Een stad als pretpark

Het nieuwe Berlijn

Er is geen architect van wereldfaam of hij heeft in de bouwput aan de Potsdamer Platz wel zijn visitekaartje mogen afgeven. De gebouwen rond het plein zijn perfect en zelfverzekerd. En levenloos. Het Berlijn van de toekomst is een pretpark.

MIDDEN OP WAT eens de Leipzigerplatz was staat de Infobox, een soort uitvergrote bouwcontainer in een brutale brandweerkleur. Hij staat hoog op ranke stalen poten in de modder van wat een eeuwige bouwput leek te zijn. Hij oogt ongenaakbaar en nieuw, maar staat er toch alweer vijf jaar. In die periode hebben miljoenen mensen zich vanaf het dak van de futuristische informatiedoos staan vergapen aan het slachtveld van opgespoten zand, volgelopen betonnen kraters en een onafzienbaar leger van torenhoge bouwkranen. Zoveel brute functionaliteit bleek een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit te oefenen op pottenkijkers. Legioenen dagjesmensen, maar ook professionele fotografen, filmmakers en videasten hebben alle bouwstadia vanuit alle denkbare hoeken vastgelegd. Wat nog niet zo lang geleden het niemandsland aan weerszijden van de Berlijnse muur was, werd de meest gefilmde en gefotografeerde bouwplaats ter wereld.


Binnen in de Infobox staan de maquettes van de gebouwen die uit het reusachtige bouwmoeras omhooggetrokken moeten worden. En voor een deel al zijn getrokken, waarbij opvalt hoe wonderlijk veel die nieuwe gebouwen lijken op hun schaalmodellen. Even perfect, zelfverzekerd en levenloos. Geen architect van wereldfaam of hij heeft hier wel zijn visitekaartje mogen afgeven. Vele indrukwekkende visitekaartjes naast elkaar blijken een soort architectuurtentoonstelling op ware grootte op te leveren. Het leven in en om de gebouwen moet nog komen, al lijkt daar door alle gedetailleerde perfectie feitelijk weinig plaats voor te zijn.


Onlangs, tijdens het filmfestival van Berlijn, onderging een deel van de megalomane nieuwbouw zijn vuurdoop. Aan de Potsdamer Platz, op een steenworp afstand van de rode uitkijkdoos, is een taartpuntvormig complex aan gebouwen opgetrokken met een grote dichtheid aan bioscoopzalen. Een enorm musicalpaleis met een zaal als een sportstadion die ook geschikt is voor filmvertoningen, diverse bioscoopmultiplexen, een tweetal reusachtige Imax-theaters en dan ook nog de nieuwe vestiging van het filmmuseum, de filmacademie en de opvolger van het Arsenal-theater, het bekendste filmhuis van Europa. Een ware filmstad, maar waarom werden de festivalgangers hier niet heel erg vrolijk van? Wat is er mis met deze concrete filmkijkersutopie?


Het souvenirwinkeltje van de Infobox verkoopt naast honderden ansichtkaarten van het verdwenen, het kaalgeslagen en het nieuw gebouwde Berlijn opvallend veel prentbriefkaarten van Metropolis, de befaamde sciencefictionklassieker van Fritz Lang uit 1925. Kennelijk past dit onheilspellende toekomstvisioen van de moderne grote stad goed bij wat er nu in Berlijn is verrezen en binnenkort nog zal verrijzen. De uiterlijke overeenkomst is in ieder geval frappant. Als er ook inhoudelijke overeenkomsten zijn, dan is enige zorgelijkheid op zijn plaats.



OMDAT ALLES nog in aanbouw is, heeft ook de metro bouwproblemen. Na een paar dagen wordt de routine van het ritje naar de Potsdamer Platz onderbroken door de mededeling dat we vandaag niet meer verder gaan. Vanuit het bovengrondse U-bahn-station zie ik de inmiddels enigszins vertrouwde contouren van het Debis-Gelände — een bank met een parmantige kerktoren — op wat loopafstand lijkt. Ik laat de nadrukkelijke omroepberichten over alternatief vervoer voor wat ze zijn en ga ervan uit dat het lopend wel sneller zal gaan. Een rechte lijn naar de Debis-naald voert me langs een gestroomlijnde parkeergarage die is bekleed met dezelfde zandgele bepantsering die je ook veel aan de Alte Potsdamer Strasse ziet. Dat moet goed gaan. Het valt me op dat de hagelnieuwe garage in vol bedrijf is en ook volledig bezet is. Van de bestuurders van al die auto’s is geen spoor te bekennen, maar dat houdt me dan nog niet bezig. Ook valt me op hoe grondig en volledig het straatje langs de garage al is afgewerkt. Er groeien planten in de borders en er staan opvallend grote bomen.


