Afgelopen week werd bekend gemaakt dat de Nobelprijs voor Geneeskunde naar de Amerikaan David Julius en de Libanese Amerikaan Ardem Patapoutian gaat. Zij krijgen de prijs voor hun onderzoek naar het waarnemen door het menselijk lichaam van kou, warmte en aanrakingen. Pijnonderzoekers zijn opgetogen over de keuze van de laureaten. Zo schrijft André Wolff, hoogleraar anesthesiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, in een e-mail: ‘Het is een prachtige erkenning en stimulans.‘

Die stimulans kan het veld goed gebruiken. Chronische pijn treft ongeveer twintig procent van de westerse bevolking en kost de maatschappij handenvol geld. Maar minstens net zo belangrijk is de omvang van het menselijk leed dat schuilgaat achter de cijfers. Waarom is nu juist dit onderzoek zo fundamenteel voor (chronische) pijn?

David Julius gebruikte chilipepers in zijn onderzoek naar de menselijke perceptie van temperatuur. Capsaïcine, de pittige stof in hete pepers, veroorzaakt eenzelfde effect als hitte. Pepers kunnen je letterlijk het gevoel geven dat je mond in brand staat. Door deze eigenschap te gebruiken kon hij cellen blootstellen aan ‘hitte’ zonder de cellen daadwerkelijk te verwarmen, waardoor ze kapot zouden kunnen gaan. Op die manier vond hij de eerste ‘zenuwreceptor’ voor hitte. Een zenuwreceptor is een soort ontvanger van signalen waarmee ons zenuwstelsel wordt gevoed en dat ons in staat stelt om te reageren op gevaren en veranderingen.

We moeten chronische pijn heel anders benaderen, schreef Sanne Bloemink eerder in De Groene.

‘Dit is een heel belangrijke ontdekking’, zegt Wolff. ‘Net zo belangrijk is dat activiteit uit de zenuwreceptor via elektrische prikkels met behulp van natrium-ionkanalen over zenuwbanen wordt voortgeleid naar onze hersenen. Want samen zorgen ze ervoor dat we geïnformeerd worden over gevaar, zodat we adequaat kunnen reageren om schade te voorkomen om te overleven.’ Onze tastzin helpt ons voorts om te doseren met druk in de vingers om iets vast te houden. Dit is waar het onderzoek van Patapoutian zich op richtte. Hij vond uit welk gen gevoelig was voor druk en een tot dan toe volledig onbekend natrium-ionkanaal.

Met deze in de jaren negentig opgedane kennis van receptoren en natrium-ionkanalen zijn inmiddels verschillende medicijnen ontwikkeld om pijn te verminderen. Toch werken veel medicijnen vaak niet of niet optimaal bij mensen met chronische pijn. Bovendien zijn er dikwijls vervelende bijwerkingen. Denk aan opioïden die een sterk verslavende werking hebben.

André Wolff richt zijn onderzoek juist op die moeilijk te behandelen chronische pijn: pijn die langer duurt dan drie maanden. Het centrale zenuwstelsel ontwikkelt voortdurend nieuwe patronen en past zich aan de omstandigheden aan. Soms zijn die aanpassingen ongewenst, waardoor het pijnsysteem ‘op hol slaat’. ‘We weten dat pijn niet alleen een symptoom is van schade in het lichaam, maar ook een ziekte op zich. Er is nog veel onderzoek nodig om pijn beter te begrijpen, zodat we betere behandelingen kunnen ontwikkelen.’

Het centrale zenuwstelsel ontwikkelt voortdurend nieuwe patronen en past zich aan de omstandigheden aan. Soms zijn die aanpassingen ongewenst, waardoor het pijnsysteem ‘op hol slaat’. Je kunt het zenuwstelsel vergelijken met een alarm dat in sommige gevallen veel te gevoelig afgesteld staat. Bij een lichte windvlaag begint het alarm al te loeien. Nadat je honderd keer hebt gekeken of er een inbreker is, moet je dan misschien eens gaan kijken of het alarm zelf eigenlijk wel goed werkt. Pijn is dan geen symptoom meer, maar is zelf een ziekte geworden, een ziekte van het zenuwstelsel. Dat is precies waar het onderzoek naar chronische pijn over gaat.

Gebleken is dat in de westerse wereld het aantal patiënten met chronische pijn op ongeveer twintig procent van de bevolking ligt, in de Verenigde Staten is dat zelfs dertig procent. ‘Dat betekent’, zegt Wolff, ‘dat er mensen zijn die een bepaalde gevoeligheid hebben om patronen te ontwikkelen die niet comfortabel zijn. Ik denk dat we met ons onderzoek in die hoek moeten gaan zoeken: twintig procent is gewoon te veel om een uitzondering te zijn.’

Hoewel chronische pijn lange tijd niet bepaald een ‘sexy’ onderwerp werd gevonden in de medische wereld, lijkt er langzaam een kanteling te komen. Jonge artsen staan vaak meer open voor onderzoek naar de verschillende dimensies van pijn. Chronische pijn is bovendien een maatschappelijk probleem van té grote omvang aan het worden om nog langer te kunnen negeren. De toekenning van de Nobelprijs aan deze onderzoekers is dan ook niet alleen een grote eer voor de wetenschappers, maar ook een belangrijke stap in het steeds verder ontrafelen van het mysterie van (chronische) pijn.