DE ONVERMIJDELIJKE LESSEN UIT DE KREDIETCRISIS

Het neoliberale drama

De mondiale crisis leert ons dat het neoliberalisme als oude politiek moet worden bestempeld. Het zelfregulerende vermogen van de markt blijkt een fictie. Er moet een nieuwe politiek komen waarin de economische groei ondergeschikt is aan ecologie en rechtvaardigheid.

HIJ HAD NOG ZO GEWAARSCHUWD, de fractieleider van de VVD. Niet vorige week of vorige maand, een jaar geleden al. Er was zwaar weer op komst. Maar de regering wilde niet luisteren, dus zaten we nu met de gebakken peren. De meteorologische metafoor – ‘zwaar weer’ – zou de indruk kunnen wekken dat Mark Rutte het over de klimaatcrisis had. Dat hij in het kader van de groenrechtse interventie in dat debat waarschuwde voor de onherroepelijke gevolgen van een mondiale temperatuurstijging en dat hij opriep tot maatregelen, bijvoorbeeld tot een versnelde overschakeling op postfossiele, regenereerbare energie. Maar nee, dat bleek niet het geval. Het ging over de kredietcrisis. Daarin had de regering eerder daadkracht moeten tonen. Dat mag een gotspe worden genoemd. Als er één partij in Nederland medeverantwoordelijk is voor de kredietcrisis, is het de VVD. Rutte lijkt op de dief die de op non-actief gestelde politie ten overstaan van de bestolenen verwijt dat ze niet goed heeft opgelet. Al vele jaren is zijn partij immers dé spreekbuis van de neoliberale ideologie, die na de val van de Berlijnse Muur en de ondergang van het communisme tot het enige en het laatste universele geloof met sterk missionaire trekken werd opgeklopt.
Voortaan gold er nog maar één wijsheid. De markt was de panacee tegen alle kwalen in de wereld. Als we maar overal zouden zorgen voor marktwerking en concurrentie, zou de vooruitgang in de wereld en de welvaart onder de volkeren niet te stuiten zijn. Daartoe diende de overheid met haar betuttelende regeltjes zich terug te trekken, we hadden per slot van rekening te doen met volwassen burgers die heus wel wisten wat goed voor hen was. Heilig geloofden de neoliberalen in die mythische onzichtbare hand van Adam Smith die al dat ongeleide burgerlijke egoïsme tot een wonderlijk harmonieus geheel zou samenvoegen.
Ik hoor het mevrouw Jorritsma, om slechts één gelovige te citeren, nog zeggen. Als minister van Verkeer verkondigde zij de zegeningen van de liberalisering van het taxiwezen. De concurrentie zou heilzaam werken. De kwaliteit van de dienstverlening zou toenemen, de prijzen zouden dalen. Nauwelijks was Jorritsma’s vrijheid in de praktijk gebracht of het taxibedrijf werd het domein van semi-criminelen. De toerist die zich van het Amsterdamse Centraal Station naar zijn hotel wilde laten brengen, moet zich in een postcommunistische schurkenstaat hebben gewaand.

DAT IS HET DRAMA op microniveau. Elders zijn de gevolgen van het geloof in het zelfregulerende vermogen van de markt aanzienlijk ernstiger, ook al lijken de propagandisten van het neoliberale ontwikkelingsmodel de foutieve premissen en de fatale consequenties daarvan nog altijd niet te beseffen. Nog altijd geloven zij, onder de krachtige leiding van de Wereldhandelsorganisatie WTO, in het primaat van de economische groei en dus de heilzame tucht van de markt. Organiseer alle vormen van economie en dienstverlening volgens de principes van de vrije handel, en de armoede in Afrika, Azië en Zuid-Amerika zal verdwijnen.
Maar de uitvoering van die ideologie ging van meet af aan gepaard met een forse leugen. Het Noorden, de landen die het in de WTO voor het zeggen hadden, had primair zijn eigen economische voordeel op het oog. Het eiste zelf toegang tot de markten van het Zuiden, maar trof omgekeerd vergaande protectionistische maatregelen tegen de landen van het Zuiden. Bovendien – hoezo geen staatsbemoeienis? – subsidieerden Europa en de Verenigde Staten hun boeren dusdanig dat ze op de markten van het Zuiden niets te duchten hadden van de kleine, plaatselijke boeren. Ze exporteerden geen welvaart maar drongen hen een westerse, door winststreven gekenmerkte levenswijze op. Aldus veranderden ze ‘armoede’ in ellende. Tot dan toe zelfverzorgende, kleine economieën werden geruïneerd, de bevolking werd afhankelijk van dure import, zelfs van elementaire producten die ze vaak zelf verbouwden.
