Essay: het museum is geen efteling

Het museum is geen efteling

Kunst is (weer) een beschavingsmiddel. Het aloude verheffingsideaal – door kennis te nemen van hoge kunst kan «het volk» verlicht worden – ligt sinds de jaren zestig bij het schroot. Maar Xandra Schutte signaleert een kentering: de laatste tijd staan steeds meer intellectuelen, critici en schrijvers op die hun verantwoordelijkheid als lid van de elite op zich willen nemen en weer duidelijk maken dat kunst en culturele bagage ertoe doen.

Joseph Keating was een Engelse mijnwerker aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Overdag deed hij het zwaarste, smerigste en slechtst betaalde werk dat je je kunt voorstellen: het naar buiten scheppen van tonnen afval uit de mijn. ’s Nachts bestudeerde hij Griekse filosofie. Op een dag hoorde hij een collega-mijnwerker zuchten: «Heaven from all creatures hides the book of fate.» «Je citeert Pope!» riep Keating verbaasd uit. «Ja», zei zijn collega, «Pope en ik zijn het erg met elkaar eens.» Keating had zelf Pope gelezen, en Fielding en Smollett en Richardson, klassieke Engelse literatuur die was uitgegeven in smoezelig gedrukte paperbacks. Later had hij voor achttien shilling een viool gekocht, lessen genomen, en een kwartet gevormd dat kamermuziek speelde van Mozart, Beethoven en Schubert. Een tijdverdrijf dat niet ongewoon was voor mijnwerkers, in die tijd. Zoals hij zelf zei: «Alles lezen wat los en vast zit – filosofie, geschiedenis, politiek, poëzie en romans – ging samen met mijn muziek en andere vormen van vermaak. Ik was ongewoon levendig in die tijd. Alles interesseerde me. (…) Nieuwe, raadselachtige emoties en hartstochten leken als kleine vlammen uit alle delen van mijn lichaam te slaan.»

Margaret Powell, een huismeid die in 1907 geboren werd, las Charles Dickens en Joseph Conrad. Ze werkte voor een aristocratische dame in Chelsea die, hoe vrijdenkend en liberaal ze ook in veel opzichten was, diep in verlegenheid werd gebracht toen haar bediende vroeg of ze een boek mocht lenen uit de huisbibliotheek. «Ja, natuurlijk, zeker, dat mag je, Margaret – maar ik wist niet dat je las», antwoordde ze. «Ze wisten», zou de meid later vertellen, «dat je ademde en sliep en dat je werkte, maar ze wisten niet dat je las. Dat was iets wat boven hun bevattingsvermogen ging. Ze dachten dat je in je vrije tijd op een stoel zat en in de ruimte staarde… Je kon ze bijna verslag horen doen aan hun vrienden: ‹Margaret is een goede kokkin, maar helaas leest ze. Boeken, weet je.›»

John Keating en Margaret Powell worden opgevoerd door Jonathan Rose in zijn mooie artikel The Classics in the Slums, gepubliceerd in het conservatieve Amerikaanse blad City Journal. In zijn stuk haalt hij een hele reeks voorbeelden aan van mijnwerkers, huisbedienden, kuipers, wevers en ander werkvolk die – ondanks hun gebrekkige opleiding, de simpele arbeid die ze verrichtten en hun armoede – klassieke literatuur lazen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was het niet ongebruikelijk dat arbeiders zich verwoed op Shakespeare, Homerus, Swift, Keats, Shelley en Kipling wierpen. De omstandigheden dwongen hen daar enigszins toe: nieuwe boeken van levende schrijvers waren onbetaalbaar, zodat ze hun toevlucht moesten zoeken tot bibliotheken, goedkope herdrukken en tweedehands-boekenstalletjes. Bovendien – dat laat Rose onvermeld – was er veel minder concurrentie van andere bronnen van vermaak: we hebben het over een tijdperk waar je je nu nauwelijks meer een voorstelling van kunt maken, het pre-televisietijdperk.

