Etnisch ondernemerschap

Het multiculturele succes

Steeds vaker slagen niet-westerse migranten in Nederland erin om door middel van een eigen bedrijf economisch zelfstandig te worden. Waarom grijpt links dit succesverhaal niet aan om de PVV de mond te snoeren?

HET NEDERLANDSE integratiedebat is steeds grimmiger geworden. Na decennia van ‘minzame verwaarlozing’ en na jaren waarin vol werd ingezet op 'werk, werk, werk’ staat de discussie nu al weer zo'n tien jaar in het teken van een onvruchtbare welles-nietes over de onverenigbaarheid van islamitische waarden met 'onze’ cultuur. Wild en heftig wordt er gediscussieerd over boerka’s, eerwraak, dubbele paspoorten en de oververtegenwoordiging van Marokkanen in de criminaliteitsstatistieken. En de stilzwijgende aanname - gedeeld van links tot rechts - is dat deze dingen alles met elkaar te maken hebben: Marokkaanse rotjochies willen niet deugen omdat de islam niet deugt.
Deze kreupele stelling dwingt links om de rechtse agenda van afgedwongen assimilatie en migratiestop over te nemen. Verrassenderwijs voltrekt zich onder deze culturalistische oppervlakte echter een heus economisch integratiewonder dat deze opwinding tot een symbolisch achterhoedegevecht reduceert en links een schitterende repliek aanreikt tegen de agressieve antimigratieretoriek van de PVV. Ondanks het multiculturele drama boeken niet-westerse migranten namelijk opmerkelijk kapitalistisch succes met eigen ondernemingen. Ze zijn steeds vaker als ondernemer actief, zijn als ondernemer steeds succesvoller en weten steeds beter de weg te vinden naar meer winstgevende sectoren. Oftewel, in Nederland is zelfstandig ondernemerschap voor niet-westerse migranten steeds vaker een traject naar economische zelfstandigheid geworden. Waarom grijpt links dit niet met beide handen aan om de eigen spraaknood te lenigen en de PVV de mond te snoeren?
Een deel van het antwoord ligt in het grijze verleden. Begin jaren negentig domineerde terecht het beeld van de sappelende Marokkaanse slager, de armoedige Egyptische snackbarhouder en het sjoemelende Turkse naaiatelier. Dat gaf niets, want destijds werd de sociale bijdrage toch het belangrijkst gevonden. Etnisch ondernemerschap vergrootte het zelfrespect van de migrant en verhoogde de leefbaarheid van de wijk. Dit was het tijdvak van de wildgroei aan pogingen om op gemeentelijk niveau de kansen voor etnische starters te vergroten. Vaak door te variëren op het thema van uit de Verenigde Staten overgewaaide 'kansenzones’ die waren getooid met namen die zo afkomstig leken uit de niet-westerse antropologie: pasar malams, soeks, bazaars en kashba’s.
De Amsterdamse Y-markt was een keerpunt. In eerste instantie beschouwde de gemeente het als een sociaal project. De deelnemers zagen zichzelf echter als 'echte’ ondernemers en wensten ook zo te worden behandeld. In de loop van de tijd verschoof bij beide partijen de doelstelling. Opgejuind door 'witte’ Amsterdamse marktkooplui die de Y-markt als een embleem van voorkeursbeleid zagen, ging de gemeente het project steeds meer als marktverstorend beschouwen. Ondertussen beklaagden deelnemers zich over gebrek aan ondersteuning en verweten de gemeente de oren te laten hangen naar de gevestigde marktkooplui. In 1995 sloot de Y-markt de deuren. En ook al is geen van de exotische markten zo'n flop geworden als de Y-markt, ook werd geen ervan het succes dat lokale bestuurders ervan verwachtten.
Het etnisch ondernemerschap bereikte in die jaren ook het Haagse. Het paarse regeerakkoord van mei 1994 bevatte een eerste verwijzing naar 'migrantenondernemerschap’. De beantwoording van de vragen hoe, wat, waar, wanneer werd klassiek Haags gedelegeerd aan de Sociaal-Economische Raad. Die presenteerde in 1998 een advies 'inzake etnisch ondernemerschap’ dat haarfijn de tijdgeest aanvoelde en een uitvoerige discussie bevatte met voorstanders van 'kansenzones’ als Arie van der Zwan, Han Entzinger en Elco Brinkman. Het advies wijst aan de hand van buitenlandse ervaringen op de gevaren en beveelt aan om het ondernemersklimaat in den brede te versterken. Exit kansenzone.