Ook het model van de directe financiële hulp, zoals in het kader van de millenniumontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties ontwikkeld door Jeffrey Sachs, gaat uit van de onjuiste opvatting dat extreme armoede een relict is uit premoderne tijden, niet een product van moderne economische ontwikkelingen. Sachs definieert de Afrikaan als iemand met een tekort, iemand die met geld geholpen moet worden om in de globale economie te kunnen meedraaien, niet als iemand die zelf beter weet wat hij wil, niet als een ‘gedwarsboomde acteur’, zoals Sachs’ naamgenoot Wolfgang Sachs van het Wuppertal Institut für Klima, Umwelt, Energie het formuleert.
De neoliberale belofte dat de verschillen tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden kleiner zouden worden is niet bewaarheid. Wel is in vrijwel alle arme landen een rijke bovenlaag ontstaan die met de multinationals uit het Noorden onder een hoedje speelt, zodat de tegenstellingen binnen de arme landen alleen maar zijn toegenomen. Diezelfde polarisering heeft zich voltrokken in de meeste rijke landen en in de groei-economieën van China, India en Brazilië.
Maar zolang het hier redelijk goed ging en we elk jaar meer te besteden hadden, hoefde men het daar niet over te hebben. Pas met de wereldwijde kredietcrisis moet het failliet van het neoliberale fundamentalisme voor elke weldenkende Europeaan duidelijk zijn geworden. Alleen door een opzichtige overtreding van zijn eerste gebod, namelijk door een nog altijd niet geëindigde stroom van gigantische kapitaalinjecties van overheidswege, dus van de belastingbetaler, kunnen banken en bedrijven overeind worden gehouden. Waaraan hebben we dat te danken?
GEDURENDE TWEE DECENNIA heeft het neoliberale geloof, dat al gauw grote delen van de sociaal-democratie tot zijn ijverigste bekeerlingen mocht rekenen, alles gedaan om de burger om te vormen tot consument. En het moet gezegd: met succes. Maar de gevolgen zijn, ook binnenslands, desastreus, allereerst mentaal. De consument ontpopte zich als een ongeduldig type dat eisen stelt aan de geleverde waar maar zich verder nergens voor verantwoordelijk voelt, zeker niet voor de sociale condities waaronder die waar gemaakt is of voor de ecologische effecten daarvan. In dat opzicht gedraagt hij zich als het evenbeeld van de producent.
Die onverschilligheid kan nog altijd betrekkelijk gemakkelijk worden volgehouden. De globalisering van de economie heeft de productieketens van vrijwel alle waren vele malen complexer, langer en ondoorzichtiger gemaakt. Ze onttrekken zich grotendeels aan de blik van de consument en dus aan zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Protesten van derdewereldorganisaties kunnen worden afgedaan als linkse propaganda, acties voor de armen als wereldvreemde filantropie, waarschuwingen voor een klimaatcatastrofe als bangmakerij uit de oude doos. In de kooppaleizen van de consument geldt een andere, realistische moraal.
De consument is een impotent gemaakte burger. Maar zolang hij als consument glorieert, lijkt hem dat niet te deren. Anders wordt het als hij nauwelijks kan meedoen. Zijn stem wordt nergens gehoord, trouwens, tot wie zou hij zich moeten wenden? Het besef dat zijn invloed op de beslissingen die er toe doen nihil is, voedt zijn ressentiment, zijn agressie, zijn geldingsdrang, zeker als hij ziet hoe bij anderen, niet zichtbaar getalenteerder dan hijzelf, het geld niet op kan. Dat is de hoofdbron van de veel gesmade hufterigheid, die terecht niet meer aan een klasse of stand gelieerd wordt zoals haar positieve voorganger, het burgerlijke fatsoen, dat ook de uitdrukking was van zelfbewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel.
En hij wordt vaak teleurgesteld, de consument. Begrijpelijk, de geleverde waar is niet zelden ver onder de maat. Toch heeft dat zijn hebzucht eerder vergroot dan verkleind. Zolang hem geen verantwoordelijk en zinvol bestaan wordt gegund, zal hij blijven proberen zijn zelfrespect in de materiële sfeer op te vijzelen. Maar het is gevaarlijk die hebzucht te psychologiseren, zoals de laatste tijd vaak gebeurt. Om te beginnen is het een ‘geproduceerde’, een afgedwongen mentaliteit met alleszins positieve connotaties. Van ’s morgens tot ’s avonds worden zelfs de kleinste kinderen bestookt met teksten en beelden die hen wijzen op hun tekorten, op alles wat ze zouden moeten kopen om een gelukkig leven te leiden. Zo wordt tegelijk met de hebzucht de onvrede gevoed, ook als de hebzucht tijdelijk met het begeerde object gestild wordt, want altijd blijken er een seconde later nieuwe, mooiere, duurdere spullen in de aanbieding.