Maar tegelijk laat Rose zien dat het lezen van de klassieken voor de negentiende-eeuwse en vroeg-twintigste-eeuwse arbeiders meer was dan zomaar amusement. De Engelse mijnwerkers stichtten bijvoorbeeld speciale bibliotheken, en staken een deel van hun povere inkomen in de aanschaf van boeken daarvoor. Ze volgden cursussen op universitair niveau bij de in 1903 opgerichte WEA, de Workers’ Educational Association. Cursussen die geen titel of diploma opleverden, maar wel bijdroegen aan het ontstaan van een working class intelligentsia. Het kwam ze, kortom, niet aanwaaien, ze namen een voorbeeld aan de hogere klassen, ze deden zelf moeite om geletterd, ontwikkeld te raken.

Waarom deze voorbeelden uit een verstoft verleden aangehaald? Jonathan Rose begint The Classics in the Slums met een polemische aanval op Barbara Herrstein Smith, presidente van de Modern Language Association, die in 1988 met al haar gewicht stelde dat klassieke literatuur irrelevant was voor de niet-geprivilegieerden. Ze bracht het als iets dat zo zonneklaar was dat het geen bewijs meer nodig had: «Homeros, Dante en Shakespeare hebben geen betekenis in de economie van deze mensen, hebben geen individuele of sociale functie die hun belangstelling bevredigt, hebben geen waarde voor hen.» De geschiedenis leert wel beter. De klassieke literatuur en cultuur maakten het «het volk», of om met de presidente te spreken: «deze mensen», juist mogelijk om denkende individuen te worden. Kunst met een grote K had een emanciperende werking op hen. Lange tijd was dat een vanzelfsprekendheid: kunst en cultuur waren een beschavingsmiddel. En de maatschappelijke elite droeg vanzelf uit dat kunst onmisbaar was en kennis van de klassieken onontbeerlijk. Dat was niet alleen essentieel als het ging om de identiteit van de natie – voor de Gouden Eeuw waren Rembrandt, Vermeer, Jan Steen en Frans Hals minstens even bepalend als de Vrede van Munster – maar ook voor het ontwikkelingspeil van haar burgers. Kunst hielp burgers emanciperen, hielp mensen om mens te worden. Vandaar dat het verheffingsideaal, de overtuiging dat «het volk» verlicht kon worden door kennis te nemen van hoge kunst, aan het einde van de negentiende en in een groot deel van de twintigste eeuw door de, met name de sociaal-democratische, politiek omhelsd werd. Kunst moest vanwege die mogelijkheid tot verheffing toegankelijk zijn voor iedereen; kunst moest daarom worden ondersteund met overheidssubsidie.

Emancipatiefunctie, beschavingsmiddel, verheffingsideaal – het zijn begrippen die inmiddels op de rommelzolder liggen. We zijn allemaal een beetje Barbara Herrstein Smith geworden en denken net als zij dat eenvoudige mensen geen baat hebben bij ingewikkelde kunst. Dat heeft een verwoestende werking gehad op het onderwijs in kunst en cultuur, op de media en dan vooral op de televisie, op het kunstbeleid. Want waarom zou een samenleving kunst nog belangrijk vinden als zelfs de culturele elite dat niet meer doet? Waarom zou de overheid nog voor kunst moeten betalen als de voornaamste legitimatie daarvoor is weggevallen? Als kunst niet verheft, niet beschaaft, niet ontwikkelt, maar, net als naar een wedstrijd van Ajax gaan of een bezoekje brengen aan de dierentuin, tijdverdrijf is, louter amusement? Voor Stef Blok en Jan Rijpstra, Tweede-Kamerleden van de VVD, was die vooronderstelling, dat kunst niet meer is dan een vorm van vrijetijdsbesteding, in ieder geval de premisse van een opiniestuk in de Volkskrant. Zij komen erop uit dat kunst niet door de overheid bedropen hoeft te worden. Zeker niet omdat van kunst voornamelijk wordt genoten door de maatschappelijke bovenklasse, vette portemonnee op zak.

Ze staan niet alleen. Als populistische politici het debat domineren is de kunstsubsidie een makkelijke zondebok.