HET GROEIENDE ongemak met doelgroepenbeleid had twee achtergronden. Ten eerste bracht het heftige verzet tegen de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsparticipatie Allochtonen (WBEAA), die etnische registratie verplicht stelde, een brede afkeer van voorkeursbeleid aan het licht. Maar belangrijker was de hoogconjunctuur die Paars inluidde. Toen de economie in de tweede helft van de jaren negentig met drie tot vier procent per jaar groeide en de vrees voor hoge structurele werkloosheid plaatsmaakte voor zorgen over arbeidstekorten trok de politieke elite daaruit de conclusie dat de overheid zich moest beperken tot de achtergrondcondities voor economische dynamiek. Met voldoende 'trek in de schoorsteen’ zou de achterstand van migranten vanzelf verdwijnen.
Het hervormingsprogramma Marktwerking, Deregulering, Wetskwaliteit van de D66'er Hans Wijers was daar het product van. Via 36 dereguleringsprojecten - variërend van ruimere winkelsluitingstijden, de creatie van een markt voor kinderopvang, het openbreken van de taximarkt en het afschaffen van de vestigingsvergunning - resulteerde dat in meer markten, diepere markten, markten met lagere drempels en dus in meer kansen voor nieuwe en gevestigde ondernemers. Het resultaat mocht er zijn. Bedroeg de werkloosheid in 1994 bij het aantreden van Paars I nog 7,5 procent, in 2001 was dat gedaald tot 3,5 procent, de laagste van Europa. En daarvan hebben niet-westerse migranten buitenproportioneel geprofiteerd. Hun werkloosheid daalde van 25 procent in 1990 naar acht in 2001. Geen wonder dat er voor doelgroepenbeleid minder draagvlak was: het was simpelweg niet meer nodig.
En toen boorden Vlucht 11 en Vlucht 175 zich in de torens van het WTC en werd alles anders. Toen enkele dagen later al-Qeada als dader in het vizier kwam, was de 'clash of civilizations’ van Samuel Huntington een feit. Hoewel al eerder leden van de Nederlandse elite zich waarschuwend over de islam hadden uitgelaten, kreeg dat nimmer brede electorale weerklank. Terwijl culturele kwesties als eerwraak, vrouwenbesnijdenis en hoofddoekjes voorheen alleen specialisten in vervoering kon brengen, werd na 9/11 de islamitische achtergrond van niet-westerse migranten plotseling voor velen een prangende kwestie. Pim Fortuyn sloeg met zijn aanval op de 'achterlijke islam’ als eerste een bruggenhoofd onder een electoraat dat zo de eigen ervaringen van vernedering, rancune en gekrenktheid meende te kunnen duiden.
Zo begon een wonderlijk decennium in de Nederlandse politieke geschiedenis, waarin een voormalig marxistisch academicus Paars kon verwijten 'puinhopen’ te hebben achtergelaten terwijl de groei nog nooit zo hoog was geweest en de werkloosheid nog nooit zo laag, om op 6 mei 2002, negen dagen voor de Kamerverkiezingen, te worden vermoord door een minder toerekeningsvatbare dierenactivist.
En dat was nog maar het begin. Een rijk getalenteerde migrante van Somalische afkomst wist het via het wetenschappelijk instituut van de PVDA tot VVD-Kamerlid te schoppen, zorgde er met slimme interventies voor dat het thema van de 'achterlijke islam’ niet meer van de agenda verdween, en maakte met cineast en publicist Theo van Gogh een filmisch j'accuse aan het adres van de islam, hetgeen de laatste tweeënhalf jaar na de moord op Fortuyn moest bekopen met zijn leven en de eerste met haar vrijheid en vervolgens met een vlucht uit een Nederland dat haar te klein was geworden.
Ondertussen stond de VVD op barsten door een populaire minister van Vreemdelingenzaken en Integratie die het partijleiderschap betwistte en de verkiezingen van 2006 gebruikte om een greep naar de macht te doen. Ze overspeelde haar hand, werd op 14 september 2007 uit de fractie gezet en richtte een eigen partij op die in de peilingen 22 zetels haalde, maar bij de verkiezingen van 2010 werd weggevaagd.
Tezelfdertijd baarde diezelfde VVD haar eigen nemesis in de vorm van een gewaardeerd Limburgs Kamerlid, dat vanwege de kwestie van het EU-lidmaatschap van Turkije brak met zijn partij. Vanaf september 2004 gaat de geachte afgevaardigde als onafhankelijk Kamerlid verder en wijst hij in steeds scherpere bewoordingen op het gevaar van islamfundamentalisme. Onder het banier van de PVV neemt hij eind 2006 deel aan de Kamerverkiezingen en behaalt negen zetels. Vier jaar later bezet de PVV van Geert Wilders er 24 en the rest is history.