De alomtegenwoordigheid van die propaganda van de hebzucht overtreft alle eerdere vormen van propaganda, die voor de communistische partij in de Oostbloklanden van weleer evenzeer als die voor het christendom in vroeger tijden, toen de hebzucht overigens nog als een van de zeven hoofdzonden gold. Bovendien is die propaganda niet alleen veel geraffineerder, de praktische gevolgen ervan zijn ook voor wie er niets van gelooft onontkoombaar.
Inmiddels zit het grootste deel van de prijs van zowat alle – ook onmisbare – producten en diensten in design, verpakking en reclame, de postindustriële specialismen van het rijke Noorden. Een groot deel van het beschikbare intellect houdt zich bezig met de handel in lucht. In de jaren zestig, toen die handel nog in zijn kinderschoenen stond, leidde dat tot kritische beschouwingen over de esthetiek van de waar, in het neoliberale tijdperk is die esthetiek een van de meest gevraagde en gerespecteerde disciplines.
Als de kredietcrisis is veroorzaakt door de hebzucht van de consument, is dat een met slinkse, totalitaire middelen gestuurde hebzucht. Dat geldt voor de hele rijke wereld, maar allereerst voor het rijkste deel van de rijke wereld, de VS. Niet alleen werden de Amerikaanse consumenten paradijzen van luxe en overvloed in het vooruitzicht gesteld mits ze maar bereid waren telkens meer leningen af te sluiten, voor velen was dat lenen ook domweg bittere noodzaak om nog een ietwat behoorlijk leven te kunnen leiden. Hard werken was vaak al lang niet meer voldoende om de lasten van het wonen, de gezondheidszorg en het onderwijs voor de kinderen te kunnen betalen, alleen door het aangaan van steeds meer schulden was men daartoe in staat.
John Kenneth Galbraith (1908-2006) heeft in The Great Crash 1929 aannemelijk gemaakt dat de hoofdoorzaak van de grote crisis destijds lag in de extreme inkomensongelijkheid in Amerika: 0,1 procent van de Amerikanen bezat veertig procent van het totale vermogen. De rijken wisten zich met hun geld geen raad, begonnen onverantwoord te speculeren en zochten bizarre beleggingsmogelijkheden. Bij alle verschillen met de huidige situatie is er één cruciale overeenkomst: opnieuw zijn de inkomensverschillen in de VS groter dan ze de laatste decennia ooit waren. De middenklasse is vrijwel verdwenen, de armste veertig procent van de bevolking bezit 0,2 procent van het totale vermogen. Vinden onze neoliberalen niet dat de inkomensnivellering wel erg ver is doorgeschoten?

DE COMMENTAREN OP DE CRISIS klonken in Nederland aanvankelijk bagatelliserend, later bezorgd, op dit moment wordt er rekening gehouden met een langdurige, tamelijk ernstige teruggang. Maar toch, we horen het de premier en de minister van Financiën regelmatig zeggen, zó erg is het niet, ‘we staan er in vergelijking met andere Europese landen goed voor’, ja, ‘we zullen er straks zelfs sterker uit komen’.
In die commentaren vallen twee dingen op die tot nu toe door iedereen kennelijk als vanzelfsprekend zijn geaccepteerd. Er wordt steeds gesproken in de eerste persoon meervoud, het gaat over ‘wij’, Nederlanders, soms vermoedelijk ook ‘wij’, Europeanen. Hoewel niets erop wijst dat ‘wij’ in de ogen van onze politieke woordvoerders de globalisering een minder warm hart toedragen dan een half jaar geleden, worden onze belangen en problemen nooit in relatie gebracht met die van de miljarden armen en rechtelozen in de wereld. Dat is vreemd, aangezien ‘onze’ belangen en de hunne onmogelijk los van elkaar kunnen worden begrepen.
Verder valt op dat het relatieve optimisme (‘we staan er goed voor’) zonder meer wordt gekoppeld aan materiële vooruitgang, aan economische groei. Het hoeft niet eens hardop te worden gezegd, iedereen begrijpt dat ook zo. Dat getuigt van een angstwekkende hardleersheid. Alsof die blinde gerichtheid op economische groei – oftewel de uitvoering van het neoliberale programma – ons niet juist in de problemen heeft gebracht waar we nu in zitten.
Als het over de bestrijding van de crisis gaat, schuilt er in de eerste persoon meervoud nog een verraderlijk element. Altijd al moest de slecht verdienende Nederlander, voorzover belastingplichtig, meebetalen aan de villa’s van de rijken, nu mag hij ook nog eens meebetalen aan het overeind houden van banken en bedrijven, dus ook aan de bonussen van de betreffende managers. De crisis wordt namelijk bestreden volgens het aloude neoliberale recept: de winsten verdwijnen in private zakken, de risico’s en verliezen worden afgewenteld op de gemeenschap.