Waar is het misgegaan? Wanneer is de gedachte dat kunst mensen kon verheffen bij het schroot komen te liggen? Wanneer heeft de elite het bijltje erbij neergegooid? Het antwoord is weinig verrassend, want zoals bij zo veel maatschappelijke misstanden kan ook hier de geest van 1968 worden aangeklaagd. Van een eigenaardig en ouderwets landje ontwikkelde Nederland zich gedurende de jaren zestig tot de meest antitraditionele natie van het Westen. De Nederlandse fine fleur was altijd al geneigd tot het sluiten van compromissen, tot pacificeren en delibereren – het poldermodel bestaat al eeuwen. Bovendien hebben we historisch nauwelijks een «nationale» cultuur gekend: in de tijden van de verzuiling, toen de Nederlandse natie werkelijk gestalte kreeg, had elke zuil zijn eigen leiders, altijd bereid tot overleg met die van een andere zuil, altijd geneigd tot consensus. Dat ging van pappen en nathouden, van water bij de wijn – en het werkte, zolang de onderhandelingspartijen elkaar kenden en aan elkaar gewaagd waren. Maar toen de zuilen instortten, ging het snel: nergens gingen politici en gezags dragers zo snel door de knieën voor de revolutionairen als hier; in geen enkel ander westers land vertoonden ze zo weinig moed.

Tijdens de revolutie van de jaren zestig zette de Nederlandse bloem der natie zich niet in om de status-quo te verdedigen. Integendeel, uit angst om de moderne ontwikkelingen te missen en het verwijt om de oren geslingerd te krijgen dat ze geen oog hadden voor de onvermijdelijkheid van veranderingen werden juist de gezagsdragers de grootste aanhangers van het modewoord «vernieuwing». «Regent» en «regentenmentaliteit» waren revolutionaire scheldwoorden die het hardst aankwamen bij de regenten zélf, die zich van de weeromstuit haastten om antiburgerlijk te zijn, vrijdenkende wereldburgers.

Wat voor de politieke en bestuurlijke elite gold, ging even sterk op voor de culturele. K.L. Poll publiceerde al in 1972 de essaybundel De beklemde elite, waarin hij beschrijft wat er gebeurt als de culturele voorhoede vooral de eigen legitimiteit ter discussie stelt. Somber ziet hij het volgende voor zich: «Als de noodzakelijke twijfel leidt tot onverschilligheid en ‹selbstverneinung› krijgen we het treurige beeld van telkens nieuwe generaties kunstenaars en intellectuelen, die de energie en het zelfvertrouwen missen om hun werk als elite te doen. (…) Kunst maken en onderwijs geven beschouwen zij als pretentieuze zelfverheffing, als poging anderen hun wil op te leggen. Zij gebruiken elite-woorden – zoals ‹elite› zelf – om iedere elite-pretentie in de kiem te smoren.»

Wat Poll voorzag is uitgekomen. In de dertig jaar na de publicatie van zijn boek zijn er telkens nieuwe generaties kunstenaars en intellectuelen opgestaan die één ding niet lijken te willen: het voorbeeld stellen, hun verantwoordelijkheid als lid van de elite op zich nemen. Ze vinden het verheffingsideaal paternalistisch, betuttelend – wie zijn zij dat ze kunnen zeggen wat echte kunst is? Maar het feit dat zij faalt, wil niet zeggen dat er geen elite ís. De Nederlandse elite is in ieder geval, sinds de revolutie van de jaren zestig, een zelfontkennende. Ze relativeert zichzelf, aarzelt en stelt de maat niet meer. Sterker nog, het is een elite geworden die zichzelf vaak trots als anti-elitair bestempelt. Daardoor creëert ze een klimaat van lage verwachtingen, en pleegt verraad.