TERWIJL HET integratiedebat zo zoetjesaan zijn kookpunt bereikt, voltrekt zich onder niet-westerse migranten een wonder. Na de verburgerlijking van de katholiek en de arbeider begin vorige eeuw, van de Molukker en de Surinamer in de jaren tachtig en negentig, zijn wij nu getuige van het embourgeoisement van de kinderen en kleinkinderen van de herder uit het Rifgebergte en de boer uit Anatolië.
Daarin speelt zelfstandig ondernemerschap een sleutelrol. Ook al lijkt heel Nederland nu in de ban van ondernemerschap, migranten hebben het afgelopen decennium buitenproportioneel geprofiteerd van de neoliberale erfenis van Wijers. Met name het aantal Turkse ondernemers is sinds de jaren negentig stormachtig gegroeid. 12,4 procent van de werkzame Turken is zelfstandig ondernemer. Dat is meer dan bij autochtonen. De andere etnische minderheden blijven daar wel bij achter, maar vertonen een soortgelijk groeitempo.
Belangrijker zijn de kwalitatieve verbeteringen. Wat de sectorale spreiding betreft lijkt het etnisch ondernemerschap steeds meer op het ondernemerschap van autochtonen. Ondanks een getalsmatige oververtegenwoordiging in horeca en middenstand vertoont het etnisch ondernemerschap namelijk een bovengemiddelde groei in de zakelijke dienstverlening. Dit wordt nog geprononceerder als je de eerste en de tweede generatie met elkaar vergelijkt. Was overrepresentatie in de horeca het onderscheidende kenmerk van de eerste generatie, de tweede kiest net als autochtone ondernemers in meerderheid voor de zakelijke dienstverlening.
Van multicultureel drama naar kapitalistisch succes dus. Tegen de verlokkingen van de kapitalistische consumptiecultuur - van Uggs tot iPods, BMW’s en eigen huizen - blijken zelfs de religieuze passies van de islam niet bestand. En dat is altijd de kracht van het kapitalisme geweest: traditionele, benauwende culturen vergruizen onder zijn constante, bevrijdende consumptiebombardement. Wie kan kopen, blaast zichzelf niet op, dat idee. Wat meer markt dus en wat minder cultuur en het integratievraagstuk lost op als sneeuw voor de zon. Is dat misschien de reden waarom links zo veel moeite heeft om de agressieve antimigratieretoriek van de PVV te bestrijden? Een lofzang op het kapitalistische succes van de migrant impliceert immers een terugkeer naar de neoliberale agenda van Paars. En dat is in het huidige tijdsgewricht een giftige erfenis geworden.