Het nietsche gevoel

Allemaal zijn ze ‘in Nietzsche’: de cultuurpessimist uit Groesbeek, de acht Tilburgse vrienden, de woordenvlooier uit Duitsland, de jungiaanse therapeut, de Amsterdamse studentenpastor en de gedreven promovendus. Op 14 oktober is het 150 jaar geleden dat Nietzsche werd geboren. En hij is nog lang niet dood.

NIETZSCHE LEEFT! De man die God dood verklaarde, leeft nu zelf al ruim een eeuw voort als een heidense halfgod, aanbeden en vereerd door tal van volgelingen. Voor hen is Nietzsche de grote troostbrenger in een wereld zonder waarden. Hij is een verlosser voor de vertwijfelden, een profeet voor de zoekenden, een bevrijder voor de gekluisterden; hij biedt vertroosting aan de verbitterden, kracht aan de eenzamen, hoop aan de radelozen en verlichting aan de ontgoochelden. Er is, zo blijkt uit een rondgang langs een keur van nietzscheanen, geen dode denker die mensen nog zo diep in hun ziel weet te raken als de ‘filosoof met de hamer’. En dat is geen wonder. Want de wereld die hij heeft voorspeld, is de wereld waarin we nu leven - een wereld waarin, geheel volgens het woord van de profeet, het nihilisme heeft gezegevierd. Een wereld waarin de mensen, van alle goden en geboden losgeraakt, zich tevreden stellen met de simpelste en goedkoopste genoegens. 'Ziet! Ik toon u de laatste mens’, laat Nietzsche zijn alter ego Zarathustra zeggen. 'De meest verachtelijke mens, de mens die zichzelf niet eens meer verachten kan.’ Het is een passage die door iedere nietzscheaan gekoesterd wordt als Gods woord door een ouderling.
'DE LAATSTE MENS, dat is echt de mens van deze tijd’, zegt Henk van Gelre op plechtstatige toon. 'Dat is de mens die nog maar door een ding wordt gedreven: steeds meer materieel genot. Het is de mens die alles wil hebben en kopen, dingen die nergens toe dienen, de mens die volledig in beslag wordt genomen door zijn natje en zijn droogje en nergens door verontrust wil worden. Diep en diep treurig allemaal.’
Van Gelre is de oudste nietzscheaan in deze galerij. Hij heeft een lange, bochtige weg naar Nietzsche afgelegd, een weg vol teleurstellingen en bittere ervaringen. Opgevoed met een hooggestemd geloof, ging hij na de oorlog theologie en politicologie studeren en kwam hij terecht in een kring van even diepe als duistere katholieke denkers. 'Onder invloed van mensen als Pieter van der Meer de Walcheren en Henri Bruning werd ik een zeer naief-idealistisch ingestelde katholiek. Ik vond dat je je geloof in de praktijk, in je leven moest waarmaken. Mijn hele drang was om goed te doen, om mensen te helpen.’
De omgang met de conservatief-katholieke kring rond Van der Meer de Walcheren heeft een smet op hem achtergelaten die hij, tot zijn verbittering, nooit is kwijtgeraakt. 'Er zijn mensen die menen dat ik zoniet een fascist, dan op z'n minst toch een verdediger ben van fascistische auteurs. In een boek van Adriaan Venema wordt Martin van Amerongen geciteerd, die beweert dat ik zo ongeveer de rechterhand geweest ben van Arnold Meijer van het Nationaal Front. Dat slaat nergens op: ik was vijftien jaar toen de oorlog afgelopen was! Maar ja, zo gaat dat hier in Nederland in het literaire wereldje. Ik heb Arnold Meijer heus wel eens gezien hoor, maar ik vond hem een onuitstaanbaar iemand.’
Van Gelre begon te schrijven voor allerlei tijdschriften en weekbladen en trad in dienst van De Gelderlander, waar hij een sfeer trof die heftig indruiste tegen wat hij nu zijn 'vrome idealisme’ noemt. 'Ik herinner me een pauselijke encycliek die integraal moest worden afgedrukt. Dat leidde tot veel gemor onder de redacteuren, die niet wilden dat hun stukken voor “die rotzooi” moesten wijken. Ik was daar heftig verontwaardigd over, zo naief was ik nog in die tijd.’