Maar het gaat verder dan de revolutie van de jaren zestig. Die heeft in Nederland misschien harder toegeslagen dan elders en meer dan waar ook tot een gemakzuchtig «leven-en-laten-pluralisme» geleid, toch is de crisis van de elite geen uniek Nederlands verschijnsel. Bij alle enthousiaste nationale zelfkastijding van de laatste jaren lijkt te worden vergeten dat wat aan de crisis ten grondslag ligt in de hele westerse wereld speelt. Behalve de gevolgen van de democratisering van de jaren zestig is dat de invloed van het postmodernisme, met zijn scepsis tegenover elke waarheidsclaim en elk universalisme en zijn weigering verschil te maken tussen hoge en lage cultuur.

In zijn onlangs verschenen boek Where Have All the Intellectuals Gone? Confronting 21st Century Philistinism lenigt de Britse socioloog Frank Furedi zijn nood over de culturele elite in Groot-Brittannië en de VS, die, volgens hem, liever «relevant» is, en «van deze tijd», dan dat ze probeert haar eigen autoriteit te vestigen en de standaard te stellen. Hij constateert ook dat de belangrijke instituties in de Angelsaksische landen – het onderwijs, de universiteit, de media, de culturele instellingen – ernstig onder druk staan. «Dumbing down», noemt hij het voortdurend terugschroeven en bijstellen van verwachtingen en eisen. Ook hij wijst met de beschuldigende vinger naar de culturele en politieke elite die leerlingen, studenten, kiezers, lezers en kijkers als kinderen behandelt.

Furedi draaft soms door – bijvoorbeeld als hij deze hele tijd met een brede armzwaai afdoet als «filistijns» – maar hij laat scherp zien hoe de elite het verheffingsideaal heeft laten vallen, en wat de gevolgen daarvan zijn. Veel is volgens hem terug te voeren op het postmodernisme. Het postmoderne relativisme – de opvatting dat elk concept van waarheid en moraal niet absoluut is, maar afhankelijk van de cultuur of sociale groep waartoe iemand behoort – heeft ook toegeslagen in het culturele leven. Het idee dat schoonheid en waarheid in «the eye of the beholder» zijn, heeft een grote weerslag gehad. Daardoor mag niet meer ferm worden gesteld wat het beste is wat een maatschappij cultureel te bieden heeft. Iedereen die ooit kritieken heeft geschreven, kent de vraag, die meer een boos verwijt dan werkelijke nieuwsgierigheid bevat: wie ben jij dat jij mag zeggen dat een boek literatuur is, een schilderij kunst? Cultuur met een hoofdletter C heeft plaatsgemaakt voor culturen in meervoud, en elke aanspraak op een speciale status voor een bepaalde kunstvorm of kunstuiting wordt met spot bezien. Het aloude onderscheid tussen hoge en lage cultuur valt ook weg als waarheid op zich een vluchtige kwaliteit is. Culturele autoriteit is immers verbonden met waarheid, hoe voorlopig die ook is.

Maar je kunt de overtuiging dat het publiek verlicht kan worden wel als paternalistisch afdoen, daarmee is het paternalisme niet als sneeuw voor de zon verdwenen. Een elite die geen idealen meer heeft, maakt van kennis en inzicht juist een elitair privilege. Als de elite geen verschil meer wenst aan te brengen tussen, zeg, André Hazes en Igor Strawinsky of Franz Kafka en Appie Baantjer, dan onthoudt zij het publiek dat wat van waarde is. Als het museum volgens de wetten van het pretpark wordt ingericht – «I have to compete with Disneyland», hoorde ik een Amerikaanse museumdirecteur eens zeggen – kan het bezoekersaantal wel toenemen, maar het publiek ervaart dan nog niet wat dat is, een museum. Kunst vereist nu eenmaal een andere houding dan fastfood: je kunt haar niet passief consumeren, ze vraagt om een actieve houding.

