Édouard Levé, Zelfportret, 2002. 10 x10 cm © Alexandre Levé Collection

Zelfmoord was vroeger niet alleen een schande, het was zelfs verboden – iets wat alles te maken had met religie. Zelfmoord werd gezien als een zonde, omdat men meende dat het menselijk lichaam eigendom was van God. Tot in de zeventiende eeuw beschouwde men zelfmoord als een groter misdrijf dan moord. De moordenaar doodde alleen een lichaam, de zelfmoordenaar lichaam én ziel: een dubbele moord.

Wie kiest voor de dood, probeert volgens de Oostenrijkse essayist Jean Améry te ontsnappen aan de logica van het leven. In zijn filosofische essay De hand aan zichzelf slaan omschrijft hij het als: ‘Het schallende “nee” op het schetterende, verpletterende echec van het bestaan.’ Twee jaar nadat zijn essay uitkwam, maakte Améry in 1978 een einde aan zijn leven.

De laatste tijd stapelen boeken over zelfmoord zich op (ik gebruik dat woord in plaats van zelfdoding, omdat de hier aangehaalde schrijvers dat ook doen). Vorig jaar werd de Nederlandse vertaling van Thomas Macho’s vijfhonderd pagina’s dikke Van wie is je leven? Cultuurgeschiedenis van de zelfdoding gepubliceerd. En alleen al dit jaar verschenen een herdruk van Henri Roorda’s Mijn zelfmoord, een vertaling van Yiyun Li’s roman Where Reasons End, een herziene editie van Jeroen Brouwers’ kloeke De laatste deur – waarin hij een kort hoofdstuk heeft toegevoegd over de vorig jaar overleden Naima El Bezaz – en de autobiografische vertelling One Friday in April: A Story of Suicide and Survival van Donald Antrim.

De Amerikaanse Antrim is op een vrijdag in april van plan om een einde aan zijn leven te maken. Hij bedenkt zich en gaat weer naar beneden. Niet veel later wordt hij opgenomen en hij ondergaat elektroconvulsietherapie (ect), op aanraden van nota bene David Foster Wallace – de cultschrijver die niet veel later zou sterven door eigen hand. Antrim stelt: ‘It’s illogical to think that the suicide wants to die. We say that we do, but do we?’ Mensen met zelfmoordgedachten verlangen niet naar de dood, ze willen dat de ellende die ze ervaren stopt. Vaak is de keuze voor de dood de minst weerzinwekkende optie. Denk aan iemand die vastzit in een brandend gebouw, schreef Wallace in zijn roman Infinite Jest: springen is eng, heel eng, maar net iets minder angstaanjagend dan levend verbranden.

Te midden van al die boeken en geschriften van schrijvers die eigenhandig hun leven beëindigden, is Zelfmoord van de Franse schrijver en fotograaf Édouard Levé een bijzondere tekst. Wat Levé onderscheidt van bijvoorbeeld Antrim en Yiyun Li is de hardheid: hij is wars van sentiment. Toch is hij niet kil of ongevoelig. Misschien zit die hardheid wel in de kalmte van de vertelling.

De ik-verteller verhaalt over de zelfmoord van zijn goede vriend, die hij direct aanspreekt. Zijn goede vriend zou met zijn vrouw gaan tennissen op een warme dag in augustus. Als ze buiten zijn, keert hij weer huiswaarts omdat hij zijn racket is vergeten. Hij loopt naar de kelder. ‘Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon’, schrijft Levé. Dan hoort ze een geweerschot.

Deze openingsalinea is karakteristiek. Van het banale maakt Levé iets tragisch: de vrouw die van de zon geniet terwijl haar man zichzelf doodt. De toon is bijna achteloos en laconiek, zonder de daad te bagatelliseren. Over de daad van zijn vriend zegt de verteller verderop: ‘Je zelfmoord is het belangrijkste statement van je leven, maar je zult er de vruchten niet van plukken.’

De vriend stopt met antide­pressiva; die zorgen slechts voor ‘vals geluk’

Zijn vriend was volgens de verteller niet zo somber als zijn dood doet vermoeden, maar ‘door de manier waarop je uit het leven bent gestapt, is je levensverhaal negatief herschreven. Wie je heeft gekend, bekijkt daardoor elk van je daden in het nieuwe licht van die laatste daad.’ Dat doet de verteller zelf ook. Door hem direct aan te spreken en zijn voorliefdes en eigenschappen op te sommen, lijkt het alsof hij zijn ongrijpbare vriend probeert vast te pinnen: jij was zus en zo en handelde vanwege dit en dat. En al die persoonlijke kenmerken zijn onlosmakelijk verbonden met zijn allesbepalende dood: ‘Je dood was je biografie.’

De vriend kampte met een zware depressie: ‘Je lijf maakte lawaai vanbinnen.’ De wanhopige pogingen om de agitatie te verdrijven zijn tevergeefs. Hij herkent zichzelf niet meer: ‘Je was vervreemd van jezelf, op het gevoelloze af ontspannen. Je onverschilligheid had je bang moeten maken, maar je onverschilligheid liet je onverschillig.’ Hij stopt met slikken van antidepressiva; die zorgen slechts voor ‘vals geluk’.

Zelfmoord is een ambigue tekst. Levé strooit geregeld met prikkelende paradoxale zinnen als: ‘Je zelfmoord was van een schandelijke schoonheid.’ En: ‘Je zelfmoord was een daad met averechts effect: vitaliteit met de eigen dood tot gevolg.’ Ook de karakterisering van de vriend is meerduidig. De verteller zegt dat hij een twijfelaar was, maar hij noemt hem ook ‘genadeloos’. In het begin beweert hij heel stellig: ‘Je hebt geen nee gezegd tegen het leven, maar ja tegen het onbekende, door te gokken dat áls er aan de overzijde iets bestond het altijd beter zou zijn dan hier.’ Terwijl de verteller aan het einde concludeert dat zijn vriend de rust van de dood verkoos boven ‘de smartelijk drukte van je leven’. Dit klinkt dan weer vooral als een echo van Amery’s schallende nee tegen het bestaan.

Zo ondubbelzinnig als de titel van Levé’s boek, zo lastig is het om dit boek te karakteriseren. Thomas Macho omschrijft het als ‘half roman, half essay of belijdenis’. Wat het ook is – misschien een aankondiging? – je kunt het boek onmogelijk los zien van Levé’s dood; een lot dat de schrijver gemeen heeft met zijn personage. In oktober 2007 leverde Levé het manuscript van Zelfmoord in bij zijn uitgever. Tien dagen later maakte hij een einde aan zijn leven. Het is dus niet vreemd dat Macho het boek ‘een soort zelfgesprek’ noemt.

Aan het einde van Zelfmoord komt de vriend toch nog aan het woord: hij blijkt een bundel drieregelige strofen te hebben geschreven. De strofen worden gekenmerkt door een syntactische herhaling:

Waken sloopt me
Slaap verstart me
Ontwaken pijnigt me

Ook de poëzie heeft het karakter van een opsomming. Door deze gelijkenis met het proza vormen de twee delen een geheel. Zelfmoord eindigt met de regels: ‘Somberheid volgt me/ De dood wacht me.’

Een einde dat doet denken aan de woorden van de Italiaanse schrijver Cesare Pavese, die negen dagen voor zijn zelfverkozen dood op 18 augustus 1950 in zijn dagboek schreef: ‘Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.’