Hij las Nietzsche al toen hij zo'n vijfentwintig was en schreef enthousiaste stukken over hem in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Maar achteraf zegt hij dat hij er toen niets van begrepen heeft. 'Ik was er nog niet rijp voor. Voor elk boek dat je leest moet je eerst rijp zijn. En in het geval van Nietzsche werd ik dat pas veel later, nadat ik een reeks vreselijk choquerende ervaringen had opgedaan, met name op het gebied van het geloof, maar ook op dat van mijn werk. In het begin van de jaren tachtig werd ik, na een vervelende saneringsaffaire, bij De Gelderlander ontslagen. Toen ben ik opnieuw Nietzsche gaan lezen. Ik wilde de ware realiteit van het menselijke bestaan onder ogen zien, zonder camouflage en zonder facade. Ik wilde me niet langer laten belazeren, na zo veel jaren.’
Zijn Nietzsche-studie heeft inmiddels geleid tot drie kloeke boeken onder de titel Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving, uitgegeven door Ambo. Het eerste deel handelt, hoe kan het ook anders, over het geloof. 'Want voor mij staat bij Nietzsche het christendom centraal. Zijn analyse van de figuur van Jezus, zijn visie op het evangelie en op het jodendom - het was voor mij een openbaring die mij innerlijk helemaal omver wierp. Ik moet u eerlijk bekennen, ik ben er bijna aan onderdoor gegaan, aan Nietzsche. Het was voor mij een kwestie van kunnen leven of niet kunnen leven.’
Het onvermijdelijke gebeurde. 'Ik heb met het christendom volledig gebroken. Er is geen God, er is geen hiernamaals, dat is allemaal onzin. Natuurlijk, er is Jezus, die nog altijd een inspirerend voorbeeld kan zijn, maar dan moet je hem wel losmaken van alle evangelies en alle interpretaties. Zoals Nietzsche hem schildert, als iemand bij wie denken en leven niet te scheiden zijn, iemand die heel innerlijk is, die de totale liefde predikt en voorleeft, zo zie ik hem ook.’
Ziet hij zichzelf nu als een cultuurpessimist? 'Ja, ik zie het allemaal heel somber in. Ik bedoel, uiteindelijk is er met de teloorgang van het christendom heel veel verloren gegaan. Ondanks al het farizeisme dat eraan kleefde, ondanks alle tegenstrijdigheden en onmogelijkheden, bezat het christendom toch ook een groot stuk vormende waarde. Misschien moet je er wel zo in geleefd hebben als ik om dat te kunnen inzien. Het kweekte een karakter, het eiste iets van je, het bracht je ertoe jezelf iets op te leggen. Het gaf diepte en betekenis aan het leven. Dat is allemaal weg. Een enorm verlies.’
JE KUNT, ZOALS Van Gelre, helemaal 'door Nietzsche heen gaan’, hem diep persoonlijk ondergaan en er voor je eigen leven verstrekkende consequenties aan verbinden. Maar je kunt ook, te zamen met anderen, om Nietzsche heen gaan staan en hem aan alle kanten besnuffelen teneinde langzaam maar zeker wat dieper in hem door te dringen. Dat doet een achttal Tilburgse vrienden, dat nu al twee jaar lang eens in de veertien dagen bijeenkomt om met elkaar teksten van Nietzsche te bespreken. Ze zijn zelfs gezamenlijk langs alle belangrijke plaatsen gereisd waar Nietzsche heeft geleefd en gewerkt. Van zijn nietige geboorteplaatsje Rocken tot het ooit zo deftige Weimar, waar hij onder de hoede van zijn malicieuze zuster Elisabeth zijn laatste, krankzinnige jaren sleet. Met daar tussendoor uiteraard de bergen van Sils-Maria, die de denker op de even diepe als ongrijpbare gedachte van 'de eeuwige wederkeer van hetzelfde’ brachten. 'Ooit heeft Nietzsche overwogen die eeuwige wederkeer te verwerpen’, zo weet een van de acht te vertellen. 'Dat was omdat hij de gedachte dat die teringzuster van hem nog eens zou terugkeren onverdraaglijk vond.’
Nietzsche was niet de eerste liefde van de vriendenclub. Voor hem bestudeerden ze Freud. In een cafe in Wenen besloten ze toen op Nietzsche over te stappen. 'Ter inleiding lazen we Ecce homo, en daarna begonnen we gewoon van voren af aan’, vertelt een van hen. 'Zelf was ik ooit al eens in Also sprach Zarathustra begonnen, en toen wist ik het: van die man kom ik nooit meer af. Waarom? Dat is niet te omschrijven. Anderen hebben geprobeerd mij van hem te weerhouden; ze noemden hem een rare romanticus en wezen me op zijn associatie met het nationaal-socialisme. Maar ik was ervan overtuigd: hier worden dingen gezegd die heel belangrijk zijn. In de inleiding van Zarathustra, in die passage over de laatste mens, daar vond ik kernachtig uitgedrukt wat ik zelf al ergens aanvoelde.’
