Interview met Geograaf David Harvey

‘Het neoliberale project is nog niet gestopt’

Het postmodernisme is op sterven na dood. Het neoliberale tijdperk, waar het volgens David Harvey de culturele uitdrukking van was, is springlevend. De ‘geograaf van de grote greep’ ziet van Amerika tot China en het Frankrijk onder Sarkozy een autoritaire, nationalistische variant opkomen.

DE WERELDBANK EN HET IMF zijn politiek én financieel nagenoeg failliet, er is amper nog een politicus die zich neoliberaal durft te noemen en welke van de snelst groeiende economieën verdient dat predikaat nu werkelijk? China staat onder leiding van de Partij, Rusland van Poetin, in Brazilië wijst Lula’s sociaal-democratie de weg richting modernisering en in India hebben de communisten van oudsher een stevige vinger in de pap.
Toch vindt de veel geciteerde geograaf en marxist David Harvey, vorige week kort op bezoek in Nederland, het te vroeg om de doodsklok te luiden over het neoliberalisme. ‘Ik las pas geleden over de verkoop van een projectontwikkelaar in China. Dat leverde de grootste aandeelhoudster zoveel geld op dat zij nu rijker is dan Rupert Murdoch of George Soros. Het illustreert de aanhoudende concentratie van rijkdom in landen als China en Mexico. En kijk eens naar de stijgende topinkomens in de westerse wereld. Kortom: het ideologische masker, zeg maar de retoriek over de vrije markt, is deels afgetrokken. Maar het neoliberale project is nog niet gestopt.’

Dat project draait om het herstellen van de financiële en politieke macht van elites, betoogde Harvey in het in 2005 verschenen A Brief History of Neoliberalism. Die macht was in de jaren zeventig ernstig beknot onder wat Harvey het systeem van ‘embedded liberalism’ noemt. Kenmerken daarvan zijn omvangrijke staatsinvesteringen, progressieve belastingen en een grote publieke sector. ‘Neoliberalisme draait daarentegen om privatiseringen. Zo worden nieuwe terreinen ontgonnen voor ondernemers om winst te maken. Denk aan de watervoorziening in Buenos Aires of de sociale woningbouw in Groot-Brittannië.’
Het is eigenlijk een uitwerking van de hoofdstukken over economie in zijn bestseller The Condition of Postmodernity uit 1990. Daarin probeerde Harvey aan de hand van tal van voorbeelden uit de architectuur, stadssociologie en schilderkunst aan te tonen dat het postmodernisme de culturele vorm was behorend bij het neoliberale tijdperk. Net als in de productie, op de werkplek, kwamen vanaf de jaren zeventig ook in de cultuur ideeën over decentralisatie, flexibiliteit en individualisering centraal te staan. Het enige grote verhaal dat restte, was dat alles relatief is. Een modernistische film als Citizen Kane ging nog om het ontrafelen van een mysterie en de zoektocht naar een grotere waarheid. Het gefragmenteerde, schizofrene karakter van de wereld in postmoderne films als Eternal Sunshine of the Spotless Mind of Vanilla Sky maakt dat onmogelijk.
Maar van die postmoderne cultuur ziet Harvey de laatste tijd weinig meer. ‘Op intellectueel vlak zijn de meeste mensen als het ware door het postmodernisme gegaan en er aan de andere kant weer uitgekomen. Ik zie op de universiteit minder nervositeit over totaliserende discoursen, ook bij studenten die veel doen met Foucault, Deleuze of Derrida. Maar op het vlak van architectuur en de stad zie ik niets meer wat duidt op een nieuwe manier van denken. Het is louter commercieel, bedoeld om de markt te bevredigen. Ik was onlangs zijdelings betrokken bij een tentoonstelling in het Museum of Modern Art. Het thema was de suburbanisering van de stad. Het ging letterlijk over het aanleggen van grasvelden rond stadscentra. En dat zou een antwoord zijn op het milieuvraagstuk! Ik heb niets tegen een park in het centrum van Chicago, maar het schudt niets op, het pacificeert. Er wordt nauwelijks nagedacht over de stad als een geheel. Ik denk niet dat het postmodernisme helemaal voorbij is, maar het is verdwaald geraakt op de markt, erin opgegaan. Misschien mis ik iets, maar ik zie niemand grote postmodernistische traktaten schrijven. Die mensen voeren gewoon leuke projectjes uit.’