Achter de afkeer van paternalisme steekt een elitaire minachting voor het publiek. Het is namelijk niet «het volk» dat het voortouw heeft genomen in de campagne om de kunst en het onderwijs «toegankelijk» te maken en «relevant» en «van deze tijd». Nee, het anti-elite-sentiment wordt, nog steeds, vooral uitgedragen door de elite zelf – er wordt het meest geschimpt op de «grachtengordel» door mensen die er zelf in wonen. Furedi zegt het zo: «De culturele elite is niet in staat zich als zodanig te doen gelden en verklaart dat het in ieder geval verkeerd is om te proberen mensen te verbeteren en op te voeden. Dat zij niet alleen niets heeft om anderen bij te brengen, maar dat zij juist veel kan leren van ‹gewone mensen›. Deze schijnbare omkering van de verhouding tussen elite en volk komt helder tot uiting in het proces van omgekeerd snobisme. Het is belangrijk om het woord ‹schijnbaar› te benadrukken, want de omarming van het volk valt samen met de overtuiging dat het publiek niet in staat is zich tot veeleisende intellectuele en culturele zaken te verhouden.»

Zo heeft de hedendaagse elite veel weg van de aristocratische dame uit Chelsea, die het verbijsterend vindt dat haar meid Margaret wil lezen. «Ze dachten dat je in je vrije tijd op een stoel zat en in de ruimte staarde…», zei Margaret Powell daarover. In de ruimte staat tegenwoordig een tv-toestel, waarnaar uren gestaard kan worden.

Als zelfs de culturele elite kunst niet meer ziet als een beschavingsmiddel dat ook de John Keating en Margaret Powell van nu niet onthouden mag worden, hoe kan zij dan verwachten dat politici dat wél doen? De politieke partijen schrijven in hun verkiezingsprogramma’s nog wel dat «kunst belangrijk is voor de samenleving», dat «cultuur en sport de kwaliteit van de samenleving verhogen», dat «cultuur een meerwaarde heeft voor alle betrokkenen en de samenleving in zijn geheel», maar het zijn plichtmatige zinnetjes, waar nooit hartstochtelijk op volgt wáárom kunst «belangrijk» is.

«De culturele factor verdient meer aandacht», stelt de nieuwste Cultuurnota vreugdeloos. Om vervolgens meteen te beginnen over «de economische kracht» van cultuur, die beter moet worden benut. De Raad van Cultuur constateert dat cultuur de spiegel van de samenleving is en niet zomaar gebruikt kan worden voor het bereiken van politieke doelstellingen. Maar direct daarop wijst ze op de gunstige neveneffecten: cultuur is een bindende factor, kan integratie bevorderen, heeft een toeristische waarde en verhoogt de aantrekkelijkheid van de stad als vestigingsplaats van bedrijven. Allemaal ongetwijfeld waar, maar daarmee is niks over de waarde van kunst gezegd.

Een echo van het oude verheffingsideaal is terug te vinden in de opvatting van het ministerie van OCW en van alle politieke partijen dat kunst voor zo veel mogelijk mensen «toegankelijk» moet zijn en dat er zo veel mogelijk verschillende groeperingen van de samenleving in cultuur moeten «participeren». «Culturele diversiteit» is het nieuwste modewoord voor het laatste. Ook daarmee is niets over kunst zelf beweerd. Frank Furedi schampert in Where Have All the Intellectuals Gone? hoe de begrippen «toegankelijkheid» en «participatie» een eigen leven zijn gaan leiden. Hoe ze van middel doel op zich zijn geworden. Helaas wordt vergeten dat die mooie begrippen ergens toe zouden moeten leiden – tot kennis en inzicht bijvoorbeeld. Ze zijn niet meer verbonden met een intellectueel en artistiek ideaal. Om een schematische voorstelling van zaken te geven: de culturele elite hing haar lier in de wilgen en hield op te zeggen dat kunst waarde heeft, om zichzelf, voor iedereen. De politiek, net gewend om geld aan de kunsten te geven, zocht andere legitimaties en begon bloedeloze termen als «participatie» en «toegankelijkheid» te hanteren, als er al niet puur economische redenen waren om kunst «belangrijk» te vinden. En de culturele elite die zich ervoor schaamde elite te zijn nam de dieventaal van de politiek over, zeker als ze werkzaam was in de kunst en van subsidie afhankelijk.