De bijeenkomst op een vrijdagavond in een Tilburgse rijtjeswoning is genoeglijk. De vrienden, vijf heren en drie dames, allen academisch gevormd, zitten rond de blank geschuurde tafel waarop Nietzsches Morgenrood prijkt. Met ontspannen aandacht lezen en bespreken ze aforisme na aforisme. Nietzsche blijkt voor hen in de eerste plaats een cultuurfilosoof te zijn, wiens gedachten over het verval van de westerse beschaving worden gewogen op de schaal van hun eigen kennis en kritiek. 'Wat hij hier zegt over de Griekse architectuur, dat die zo helder en licht was, dat klopt helemaal niet. In werkelijkheid waren hun tempels en gebouwen bont beschilderd!’
Dat het gezelschap ook drie dames omvat, mag bevreemden. Nietzsche staat immers bekend als een geharnaste macho-denker, die een veelheid van vrouwonvriendelijke uitlatingen op zijn naam heeft staan. Het deert de dames niet. 'Ik vind hem juist heel vrouwelijk, kijk maar naar de associatieve manier waarop hij met de ideeen van anderen omgaat’, vindt de een. De ander vindt hem vooral 'aandoenlijk en o zo eenzaaam, terwijl hij toch eigenlijk een heel normaal leven wilde leiden, met een geliefde en zo’. En de derde is vooral getroffen door zijn opvattingen over liefde en vriendschap. 'Ik heb zijn brievenboek gelezen en daarin viel me op hoeveel aandacht hij heeft voor de mensen in zijn omgeving en hoe zorgvuldig hij met hen omgaat.’
De vrienden bewonderen Nietzsche, maar dweperij is hun vreemd. Er gaan zelfs sarcastische relativeringen over tafel. 'Nietzsche schrijft: mensen die niet drie kwart van de dag voor zichzelf hebben, zijn slaven. Ja hallo, denk ik dan, hij heeft makkelijk praten. Hij was WAO'er en had dus alle tijd om na te denken. Maar wij moeten voor vrouw en kind en premie-A- woning zorgen. We zouden ook wel zo veel tijd willen hebben als hij, maar als wij in de WAO zitten, moeten we bonsaiboompjes kweken en loempia’s vouwen.’ Ja, er wordt veel gelachen op zo'n avond. 'Je hoort nooit eens iemand over de humor van Nietzsche, maar wij liggen hier soms dijenkletsend rond de tafel.’
Wat het lezen van Nietzsche zo spannend maakt, meent een der vrienden, is dat je voortdurend in het ongewisse bent over wat er uiteindelijk uit te voorschijn komt kruipen. 'Is dat het rijke, gevende, verzorgende individu of is dat het blonde beest? Ik weet het niet. Geen van de commentaren die ik tot nu toe heb gelezen, heeft me ervan weten te overtuigen dat dat het blonde beest moet zijn. Er zijn genoeg passages waaruit blijkt dat hij solidariteit en meegevoel toch niet helemaal afwijst. Zijn denken betekent voor mij bepaald niet het bankroet van alle christelijke waarden.’
'HET BLONDE BEEST, dat is ook zo'n uitdrukking die een heel eigen leven is gaan leiden, een leven waarvoor je bezwaarlijk Nietzsche zelf verantwoordelijk kunt stellen. Door de nazi’s werd de SA'er Reinhard Heydrich het blonde beest genoemd, maar het valt zeer te betwijfelen of ze daarbij Nietzsche in hun achterhoofd hadden.’
Gerd Schank, medewerker bedrijfscommunicatie aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, is in zijn vrije tijd Nietzsche-vorser. Om precies te zijn: hij is bezig met een minutieus onderzoek naar de taal van Nietzsche, die hij woord voor woord onder de loep neemt teneinde er de betekenis van te achterhalen die de filosoof zelf in zijn hoofd moet hebben gehad en die in veel gevallen sterk afwijkt van de betekenis die tegenwoordige lezers er aan toekennen. Het monnikenwerk - Schank verlaat zich niet op de computer, hij heeft tienduizend fiches met de hand volgeschreven - moet uiteindelijk uitmonden in een glossarium, waarin van ieder woord wordt uitgelegd wat het bij Nietzsche precies betekent.