Waar het postmodernisme haast vergeten lijkt, is het neoliberalisme alive and kicking. Wat niet wil zeggen dat er niets verandert. David Harvey: ‘In de Verenigde Staten heeft een verschuiving plaatsgevonden van neoliberalisme naar neoconservatisme. Ook iemand als Sarkozy in Frankrijk lijkt me daar een voorbeeld van. De autoritaire, nationalistische varianten van het neoliberalisme winnen dus aan kracht. Ze vertonen bovendien onderling steeds meer gelijkenis. Van China tot de VS groeien ze naar elkaar toe.’
Het is niet de eerste keer dat het neoliberalisme zijn autoritaire gezicht toont, meent Harvey. ‘Neem Chili. De Chileense burgerij werd in de jaren zeventig serieus bedreigd door de regering van Allende en wilde haar daarom omverwerpen. Een eigen economisch beleid had zij op dat moment niet. Nu was er aan de katholieke universiteit een groep professoren, getraind in het neoliberale denken aan de universiteit in Chicago onder Milton Friedman. De zakenmensen raakten met hen in gesprek en van het een kwam het ander. Maar het duurde nog twee jaar voordat Pinochet en de rest overtuigd waren van het neoliberale model. Aanvankelijk had een junta de leiding over de coup en de generaal van de luchtmacht was een keynesiaan. Enfin, vanaf 1975 probeerden ze het. Het neoliberalisme werkte zo’n zes jaar lang geweldig voor de elite. Toen stortte de boel in elkaar. Vanaf dat moment koos Chili voor een pragmatische koers, samengesteld uit die onderdelen van het neoliberale beleid die wel werkten. Thatchers pure neoliberale beleid, zoals zij dat uitvoerde tijdens haar eerste regeerperiode, was trouwens evenmin succesvol. Het was enkel vanwege de Falklandoorlog en het oplevende nationalisme dat ze werd herkozen. Daarna werd ook zij een pragmatische neoliberaal.’
Tussen de zuivere theorie van het neoliberalisme met zijn mooie ideeën over vrijheid, zoals voorgestaan door Friedman en Hayek, en de praktijk zit een wereld van verschil. Het reëel existerende neoliberalisme heeft volgens Harvey vooral tot doel een gunstig ondernemingsklimaat te creëren. ‘Bedrijven willen kunnen doen en laten wat ze willen, zonder bemoeienis van de staat. Tenzij het misgaat natuurlijk. In 1997 ging een groot Amerikaans hedgefonds, Long-Term Capital Management, bankroet. Op zo’n moment moet de staat de troep komen opruimen. De staat is dus niet verdwenen onder het neoliberalisme; hij is misschien wel belangrijker geworden.’ De opkomst van China is in dat opzicht een interessant voorbeeld. Harvey: ‘De Chinese regering vaardigt centraal een decreet uit, bijvoorbeeld over het toestaan van buitenlandse investeringen. Vervolgens kijkt ze rustig toe hoe de lokale overheden daarmee omgaan. De gemeenten buitelen over elkaar heen met voordeeltjes om de bedrijven binnen hun grenzen te halen. Zo creëer je concurrentie tussen gemeenten en internaliseer je competitie. Het is ook nog eens een vorm van trial and error. Die werkwijze heeft de afgelopen decennia een enorme dynamiek aan de Chinese economie gegeven. Het is een slimme manier om een gecentraliseerde organisatie te leiden: door te decentraliseren. Die filosofie, die je ook terugziet in de onderlinge concurrentie tussen de “creatieve” steden en bij veel moderne bedrijven die werken met projectgroepen, gaat terug tot in de jaren twintig. General Motors had financiële problemen, maar wist niet waar het verlies werd gemaakt en waar de winst. Dus organiseerde het management een gedecentraliseerde structuur om uit te vinden welk onderdeel geld verloor. De Chinezen doen hetzelfde op staatsniveau.’

Het levert China jaar in jaar uit mooie groeicijfers op. Maar zulke succesverhalen verhullen volgens Harvey dat het neoliberalisme enkel werkt op het gebied van herverdeling van rijkdom. Van arm naar rijk welteverstaan. Langdurige wereldwijde economische groei is sinds de jaren zeventig niet bereikt. David Harvey: ‘Natuurlijk, er is altijd wel ergens een land dat het op dit moment goed doet. In de jaren tachtig was het Japan. Alle andere landen dachten dat als ze Japanse productietechnieken zouden doorvoeren, het goed zou komen. In de jaren negentig, nadat de Japanse economie was ingestort, werden de VS het grote voorbeeld en kreeg je overal kopieën van Silicon Valley. En nu is het weer China.’
Die ‘oneven geografische ontwikkeling’, zoals Harvey het noemt, is van levensbelang voor de economie. ‘Dat mechanisme maakt ons wijs dat het kapitalisme werkt. Je kunt altijd ergens naar wijzen waar het goed gaat, ook al is het in het grootste deel van de wereld, in Afrika, Latijns-Amerika of delen van Azië, een grote rotzooi. Tijdens de crisis van de jaren dertig en in 1973 stortte alles op hetzelfde moment in. De laatste decennia zijn er ook grote financiële crises, bijvoorbeeld in Argentinië en die in Azië in 1997, maar het kapitaal kon telkens naar een veilige haven vluchten.’
Dat houdt een keer op, denkt Harvey. ‘Ik zie niet in hoe de financiële sector op de huidige wijze door kan gaan. Neem alle nieuwe speculatieve markten die sinds begin jaren negentig zijn geopend – in derivaten, toekomstige rente, verwachte wisselkoersen. Op die markten circuleerden het afgelopen jaar in totaal honderden biljoenen dollars. Als je het bruto binnenlands product van Canada, de VS, Europa, Japan en China bij elkaar optelt, kom je op iets van 32 biljoen dollar. Dat is toch idioot! Natuurlijk, bij zo’n vergelijking zijn allerlei kanttekeningen te maken. Maar het zijn fictieve markten en die kunnen uiteenspatten. Hedgefondsen zouden erop uit zijn risico’s te spreiden, maar ze lijken ze eerder op te stapelen.’