Volgens een bordje moet ik de andere kant op, maar dat lijkt me een onnodige omweg. Ik sla de hoek om en kijk dan met stokkende adem in een peilloze diepte waar in de modder ver beneden zandspuiten rochelen. Als een fata morgana zweeft de bebouwing aan de Potsdamer Platz boven de bouwwoestijn. Ik begrijp plotseling wat Baudrillard met zijn simulacrum bedoelde. Het lijkt echt. Het lijkt zelfs vollediger, gedetailleerder, degelijker en doordachter dan echt, en juist daardoor kan het alleen maar schijn zijn. Een harde illusie. De totale kunstmatigheid. Nog voor de voltooiing zijn deze gebouwen zo volledig dat er niets meer aan te veranderen valt. Ze zijn gedoemd om altijd op hun maquette te blijven lijken.



HET FILMFESTIVAL van Berlijn is een traditionele en logge instelling. Sinds mensenheugenis heeft het zich in en rond het Zoo-Palast bij de Gedächtnis-Kirche afgespeeld. Rituelen veranderden er zelden of slechts heel langzaam. Tegenstribbelend en onder grote politieke druk is men onder dwang verhuisd naar de nieuwe locaties. Nu zegt men er blij mee te zijn. Het zou passend zijn om bij de vijftigste editie en in het jaar 2000 opnieuw en groots te beginnen. Er is natuurlijk ook geen weg terug. Er is met veel vertoon een nieuwe filmstad uit de grond gestampt en daar zal iedereen mee moeten leren leven. Bij de één gaat dat sneller dan bij de ander. Al na een paar dagen riepen vooral Amerikanen in hun mobiele telefoons dat de oude locatie (waar ook gewoon films werden vertoond) ‘dead’ was en je op de nieuwe plek moest zijn. De nieuwe plek waar het bovendien ‘clean’ was en waar de gebouwen waarschijnlijk erg leken op die van thuis.


Over de projectie en de zalen hoorde je niemand klagen. De multiplexbioscopen zijn state of the art: de schermen zijn onwaarschijnlijk groot, de zichtlijnen zijn zelfs met een basketballer voor je nog ideaal, het geluid is onovertroffen en het comfort van de stoelen is weldadig. Toch werd er geklaagd, want dat is eigen aan de natuur van professionele festivalbezoekers. In het begin was natuurlijk iedereen de weg kwijt, maar dat duurde niet lang, want in een architectuur zonder geheimen kun je slecht verdwalen. Toen begon men, al een beetje uitgekeken op al dat nieuwe, het oude nest te missen. De stamcafés waren niet meeverhuisd en aan de nieuwe, voorzover aanwezig, kleefde wel erg veel doelmatig winstbejag. In plekken om zomaar ergens neer te strijken was niet voorzien. Of er stond direct een vragende deftige ober voor je neus of een veiligheidsbeambte die je maande om door te lopen. Aan alles was gedacht, behalve aan de slenterende mens. In de nieuwe stad ben je of consument of zwerver. Tussenwegen worden afgesloten. De Berliner Zeitung publiceerde tegen het einde van het festival een omvattende reportage over de kleine en grote ongemakken van de bezoekers. Velen hadden hun toevlucht gezocht in de Arkaden, een stapeling van drie overdekte koopstraten, en zich verscholen onder de consumenten. Zwervers werden niet gesignaleerd.


De toekomststad van Fritz Lang is bepaald geen utopie. Onder de futuristische torenstad die wordt beheerst door een industriële potentaat bevindt zich een onderwereld waar apathische arbeiders zich afbeulen in helse machinekamers. De onderwereldwerkers krijgen het daglicht niet te zien, ook hun woningen bevinden zich onder de grond. Alleen al hierom kan een gelijkenis tussen Metropolis en de eilandstad aan de Potsdamer Platz slechts oppervlakkig zijn, maar waarom dringt hij zich aan die oppervlakte dan zo op? Deels wellicht omdat de hedendaagse architecten en de decorontwerpers van Lang zich hebben gebaseerd op dezelfde bronnen.


De decorbouwers wilden de indruk geven van een werkende stad in de toekomst en maakten daarom een overdreven versie van de toentertijd modernste stad ter wereld: New York. De makers van het masterplan voor de wijk bij de Potsdamer Platz vreesden voor steriliteit en al te zichtbare onmenselijkheid en imiteerden daarom de structuur van bestaande steden zoals het inmiddels bejaarde hart van New York. Het is ook een prikkelend idee om te veronderstellen dat de beroemde en klassieke decors van Metropolis de latere stadsontwerpers hebben beïnvloed. Ook een manier om een voorspelling te laten uitkomen.


Het Potsdamer-metropolis heeft overigens wel degelijk een levendige onderwereld. De gebouwen zijn onder de grond minstens zo groot als erboven. Vele bioscopen en winkels bevinden zich onder straatniveau en al het bezoek voor die kijk- en koopactiviteiten wordt verwerkt via gigantische ondergrondse parkeergarages. Er woont geen kip in dit gedeelte van de stad. Huizen zijn er niet en ze zijn ook nauwelijks gepland. In die zin is het een soort Disneyland. Mensen gaan er speciaal heen om te consumeren en om zich te laten vermaken en rijden ’s avonds weer terug naar hun bovengrondse onderwereld ver buiten het centrum. De stad van de toekomst is een pretpark.