'Nee’, zegt Schank, 'het wordt niet zo'n glossarium als er ook voor het werk van Kant en Hegel bestaat, waarin bij ieder woord alleen maar de verwijsplaatsen staan vermeld. In ieder lemma van mijn glossarium wordt ook de context genoemd waarin het voorkomt. Plus een uitgebreide semantische toelichting met verwijzingen naar andere auteurs die het woord ook gebruikten. Verder bevatten de lemma’s ook de verschillende interpretaties die later aan het betreffende woord gegeven zijn. En er zijn lemma’s waarin ik woorden samenbreng die ongeveer hetzelfde betekenen en die ik dan in een semantische matrix uiteenrafel. Bijvoorbeeld de woorden “Volk”, “Pobel”, “Masse” en “Menge”. Het woord “Pobel” - “gepeupel” - heeft tegenwoordig een neerbuigende klank. Maar Nietzsche gebruikte dat woord in dezelfde betekenis als Goethe, die het reserveerde voor de revolutionaire massa’s van de Franse revolutie. Echt, dat soort dingen beseffen mensen niet wanneer ze Nietzsche lezen.’
Schank is geen filosoof. Hij werd in 1977 als sociolinguist uit Freiburg naar Nederland gehaald. Pas hier leerde hij het werk van Nietzsche kennen. Dat kwam door het proefschrift van Paul van Tongeren, de man die algemeen wordt beschouwd als de grootste Nietzsche- kenner hier te lande en die nu ook nauw met Schank samenwerkt aan het glossarium. 'Het proefschrift van Van Tongeren maakte me attent op de dialogische aspecten in het werk van Nietzsche. Voordien had ik altijd gemeend dat filosofie een kwestie was van het bouwen van systemen zonder logische tegenspraken. Maar bij Nietzsche stikte het van de tegenspraken. Die ben ik toen gespreksanalytisch gaan onderzoeken. Dan blijkt al snel dat je er telkens goed op moet letten wie er in de tekst aan het woord is. Er is bijvoorbeeld een beroemde passage die begint met: “Ik ging uit wandelen.” Wie is die ik? Op een gegeven moment blijkt dat dat niet Nietzsche zelf is, maar Dionysus. Een eindje verderop treedt vervolgens ineens Ariadne op, die met Dionysus in gesprek raakt. Pas als je duidelijk maakt dat het in die tekst om meerdere personen gaat, verdwijnen de tegenstellingen, dan blijkt het gewoon over meerdere mensen met meerdere meningen te gaan.’
Dat dialogische karakter van Nietzsches teksten, of met een wat postmoderner woord: de 'polyfonie’ ervan, is volgens Schank ook precies datgene wat iedere verbintenis met het nationaal-socialisme uitsluit. 'Je kunt Nietzsche onmogelijk in verband brengen met een totalitaire filosofie. Dan heb je er niets van begrepen. Vergelijk het werk van Nietzsche maar eens met Thomas Manns Betrachtungen eines Unpolitischen. Daar staan dingen in als “Kultur ist deutsch”, “das Deutsche ist die Kultur” - zulke zinnen zul je bij Nietzsche nergens aantreffen. Daarom verbaas ik me er altijd over waarom Nietzsche wel en Thomas Mann niet in verband wordt gebracht met het nationaal-socialisme. In de Betrachtungen staan dingen waarvan je je afvraagt: hoe is het mogelijk, is dat nu Thomas Mann? Ongelooflijk.’
Ten behoeve van zijn glossarium grossiert Schank ook in oude uitgaven van Nietzsches werk en in vroege commentaren erop. Dat stelde hem bijvoorbeeld in staat een antwoord te vinden op een nijpende vraag: waar en in welke zin spreekt Nietzsche over de Untermensch, het tegendeel van zijn beroemde Ubermensch? Welk glossarium, welke index hij er ook op nasloeg, wie hij er ook naar vroeg, niets of niemand kon hem vertellen waar Nietzsche dat zo vaak aan hem toegedichte woord gebruikt heeft. 'Ik begon me echt af te vragen: waarom wordt dat woord gemeden, welke merkwaardige ideologische reden heeft dat? Toen heb ik in een artikel uit het begin van deze eeuw eindelijk een verwijzing gevonden. Het woord “Untermensch” bleek gewoon in Frohliche Wissenschaft te staan, in aforisme nummer 143. Als je die passage opslaat, blijkt dat Nietzsche er een voorstadium van de mensen mee bedoelde, mensen die evolutionair gesproken nog geen mensen zijn, en dus niet, zoals meestal wordt gedacht, mensen die op de een of andere manier minderwaardig zijn. En dat terwijl je het woord “Untermenschen” wel in die neerbuigende betekenis tegenkomt bij Theodor Herzl, de grondlegger van het zionisme! Dat soort dingen dus.’