De laatste tijd is er sprake van een kentering – de kritiekloze omhelzing van het postmodernisme is voorbij. Dat is onmiskenbaar zo als het gaat om het afschudden van het cultuurrelativisme en de multiculturele vrijblijvendheid. Er staan ook steeds meer intellectuelen, critici en schrijvers op die afstand nemen van wat Furedi «dumbing down» noemt. Die hun verantwoordelijkheid als lid van de elite op zich willen nemen en weer duidelijk maken dat kunst en culturele bagage ertoe doen. Bijvoorbeeld door hardop te zeggen dat solotentoonstellingen van de schilderijen van filmster Dennis Hopper of cartoonist Kamagurka niet in het Amsterdamse Stedelijk Museum thuishoren. De koningin mag zelf een verdienstelijk beeldhouwster zijn, dat is nog geen garantie dat ze een hoogstaande expositie uit het museumdepot te voorschijn weet te toveren. Als er wel heel gemakzuchtig een rode loper voor een groot publiek is uitgerold, wordt steeds vaker getwijfeld of dat werkelijk wat van waarde te zien krijgt. Al die tentoonstellingen die met toeters en bellen en glitterlichtjes een ervaring moeten bieden volgens de modieuze wetten van de beleveniseconomie roepen steeds meer wantrouwen op. Als het zuiver om vermaak gaat, verliest het museum het toch altijd van de Efteling.

De kentering blijkt eveneens uit het pleidooi om de historische en culturele canon weer in ere te herstellen. Ook daarin wordt het postmoderne relativisme – er bestaat geen groot historisch verhaal meer, er zijn alleen verhaaltjes; er kan geen hiërarchie tussen kunstwerken worden aangebracht, want die weerspiegelt slechts de voorkeur van witte, welgestelde mannen – ook daarin wordt het postmoderne relativisme terzijde geschoven. Al het gerelativeer heeft er namelijk toe geleid dat bijna niemand nog bekend is met de vaderlandse geschiedenis en de Nederlandse culturele hoogtepunten. Dat is niet alleen slecht voor ons nationale zelfbewustzijn – wie wij zijn is niet los te zien van ons verleden, onze grote schilders, onze grote schrijvers – zo onthouden we ook de hedendaagse mijnwerkers en huismeiden de mogelijkheid zichzelf te ontwikkelen.

De culturele elite probeert voorzichtig het verheffingsideaal in een nieuwe jas te steken. En het lijkt te helpen. Als de elite hartstochtelijk uitdraagt dat kunst, kennis van de vaderlandse geschiedenis en culturele klassiekers, en onderwijs niet alleen leuk hoeven te zijn, maar dat je er iets aan kunt ontlenen, dat ze mensen helpen om denkende individuen te worden, dan is de kans groot dat de politiek volgt. Publieke intellectuelen begonnen het belang van de canon te onderstrepen en inmiddels heeft de politiek, van Jan Marijnissen tot Jozias van Aartsen, zich dat eigen gemaakt. Nu is het zelfs zo ver dat de Onderwijsraad stelt dat er lessen in de canon gegeven moeten worden en heeft minister Van der Hoeven aangekondigd met een voorstel daartoe te komen.

Als de culturele voorhoede keer op keer duidelijk maakt dat kunst unieke ervaringen biedt en bijzondere kennis bevat, voor iedereen, dan kan de politiek moeilijk afzijdig blijven. De eerste stapjes zijn al gezet door de VVD, die in weerwil van de opvattingen van Blok en Rijpstra in zijn nieuwe liberaal manifest pleit voor een verdubbeling van het kunstbudget. De culturele elite moet deze kentering met vuur omarmen. Moet weer verschil durven maken en de maat stellen. Moet het dorre dieventaaltje van de politiek – van publieksbereik tot bezoekersaantallen tot drempelverlaging – ver achter zich laten. Ze moet weer geestdriftig vertellen dat kunst waarde heeft van zichzelf, en waarom, en hoe. Zonder snobisme en zonder omgekeerd snobisme. Opdat iedereen het weer vanzelfsprekend gaat vinden dat kunst een beschavingsmiddel is.