Het ziet ernaar uit dat de kredietcrisis alleen wordt aangegrepen om ons harder tegen de wind in te leren fietsen. Op zich is dat een uitstekend idee, mits letterlijk opgevat, en dus met de implicatie dat er eindelijk serieus werk wordt gemaakt van het onvermijdelijke terugdringen van het autoverkeer. Maar de premier zal het, als altijd, dichterlijk bedoelen, en dan is zijn remedie minder dan een schamel doekje voor het bloeden voor degenen die de hardste klappen krijgen, de werklozen.
De eerste les van de kredietcrisis zou moeten zijn dat ‘we’ de consequenties van de globalisering onder ogen zien en dat we dus om te beginnen de eerste persoon meervoud niet meer wereldvreemd en naar believen beperken tot de Nederlanders of de Europeanen. Het wordt de hoogste tijd voor een kosmopolitische blik, het wordt tijd dat we de samenhang leren zien tussen het neoliberale groeimodel, de wereldwijde en bij onveranderd beleid desastreuze energie- en grondstoffencrises, de voor alle ecosystemen en dus voor de totale biosfeer essentiële vermindering van de biodiversiteit en, natuurlijk, de klimaatcrisis die binnen een eeuw kan uitgroeien tot een klimaatcatastrofe.

DAT KLIMAATSCEPTICI NOG ALTIJD hier en daar geloofd worden is onbegrijpelijk. Tenzij men hun geruststellende verhalen ziet als alibi voor beleidsmakers die niet openlijk van hun geloof durven af te vallen. Je hoeft je niet eens te verdiepen in de precieze berekeningen van het ICCP (International Climate Change Partnership), je moet werkelijk ziende blind zijn om nog te ontkennen dat de noordelijke ijskappen afbrokkelen, dat gletsjers in de Alpen en de Himalaya in versneld tempo verdwijnen, dat het Aralmeer bijna droog staat en het Victoriameer uitgroeide tot Darwin’s Nightmare, dat vele miljoenen in de deltagebieden van Bangladesh, Nigeria en Vietnam bedreigd worden door de stijging van de zeespiegel, dat woestijnvorming tot in Zuid-Europa zal toenemen. Ziende blind, omdat al die veranderingen op dit moment bezig zijn zich te voltrekken.
Begrijpelijk is die blindheid hoogstens in zoverre dat ‘wij’, Noord-Europeanen, nog het minste last van de klimaatcrisis zullen hebben. En ook in zoverre dat we waarschijnlijk wel beseffen dat zelfs een drastische verandering van ons leef- en consumptiepatroon pas op de zeer lange termijn, als we zelf al lang niet meer leven, en in uiterst geringe mate het gewenste mondiale effect zal sorteren. Dan klampen we ons liever vast aan het cynische ‘après nous le déluge’, dat bedacht lijkt als motto voor de neoliberale ideologie. Maar de zondvloed elders zal ons niet onberoerd laten, we hebben hem zelf grotendeels veroorzaakt.
Nog altijd willen we niet begrijpen dat Senegalese bootvluchtelingen voor een groot deel vissers zijn die het in hun primitieve bootjes niet konden opnemen tegen de drijvende visfabrieken uit het Noorden, die eerst hier de zeeën hebben leeggevist en nu nieuwe visgronden zoeken. Nog altijd willen we niet begrijpen dat de miljoenen vluchtelingen als gevolg van de oorlog in Darfur mede zijn veroorzaakt door de oprukkende woestijnvorming in het noorden van Soedan, die grotendeels te wijten is aan de co2-uitstoot van de geïndustrialiseerde landen, ook al hebben de rivaliserende stammen daar geen weet van en koesteren ook ‘wij’ liever het beeld van die bloeddorstige, primitieve zwarten.
De kluwen van elkaar versterkende crises leert dat het neoliberalisme voortaan als oude politiek moet worden bestempeld, in 2008 werd het definitief gefalsificeerd. Het zelfregulerende vermogen van de markt is een fictie. En het westerse welvaartsmodel is niet mondiaal generaliseerbaar zonder de aarde voor miljarden mensen te veranderen in een onherbergzaam oord. Nieuwe politiek is alleen mogelijk als we leren om welvaart niet meer primair te definiëren in termen van economische groei, dus als we erin slagen de demontage van de staat en de politiek door de economie een halt toe te roepen, als we erin slagen de economie ondergeschikt te maken aan ecologische criteria en criteria van mondiale sociale rechtvaardigheid.