'IK HEB JARENLANG dagelijks in Nietzsche gelezen. In die tijd werd ik soms midden in de nacht wakker met het idee: dat is het, dat is wat hij daar bedoelt! Ik zat er echt tot over mijn oren in. Ik heb een doctoraalscriptie van honderdvijftig pagina’s geschreven over twee van zijn aforismen, die te zamen niet meer dan een A-viertje vulden. Ik heb hem helemaal tot me genomen en hem in mijn ruggegraat opgeslagen, zoals er trouwens ook nog anderen in mijn ruggegraat zitten - Jung bijvoorbeeld.’
Cyril Vink noemt zich 'filosofisch therapeut’. Hij is afgestudeerd in de psychologie en in de wijsbegeerte. Hij voert een 'filosofische praktijk’, zowel aan huis in Nijmegen als in de statige woning van zijn moeder in een kalme Amersfoortse villawijk. 'Consult op afspraak’, meldt de telefoongids. 'Wat ik doe is eigenlijk gewoon psychotherapie, maar dan met een speciaal oog voor het levensbeschouwelijke kader van mijn clienten. Want het is vaak niet een of ander trauma maar juist dat kader dat de problemen veroorzaakt.’
Psychotherapie en Nietzsche, dat lijkt met elkaar in tegenspraak, want Nietzsche had geen hoge dunk van empathie, wat toch een eerste vereiste is voor een therapeut. 'Nee hoor, hij heeft niet empathie bestreden, maar medelijden. Medelijden is voor hem een teken van zwakte: meehuilen met de ander. In plaats van mede-lijden zag hij liever mede-vreugde: iemand die het moeilijk heeft je vreugde geven - en daar is wel degelijk empathie voor nodig. En neem Zarathustra, die voortdurend op zoek is naar zielsverwanten - dat is ook een vorm van empathie. Zarathustra kun je gerust zien als een therapeut. Al moet je daar direct bij opmerken dat hij een onderscheid maakt tussen mensen die nog te redden zijn en mensen die gerust naar de knoppen mogen gaan, de overbodigen, de veel-te-velen. Daar haak ik af. Want in tegenstelling tot Nietzsche meen ik dat het vermogen om jezelf te verwerkelijken universeel is, dat het meegegeven is met je mens- zijn, dat iedereen een positieve kern heeft.’
Vink gebruikt Nietzsche in zijn filosofische consulten om mensen te verlossen uit de kluisters van enerzijds de christelijke moraal en anderzijds de moderne oppervlakkigheid van het leven. Maar dat is nog niet alles. De filosoof die van zichzelf zei: 'Ik ben dynamiet!’, levert niet alleen springstof om kluisters op te blazen, hij biedt volgens Vink ook een bruikbaar therapeutisch ideaal. 'Centraal in zijn filosofie staat het streven naar zelfverwerkelijking: de mens moet boven zichzelf uitstijgen, hij heeft meer in zijn mars dan er op dit moment uitkomt, hij heeft meer diepten en meer bergtoppen. Zijn nachtmerrie is dat de toppen en dalen uit het leven verdwijnen, dat alleen de kleine vreugden en de kleine verdrietigheden overblijven. Alles moet gemakkelijk gaan, hard werken staat niet meer hoog aangeschreven. Mensen lezen liever de Prive dan een goed boek en eten liever junkfood dan een maaltijd die met aandacht en zorg is toebereid. Jawel, we leven in de tijd van de laatste mensen over wie hij het in de voorrede van Zarathustra heeft.’
Vink ziet een sterke verwantschap tussen Nietzsche en het boeddhisme. 'Ik heb daar een paar artikelen over geschreven. Ook in het boeddhisme gaat het om hogere vormen van mens- zijn.’ En hij ziet een zonodig nog sterkere verwantschap tussen Nietzsche en de psychoanalyticus Carl Gustav Jung. 'Er zijn onlangs van Jung werkcolleges uitgegeven, waarin hij een diepgaand psychologisch commentaar levert op Nietzsches Zarathustra.’