Vandaar de opmerking uit zijn mond dat de kapitalisten gebaat zouden zijn bij sociaal-democratie? Harvey, grinnikend: ‘Je moet begrijpen dat dit me politiek in een lastige positie brengt. Maar inderdaad, ik maak me zorgen over een grote crash. Het zullen niet de rijken zijn die dat het hardste voelen – in de jaren dertig sprongen er op Wall Street een paar uit het raam, maar voor de meesten ging het leven gewoon door. De getroffenen zijn de mensen die toch al op het randje zitten. Daartoe behoren op dit moment ook grote delen van de middenklasse, mensen zoals jij en ik. Ik ben dus niet iemand die zich in de handen wrijft over de naderende ineenstorting van het systeem. Sociaal-democratische maatregelen zouden de economie enigszins stabiliseren en in ieder geval een crisis zoals in de jaren dertig kunnen voorkomen. Maar linkse politiek moet er wat mij betreft om gaan een echt alternatief te vinden voor het kapitalisme.’
Die alternatieven lijken op dit moment ver weg. In een variatie op Richard Nixons ‘we are all Keynesians now’, schreef Harvey eerder dat we allemaal neoliberalen zijn geworden. ‘Het is wonderlijk hoe hardnekkig sommige denkwijzen zijn’, legt hij uit. ‘Het heeft iets weg van wat Foucault het fascisme in ons hoofd noemt. Neem de acceptatie van het idee van persoonlijke verantwoordelijkheid en de afkeer van iedere vorm van staatsbemoeienis. Tot op zekere hoogte heb ik daar begrip voor. De wijze waarop de staat vroeger in de levens van mensen intervenieerde, was zeer problematisch. Maar het huidige verzet tegen het neoliberalisme gaat er vaak van uit dat het overnemen van de staatsmacht in het geheel niet van belang is. Dat heeft mede te maken met de dominante positie van anarchistisch links binnen een beweging als die voor een andere globalisering. Het anarchisme is eigenlijk een overdreven versie van het postmodernisme. De anarchistische afkeer van de staat en zijn strategieën van gefragmenteerde actie passen keurig binnen het postmoderne verhaal dat we niet meer moeten nadenken over een alomvattend discours. Vanuit het oogpunt van de staatsmacht is dat prima. De oppositie laat de staat met rust en die kan rustig doorgaan met het scheppen van een gunstig ondernemingsklimaat. Ik snap dat niet. Zelfs de Zapatista’s, die in deze kringen als voorbeeld gelden, hebben een soort van staat gecreëerd, in ieder geval instituties. En hoe wil je de problemen rond klimaatopwarming aanpakken zonder iets wat op z’n minst lijkt op een staat?’
Naast zelfverkozen fragmentatie is er het probleem dat het verzet tegen het neoliberalisme daadwerkelijk plaatsvindt op heel verschillende gebieden, niet alleen geografisch maar ook thematisch. Te lang heeft links volgens Harvey enkel gekeken naar wat hij noemt ‘accumulatie door loonarbeid’, de klassieke fabrieksarbeiders in blauwe overal dus. Onder het neoliberalisme is een andere vorm van geld verdienen opgekomen. Of beter: terug van weggeweest. Het is wat Marx ‘primitieve accumulatie’ noemde – het door middel van roof, bedrog en geweld bij elkaar schrapen van de eerste centen door de opkomende klasse van kapitalisten. In plaats van iets wat definitief tot het verleden behoort, is die ‘accumulatie door onteigening’ een van de centrale kenmerken van het neoliberalisme, zo luidt de stelling van Harvey. En niet alleen in het Rusland van de oligarchen in de jaren negentig. ‘Het neoliberalisme verdient geld door boeren van hun grond te verjagen, door publieke eigendommen en kennis te patenteren, maar ook door de privatisering en afbraak van de gezondheidszorg, het onderwijs of het pensioenstelsel. Een belangrijk deel van het verzet tegen het neoliberalisme houdt zich daarmee bezig en niet met loonarbeid, zoals de vakbonden doen. Dat zijn gefragmenteerde gevechten. Ons collectieve probleem is hoe dat alles samen te laten gaan. En nee, dat gaat niet vanzelf, zoals veel mensen, bijvoorbeeld in de globaliseringsbeweging, wel eens lijken te denken.’