding van de Joodsche Raad. De slachtoffers van de vervolging moeten het doen met de halfzachte verontschuldiging van Beatrix in Israel in 1995 dat joodse burgers niet altijd van de steun van hun landgenoten verzekerd waren. Hopelijk komen we met de nieuwe onderzoeken een stap verder. Dat kan alleen als ze niet voor kennisgeving aangenomen worden. Zij moeten kritisch worden besproken: publiekelijk onderschreven in hun steekhoudende oordelen, maar veroordeeld waar zij zich verschuilen achter een rechtsstaat die zij juist zelf dienen te onderzoeken.