Wanneer gaf hij die colleges?
'In de tweede helft van de jaren dertig.’
Was Jung toen niet een beetje fout? En Nietzsche door toedoen van zijn zuster ook?
'Nou, Nietzsche is inmiddels wat dat betreft wel voldoende gerehabiliteerd, die vervalsing door zijn zus is inmiddels grondig aan de kaak gesteld. En dat met Jung, dat valt eigenlijk ook wel mee.’
Het blijkt helemaal niet mee te vallen. Nietzsches Also sprach Zarathustra, zo legde Jung zijn arische studenten uit, 'is een uiterst modern werkstuk, dat alles te maken heeft met wat er nu in de wereld gebeurt. Het biedt ons een blik in de huidige werking van het onbewuste en laat ons de grondslagen zien van de grote politieke en historische gebeurtenissen die we dezer dagen beleven.’
EEN 'LEESKRING Nietzsche’ onder de titel 'Voorbij goed en kwaad…’ - het is niet bepaald het eerste wat je zou verwachten op een studentenpastoraat. Maar voor Ton Honig, studentenpastor te Amsterdam, lijkt er niets vanzelfsprekender. 'Christendom en de vraag naar God zijn zo ongeveer de meest voorkomende thema’s bij Nietzsche. Ik ben onder theologen mensen tegengekomen die een heel christelijke interpretatie van Nietzsche geven, die vinden dat hij eigenlijk nooit echt los van God is gekomen, dat hij in diepste wezen een gelovige worstelaar is. Heus, je vindt waarschijnlijk nergens zoveel nietzscheanen als in de theologie.’
Honig moet van die pogingen om het onverenigbare te verenigen niets hebben. 'Ik vind het juist ontzettend spannend om Nietzsche en de theologie niet met elkaar in harmonie te brengen. Ik heb mijn eigen geloof en mijn eigen spiritualiteit, en daarnaast lees ik Nietzsche, die daar in veel opzichten recht tegen ingaat. Dat valt echt niet op een lijn te brengen. En van Nietzsche heb ik geleerd om in mijn denken, maar ook in mijn geloven, dingen die onverenigbaar lijken gewoon naast elkaar te laten bestaan. Soms denk ik zelfs dat ik geloof bij de gratie van het feit dat ik af en toe ook niet geloof.’
De weg naar Nietzsche liep voor Honig via de Franse denkers Foucault en Bataille. 'Met Foucault kwam ik in aanraking toen ik in de Bijlmerbajes werkte. Zijn analyse van het gevangeniswezen vond ik erg interessant, die zag ik ook direct in mijn werk terug. Bij Georges Bataille herkende ik het zoeken naar God en het spel dat hij speelt met de mystiek rond erotiek en dood. Van deze twee filosofen terug naar Nietzsche was uiteindelijk een erg voor de hand liggende stap, en ik moet zeggen: Nietzsche heeft onmiddellijk een enorme bres in mijn leven geslagen. Het meest werd ik getroffen door wat hij te vertellen had over Jezus en zijn kritiek op wat Paulus van Jezus heeft gemaakt. Ergens zegt Nietzsche dat als Jezus niet de twaalf apostelen maar Dostojevski als gezelschap had gehad, dan had de wereld er heel anders uitgezien. Dat vond ik een zeer verhelderend inzicht.’
Op de eerste avond meldt zich een tiental studenten aan voor de bijeenkomst in het fraaie pand aan het Amsterdamse Vondelpark. Studenten geschiedenis, milieukunde, klinische psychologie, geneeskunde, tropische landbouw, rechten - de belangstelling voor Nietzsche erkent geen grenzen tussen de academische disciplines. Desgevraagd zegt een groot aantal van hen door vrienden en bekenden nieuwsgierig te zijn gemaakt naar Nietzsche. De leeskring is voor hen de eerste echte kennismaking. Slechts een van hen, een bedrukt ogende klinisch psycholoog, blijkt reeds ingevoerd. 'Ik ben al een jaar of zes geinteresseerd in Nietzsche. Ik heb inmiddels een stuk of acht boeken van hem gelezen, maar ik weet niet of ik het allemaal begrepen heb. Ik vind hem vooral erg confronterend, maar tegelijk ook bevrijdend.’