OP HET BERLIJNSE vliegveld Tegel ontmoet ik de Nederlandse filmmaker Andras Hamelberg. Hij is een van de vele filmmakers die werden aangetrokken door de cinemagenieke kracht van de grootste aller bouwplaatsen. Al jaren werkt hij aan het project Prachtgleis waarbij de wording van een landschapsobject op de Potsdamer Platz dient als decor. Samen met spelers van het Griftheater reisde hij menigmaal af naar Berlijn om al improviserend op de bouwlocatie nieuwe scènes te draaien. En het einde is voorlopig nog niet in zicht. Door problemen met het boren van de metrobuis onder de landschapsarchitectuur in wording is de oplevering jaren uitgesteld. De bouwput blijkt grillig als de natuur te zijn. Hij geeft en neemt met een onvoorspelbare dynamiek.


De bouwplaats die een eigen leven lijkt te leiden was het uitgangspunt voor de Berlijnse cineast Uli Schüppel bij het maken van de film die eenvoudig Der Platz heet. Zijn film uit 1997 heeft alles in zich om een klassiek document te worden. Als straks boven al die borrelende afgronden ongenaakbare gebouwen staan, al die Eiffeltoren-achtige bouwkranen zijn gedemonteerd en al die gastarbeiders weer naar hun land van herkomst gestuurd, dan zal zijn muzikale zwart-witimpressie een bericht lijken van een andere planeet. Schüppel legde met veel gevoel voor de visuele en auditieve kracht van de locatie (het omgevingsgeluid werd door de componist FM Einheit tot muziek verwerkt) een uniek hier-en-nu vast.


Op zijn geluidsband vereeuwigde hij ook de stemmen van de arbeiders. Een ware Babylonische spraakverwarring. De arbeiders lijken uit alle landen behalve Duitsland te komen. Schüppel vroeg ze naar hun ideale plekje op de wereld. De beschrijvingen van idyllische vissersplaatsjes in Polen, moestuinen in Slovenië en oases in Marokko staan in groot contrast met de zwart-witbeelden van modderfonteinen, bunkerachtige fundamenten en robotachtige bouwmachines. Toch was Schüppel niet op zoek naar gemakkelijke lelijkheid. Een jaar later monteerde hij zelfs een korte remix van zijn film waarin de machinemuziek hoofdpersoon werd en de bouwplaatsbeelden louter om hun visuele kwaliteiten werden ingezet. Een loflied op de onvoltooide Platz.



HET IS NIET waarschijnlijk dat de voltooide bebouwing aan de Potsdamer Platz evenveel filmmakers zal prikkelen om het vast te leggen als de bouwplaats die eraan vooraf ging. Het is een perfect voltooide verzameling krachtpatsersarchitectuur die een soort kille bewondering afdwingt. Op zondagmiddag kun je op het overdekte binnenplein van het Sony-Center over de hoofden lopen. Wandelaars vergapen zich aan het spectaculaire dak van architect Jahn. Dat hij zich vanwege zijn Japanse bouwheren voor de vorm liet inspireren door de vulkanische berg Fuijama zal niet direct voor iedereen duidelijk zijn. De mensen staren ongelovig omhoog en vragen zich waarschijnlijk af waar al die architectonische uitsloverij voor nodig is. Maar ook in dit geval ligt in het stellen van de vraag het antwoord besloten: het dak wil vooral indruk maken en slaagt daar zonder enige twijfel in. Het publiek schuifelt eerbiedig verder zoals het ook bij duizenden in en uit het megalomane Imax-theater schuifelt. Platgeslagen door het torenhoge scherm met zijn bombarderende 3-D-effecten vervolgt het wonderlijk gelaten, als de onderwereldbewoners van Langs Metropolis, zijn weg naar de ondergrondse parkeerbunkers of de overdekte koopstraten.


De architectuur is hier feitelijk één grote toeschouwersverwerkingsmachine. Mensen stromen in en uit om er geweest te zijn zonder dat hun aanwezigheid de gebouwen tot leven brengt. Ze blijven decor. Onbedoeld is dat ook gebeurd met het in het gezichtsveld van de Potsdamer Platz liggende vernieuwde Rijksdaggebouw. De Reichtagskuppel van de Britse architect Norman Foster heeft zich ontwikkeld tot een toeristische trekpleister van de eerste orde. De bezoekers komen er niet om de Duitse democratie op de vingers te kijken, maar louter voor het spectaculaire gehalte van de architectuur zelf.


Het schijnt dat er stemmen zijn opgegaan om de als tijdelijk bedoelde rode Info-box te laten staan. Hij is populair geworden bij de dagjesmensen en de toeristenbureaus omdat hij ideaal functioneert binnen het fenomeen van de nieuwe stad als kijkspel. De verrekijkers op het dak van de kijkdoos zullen dus nog wel even blijven staan. De lenzen brengen je oog in oog met de bezoekers van de koepel op de Rijksdag, die op hun beurt naar de rode doos staan te kijken. We staan te kijk. Disney is overal.