Het nationaal aanzien

President Hamid Karzai gaat toch meedoen in de Nederlandse verkiezingsstrijd. Vorige week heeft Job Cohen als nieuwe leider van de Partij van de Arbeid verklaard dat er valt te praten over verlenging van de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan. Twee maanden geleden is het kabinet gevallen over het Afghaanse probleem. Een meerderheid in de Tweede Kamer, waaronder de PvdA, wilde dat het afgelopen zou zijn met onze aanwezigheid. Vanuit electoraal standpunt en in het licht van de geschiedenis bezien niet onverstandig. In een tijdsbestek van bijna vijf jaar hebben de kiezers eraan moeten wennen dat de Nederlandse opbouwmissie zich ontwikkelde tot een vechtmissie waarbij intussen 23 soldaten zijn gesneuveld. Nu bereiken we de volgende fase. Vechtmissie wordt tot politiemissie. Het zou erop neerkomen dat 45 Nederlanders de Afghaanse politie gaan opleiden, waarbij ze worden beschermd door ongeveer 450 Nederlandse soldaten.
Wat moeten we ons zo concreet mogelijk daarbij voorstellen? Een politieschool waar Afghaanse rekruten tot oncorrumpeerbare ordebewaarders zullen worden opgeleid. Om te beginnen: hoe lang zal zo'n cursus duren? Eén jaar? Twee? En zal het dan bij één lichting blijven? Daarover is nog niets bekend. En zal deze opleiding ook een politieke inhoud krijgen? Je mag er in ieder geval wel op rekenen dat de leerlingen niet tot vriendschap met de Taliban worden gestimuleerd. Dat zou betekenen dat de Taliban deze school als een bastion van de vijand zien. Daarop is in ieder geval al gerekend. Komt er een aanval, dan staan de 450 soldaten klaar. Zou deze politiemissie dus eigenlijk toch ook een vechtmissie zijn? Daar wordt in dit stadium nog niet over gepraat.
Het belangrijkste van Cohens denkbeeld is dat daarmee de mogelijkheid tot een verzoening tussen de PvdA en het CDA wordt geopend. De christen-democraten willen hoe dan ook in Afghanistan blijven. Een politieschool in Tarin Kowt zou het vormen van een rooms-rode coalitie in Den Haag aanzienlijk vergemakkelijken. Simsalabim! Ja, misschien is hiermee de grondslag gelegd voor de oplossing van een Nederlands probleem dat ons na 9 juni zal bezighouden. Maar in welke mate zullen de Afghanen ermee worden geholpen? En zal, wat uiteindelijk de bedoeling is, het einde van de oorlog een beetje dichterbij worden gebracht?
Onze militaire aanwezigheid in Afghanistan wordt op twee manieren gerechtvaardigd. We nemen deel aan een goede oorlog die uiteindelijk dient tot bevrijding en verheffing van het Afghaanse volk. En we tonen onze internationale solidariteit. Dat klinkt nobel. Maar in de praktijk is daar minder van terechtgekomen dan waarop de bewindslieden hadden gerekend en wat een groot deel van het volk had geloofd. De diepste oorzaak daarvan is dat de Amerikanen die uiteindelijk de leiding hebben al bijna negen jaar een experimentele oorlog voeren. Nu is het experiment Obama in volle gang. Een surge, versterking van de troepen tot negentigduizend man onder leiding van de nieuwe generaal McChrystal, en dan in de loop van het volgend jaar het begin van het terugtrekken.
Een paar weken geleden is het stadje Marja op de Taliban veroverd en op het ogenblik wordt het veel grotere Kandahar gezuiverd. Over het verloop van deze operaties lezen en horen we vrijwel niets in de Nederlandse media, terwijl het toch, met het oog op de verkiezingen en onze misschien aanstaande politiemissie, van belang zou zijn een en ander een beetje te volgen. Vorige week is in Washington een rapport over de toestand van de Afghaanse democratie gepubliceerd. Daarin wordt gemeld dat president Karzai op z'n hoogst in ongeveer een kwart van het land op voldoende steun kan rekenen. Of hij in staat is de corruptie aan te pakken blijft twijfelachtig. De president zelf heeft de afgelopen weken Washington een paar keer ernstig gewaarschuwd. De Amerikanen zouden een grote blunder begaan door de Afghanen van verkiezingsfraude te beschuldigen. En voor ze het weten zijn ze niet meer de bondgenoten maar de bezetters.
In deze sfeer moeten we de Nederlandse bijstand, nu de mogelijke politiemissie zien. In Den Haag wordt er niet formeel maar wel praktisch van uitgegaan dat onze missies deel uitmaken van een bilaterale verhouding, terwijl we in feite al die jaren onderdeel zijn van een uiterst omvangrijke en ingewikkelde onderneming over het verloop waarvan we niets te zeggen hebben. In werkelijkheid doen we mee aan een oorlog die weliswaar niet verloren wordt, maar waarvan we ook niet weten hoe we hem kunnen winnen. Als er iets meer dan vijftig procent kans op een goed einde was, zou onze aanwezigheid misschien al gerechtvaardigd zijn. Die kans is er niet. Dat wordt door de Afghaanse praktijk bewezen.
Maar, zegt Den Haag, niet meer meedoen zou het aanzien van Nederland schaden. Dan is er een oplossing. Meer Somalische piraten vangen. Daar zijn we goed in.