Acht boeken, dat lijken er meer te zijn dan Jan Key heeft gelezen, de 'huisfilosoof’ van het studentenpastoraat die gevraagd is de tweewekelijkse bijeenkomsten telkens van een inleiding te voorzien. Op de eerste avond legt hij in een hermetisch betoog met veel donderende stemverheffingen en dreigende fluistertonen Nietzsches idee van de 'wil tot macht’ uit. 'Wil tot macht is overal. Wil tot macht, dat is: je niets aantrekken van wie of wat dan ook. Maar ook als je je wel iets aantrekt van iets of iemand, is dat een uiting van je wil tot macht, want dan probeer je alleen maar je wil tot macht beter te laten gedijen.’
Keys gespierde taal blijkt op veel weerstanden te stuiten. 'Ik heb grote moeite met Nietzsches wil tot macht’, zegt de jongen van de acht boeken. 'En ook met zijn bewondering voor Napoleon, een man die zijn hele leven in het teken stelde van de wil tot macht. Ik snap niet goed hoe Nietzsche zich met zo iemand kon vereenzelvigen.’ 'Maar die kun je ook niet met elkaar vereenzelvigen’, riposteert Key verontwaardigd. 'Dat is hetzelfde als Nietzsche verbinden met het denken van Hitler, dat is een verkrachting van zijn denken.’
Ongenadig dendert Key voort: 'Allemaal zijn we willen tot macht. Ja, ook jij bent wil tot macht, en dat betekent dat jij aan je trekken wilt komen en dat je niets anders wilt dan je macht uitbreiden. Alles, alles, alles is wil tot macht. Zelfs dat wat de slaaf doet kruipen, is wil tot macht.’
Wederom wordt het iemand te veel: 'Ik zou het woord “wil tot macht” eigenlijk het liefst meteen willen doorstrepen en willen vervangen door “behoefte aan macht”.’ Het voorstel vindt geen genade bij de inleider. 'Maar wil tot macht, daar zit een veel sterkere drang achter. Behoefte is een graadje minder, en een graadje minder kan niet bij Nietzsche.’ De sputteraar geeft niet op: 'Macht, dat klinkt zo zwaar, zo afstotend. Hoe zit het dan met al die behoeften aan mooie dingen, zoals behoefte aan affectie, behoefte aan frisse lucht?’ 'Allemaal wil tot macht’, zegt Key met zijn meest onheilspellende fluisterstem.
'NIETZSCHE IS EEN heel persoonlijk filosoof. Hij gebruikt de hele tijd het woordje “jij”, dat doet niemand anders in de filosofie. Daar was ik meteen in het begin al erg door gefascineerd. Het feit dat hij zich tot mij richtte, dat hij zei: je bent iemand in de wereld, dat was heel belangrijk voor me.’
Longinus J. Dohmen - 'zeg maar Joep’ - is adjunct-hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Binnenkort verschijnt van hem bij Kok Agora Nietzsche over de menselijke natuur, zijn proefschrift. 'In dat boek probeer ik erachter te komen wat er aan positiefs in Nietzsche zit, want hij heeft mijns inziens wel degelijk een idee van positieve vrijheid, ook al ligt er tegelijk veel determinisme in zijn filosofie besloten. Ik zie een krachtig emancipatoir element in Nietzsche: wees de stuurman van je eigen bestaan, je leven mag niet een pure toevalligheid lijken, je moet een bestaanskeuze maken. Maar tegelijk is voor hem het leven ook een kwestie van een dobbelsteen: je wordt geworpen. Die tegenspraak tussen vrijheid en determinisme, die ergerde en boeide me. Daar heb ik dus de afgelopen tien jaar mijn tanden in gezet.’
Ook Dohmen heeft een lange weg met Nietzsche afgelegd. 'Ik ben katholiek en socialistisch opgevoed. Van dat katholicisme had me al vrij snel zachtjes en zoetelijk losgemaakt, dus toen ik bij Nietzsche las over de dood van God, zei me dat niet zo veel. Voor mij betekende het alleen dat we alle houvast kwijt zijn, dat er geen waarheid meer is. Dus ook geen socialistische waarheid. Die norm van sociale rechtvaardigheid, zegt Nietzsche, heeft iets willekeurigs, ze is in wezen niet meer dan een van de vele manieren waarop je je leven kunt inrichten. In die kritiek ben ik met hem meegegaan. Maar ik had eerlijk gezegd toch al niet zo'n heftige socialistische illusie, dat was al een beetje waterverf.’
