Hoofdcommentaar: Het «Nederlandse» standpunt

Het «Nederlandse» standpunt

In de Verenigde Staten ligt niemand wakker van de politieke besluitvorming in Den Haag. Gezien de machtsverhoudingen in de wereld is dat heel begrijpelijk, maar dat zou voor Den Haag, als hoofdstad van een klein land, des te meer reden moeten zijn om wakker te liggen van de besluitvorming in Washington. Het tegendeel is het geval.

Zaterdag ontwaakte menige Nederlander wederom als Gregor Samsa, met dit verschil dat hij niet was veranderd in een tor maar in een deelnemer aan de komende oorlog in het Midden-Oosten. Want daar komt de uitslag van het kamerdebatje van vrijdag over de Nederlandse houding inzake een Amerikaanse aanval op Irak op neer.

Een week tevoren had minis ter van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer zo’n oorlog nog afgedaan als «hypothetisch», nu sprak hij zich zonder veel voor behoud uit voor een aanval indien Saddam Hoessein geen inspectieteams toelaat. Een brede kamermeerderheid steunde hem daarin. Het standpunt van president Bush dat er hoe dan ook een aanval komt, ongeacht de vraag of die inspectieteams worden toegelaten en ongeacht het standpunt van de Veiligheidsraad was de minister en de meeste kamerleden kennelijk ontgaan.

Net als in 1991 (Golfoorlog) en 1999 (oorlog om Kosovo) geeft Nederland zich bij voorbaat gewonnen voor het Amerikaanse standpunt. En net als Samsa mag de Nederlandse burger wederom raden naar de ratio van dit alles, want die was en bleef tijdens het debat volstrekt onduidelijk. In de begeleidende brief van de minis ter wordt de aard van de Iraakse dreiging niet aangegeven. President Bush beschouwt het uitschakelen van Saddam Hoessein als de «tweede fase» in zijn campagne tegen het internationale terrorisme, maar in de brief staat niets over de veronderstelde banden van Saddam Hoessein met al-Qaeda en andere terreurgroepen, een omissie die des te opmerkelijker is omdat vrijwel alle deskundigen het erover eens zijn dat Saddam zich nu juist niet met zulke groeperingen inlaat.

Er staat ook niets in over het openlijke Amerikaanse voornemen een andere regering in Bagdad te installeren. Dat is een streven zonder volkenrechtelijk precedent, tenzij je teruggaat tot de onverkwikkelijkste episoden van de twintigste eeuw, zoals de Sovjet-inval van 1956 in Hongarije of de Oostenrijkse Anschluss van 1938. Wat in de brief dan ook het meest wordt gemist, is een serieuze bespiegeling over het belang van het internationaal recht en met name de rol van de Veiligheidsraad in het geheel.

Want daarom ging het in dit debat: om de vraag of Nederland — gastland van het Internationaal Gerechtshof, het Joego slavië-tribunaal, het Internationale Strafhof in oprichting en andere instellingen op het gebied van het internationaal publieksrecht — bereid is het VN-handvest te negeren en zich achter een eenzijdige oorlogsverklaring van de Verenigde Staten te scharen.

Welnu, het Handvest werd met schrikbarend gemak terzijde geschoven. Toestemming van de Veiligheidsraad is helemaal niet nodig, vond de minister, en met hem een ruime meerderheid van de kamerleden. Een VN-resolutie is hooguit «wenselijk», aldus De Hoop Scheffer, maar Saddam Hoessein mag vooral niet op het idee worden gebracht dat een veto in de Veiligheidsraad de aanval zou kunnen tegenhouden: «Dan weet ik één ding zeker, dan komen de wapeninspecteurs nooit Irak in.»

Alsof dit vertoon van onvermogen nog niet genoeg was, zaagde oppositiewoordvoerder Koenders (PvdA) de poten onder zijn eigen stoel vandaan: «Ik heb duidelijk gemaakt dat ik tegen oorlogslogica ben en dat ik het unilaterale optreden van de Ver enigde Staten fout vind, maar ik ga niet zo ver om op dit moment al een uitspraak te doen.» Tot slot wierpen PvdA en D66 nog tegen dat de minister wel wat meer had mogen «uitstralen» dat Nederland de voorkeur geeft aan een aanval mét goedkeuring van de Veiligheidsraad. «Bij een mogelijke oorlog gaat het niet om een halfje bruin!» sprak Koenders, zijn eigen uitstraling reducerend tot het absolute minimum.

Het pijnlijke van dit spoed debat was het gebrek aan besef van de meeste kamerleden dat de toekomst van een heel werelddeel op het spel staat. Geen enkel land kan zich veroorloven toeschouwer te blijven, en toch is dat precies de houding die Den Haag uitstraalt. «Het echte debat vindt in de Verenigde Staten plaats», constateerde Fatima Karimi (GroenLinks) terecht.

Bijna alle kamerleden leken zich daar op voorhand bij te hebben neergelegd. Karimi’s collega Janssen van Raaij (LPF) vatte de stemming behendig samen door te verklaren dat zijn fractie «aan de kant staat van diegenen binnen het Amerikaanse debat die militaire interventie niet wenselijk achten, maar als men tot de conclusie komt dat militaire interventie wel nodig is, dan steunen wij dit onvoorwaardelijk». Daar zal Saddam, op zijn beurt, niet van wakker liggen en dat lijkt Den Haag niet in het minst te interesseren.

Of Nederland daadwerkelijk meevecht, doet voor Amerikanen noch Irakezen terzake; daarvoor heeft ons land op militair gebied veel te weinig in te brengen. Maar áls Nederland vindt dat een oorlog tegen Saddam in het belang van de wereldvrede noodzakelijk en onvermijdelijk is, dan zou het ook zijn bijdrage moeten leveren. En dat, zo maakte het ministerie van Defensie dezer dagen bekend, is niet aan de orde. Waarom niet? Ons aandeel in de Kosovo-oorlog was ook niet gering en verhoudingsgewijs zelfs het grootst van alle deel nemende landen. «Put your money where your mouth is», voegde premier Balkenende de duurzaamheidsconferentie in Johannesburg toe. Gaat die redenering niet ook op voor de inzet van Nederlandse soldaten?