Het niets in het centrum

Met het millennium voor de deur is de woestenij weer volop aanwezig in het cultuurbeeld. Niet dat kunstenaars ooit hun belangstelling voor ascese, verlatenheid en loutering verloren hadden. Maar werken die daaruit voortkwamen, werden in lichtvoetiger tijden nauwelijks vertoond of besproken. Dat is nu anders, gezelschappen en podia zetten de woestijn weer op hun agenda.

De opera Moses und Aron van Arnold Schonberg, dezer dagen te zien in het Amsterdams Muziektheater, speelt zich vrijwel geheel af in de woestijn: het niemandsland tussen Azie en Afrika. Het decor weerspiegelt de geologische soberheid, als lege ruimte voor een volk op zoek naar de wet. Het enige leven is de beweging van dit volk zelf, een roerige massa die moet gaan geloven in zijn uitverkorenheid.
In de Exodus-interpretatie van Schonberg is de woestijn uiteraard geen hoofdpersoon. Dat is Mozes, wiens autoriteit en godgegeven taak tegen deze achtergrond goed duidelijk worden. Maar wanneer de godvruchtigheid wijkt, verdwijnt de woestijn niet; ze wordt zelfs het hoofdmotief. Als de wet is geloochend, blijft de leegte. Niet een leegte waar spirituele zuiverheid verworven kan worden, maar een waarde op zichzelf: de limiet van het bestaan. Niet de mens staat meer in het centrum, maar het niets. De woestijn was de vergeten marge van de schepping, nu de essentie.
Zoiets moet Edgar Varese in 1954 hebben gedacht bij het componeren van het stuk Deserts, een prachtige verzameling ‘georganiseerd geluid’. Zoals de woestijn elke anekdote door haar strengheid futiel maakt, zo is dit stuk vrij van harmonie, melodie en ritme. Hier klinkt alleen klank, ter gelegenheid van de matinee op de vrije zaterdag in het Concertgebouw mooi ten gehore gebracht door het Ensemble Modern, onder leiding van Peter Eotvos. Ondanks de afwezigheid van een verhaal is dit stuk toch enorm dramatisch.
Voor de oorlog werkte Varese aan het stuk Espace, een hoopvolle ode aan de wereldbroederschap. Met de naiviteit verdween ook de ruimte. Enige jaren later is dat die woeste leegte geworden. Varese zag zijn Deserts als een concertversie van een ooit te maken film. Daarin zou een opeenvolging van woestijnen worden vertoond: zand- en sneeuwvlakten, zeebodems, sterrennevels en melkwegen, en bovenal de woestijn van het innerlijk, de 'existentiele eenzaamheid’. Varese heeft deze film zelf nooit mogen zien. Vanaf 1993 heeft de Amerikaanse videokunstenaar Bill Viola dit werk op zich genomen.
Afgelopen zaterdag werd het resultaat getoond op een metershoog doek dat voor het orgel was gespannen. Viola heeft prachtige beelden gemaakt. Het lijkt wel of hij Vareses aanwijzingen letterlijk heeft genomen: vlakten, submarine glooiingen, vale lichten over terrains vagues. De oerbeelden worden afgewisseld met zeer vertraagde scenes van een man die in een sober vertrek de maaltijd gebruikt. De eenzame is in het wit gestoken; op tafel staat een karaf met helder water. Alles is puur en onschuldig, zo lijkt het. Aan het eind van de scene, die wordt getoond op de momenten dat het orkest zwijgt en de muziek geheel elektronisch is, springt de man in het water dat zich op de voorgrond blijkt te bevinden. Wat later helt de tafel, waarna alles valt. Close-ups van brekend glas.
Op enkele duidelijke momenten van synchronie na spreken de beelden en de klanken elk voor zichzelf. Als er niet zo'n duidelijke ondersteunende bedoeling bij de beelden bestond zou er sprake zijn van een parallel kunstwerk, dat brutaal de nabijheid van de inspiratiebron heeft opgezocht. Maar er ligt een duidelijke wens tot visueel commentaar aan Viola’s werk ten grondslag - en precies hier is er iets misgegaan. De beelden zijn zo sterk metaforisch dat ze bijna het karakter krijgen van ondertitels bij de klanken. Als een toelichting. Deserts van Varese wordt geinterpreteerd als een pleidooi voor de louterende kracht van de woestijn. Het water is te helder, het pak te wit, het vertrek te ascetisch. De woestijn van Viola is geen leegte maar juist een beeld van een soevereine ziel.