Was Dohmen dan al vroeg een nihilist? 'Ik was inderdaad al snel doordrongen van de absolute zinledigheid van het bestaan: er is geen waarheid, er is geen moraal. Mensen in mijn omgeving die nog wel allerlei idealen koesterden, kregen van mij onmiddellijk het mes op de keel. “Petersburgs nihilisme” noemt Nietzsche dat, met een knipoog naar Dostojevski. De actieve verdediging van de absolute zinloosheid. Maar Nietzsche ontmaskerde die Petersburgse nihilisten op een grandioze manier. Dat waren in zijn ogen lui die eigenlijk niets liever wilden dan dat God bestond. En omdat dat niet zo was, wilden ze alles en iedereen neerhalen. Ja, in het begin was ik beslist een romantische decadent.’
Denkt hij dat er zoiets bestaat als een 'Nietzsche-gevoel’? 'Dat denk ik wel ja. Voor mij is het Nietzsche-gevoel vooral verbonden met het appel dat in zijn werk besloten ligt. Hij spoort de mensen aan om het beste uit zichzelf naar boven te halen, om zichzelf te verwerkelijken, om een autonome, harmonieuze en tegelijk veelzijdige persoonlijkheid te ontwikkelen. Bij anderen zie ik echter vaak een heel pathetisch en dweperig Nietzsche-gevoel. Die vereenzelvigen zich met de man zelf, met zijn eenzame leven en zijn krankzinnigheid. Ik heb voor een gezelschap nietzscheanen wel eens een verhaal gehouden waarin ik beweerde dat Nietzsche, in tegenstelling tot wat de beroemde anekdote wil, in Turijn helemaal niet dat paard heeft omhelsd. Het gezelschap was onthutst. Je mocht hun die illusie niet afnemen, Nietzsche moet om de hals van dat paard zijn gevallen, de keiharde Nietzsche moet ergens een weke plek hebben gehad.’
'Hij is voor mij een filosoof, een denkmachine, en verder geen flauwekul’, antwoordt Joep Dohmen op de vraag of hij, naast zijn kennelijke bewondering voor de man, Nietzsche misschien ook nog gewoon sympathiek vindt. 'Anderen bewonderen hem vaak om zijn tragiek en zijn eenzaamheid. Maar dat was een zelfverkozen eenzaamheid. Hij was gewoon een vent die het in gezelschap niet lang uithield en die zo goed als nooit een vrouw heeft aangeraakt - op die ene na dan, Lou Salome, een rotwijf van jewelste.’
In de antwoorden van anderen op de vraag naar 'de mens Nietzsche’ duiken inderdaad om de haverklap de woorden tragiek en eenzaamheid op. 'Ik heb een enorme achting en eerbied voor hem’, bekent Henk van Gelre. 'Iemand die afgezonderd van de hele wereld, steeds meer vereenzamend, dat allemaal heeft doorleefd, dat vind ik geweldig, daar ontbreken mij de woorden voor. Tegelijk is hij ook een enorm tragische mens, die nooit enig geluk heeft gekend. Ergens schrijft hij dat hij jaloers is op mensen die op een menswaardige wijze weten te sterven. Zet dat eens naast de bejubeling van het leven zoals je die in zijn boeken tegenkomt, dan heb je daarmee zijn hele tragiek te pakken.’
Een van de Tilburgse vrienden ziet in hem vooral een 'angstige adelaar’. 'Zo luidt dan ook heel terecht de titel van een biografie over hem. Ik vind dat een sterk beeld. Dan zie ik hem zo zitten in dat badje bij zijn moeder. Of in het gesticht, waar hij zijn laarzen volzeek en zich met stront insmeerde. Daar zit verschrikkelijk veel tragiek in. Zijn hele leven heeft hij over hogere waarden geschreven en dan eindigt hij zo.’
'Wat mij vooral beindrukt’, zegt Gerd Schank, 'is zijn manier van leven. Heel anders dan die van academische intellectuelen, die veilig op hun kamer zitten en alle existentiele problemen uit de weg gaan. Nietzsche heeft zijn filosofie echt geleefd, dat opene, onzekere en veelvoudige komt ook in leven tot uiting. Daarom vind ik het heel prettig dat ik voor mijn monnikenwerk niet word betaald, dat helpt me er open en onbevangen tegenover te staan. Anders zou ik het gevoel krijgen in een bordeel te werken: daar moet je de liefde bedrijven, omdat je er nu eenmaal voor betaald krijgt.’