Het nieuwe Midden-Oosten

Het «nieuwe Midden-Oosten» waar de regering-Bush de barensweeën van ziet, kan er wel eens heel anders uitzien dan verwacht. Met het vastlopende Israëlische offensief tekent zich een spookbeeld af van een regio waarin elk aspect van de neoconservatieve strategie spectaculair mislukt. En daar hoeft niemand blij om te zijn.

De strategie van Amerikaanse neoconservatieven voor het Midden-Oosten is een schitterende strategie. Ze streeft ernaar een regio – die nu tot ’s werelds armste, gewelddadigste, minst vrije en instabielste behoort – om te vormen tot een toonbeeld van voorspoed, vrijheid en geluk. Millenniumdoelen voor de regio zijn voor de ideologen van het Amerikaanse buitenlandse beleid te bescheiden: de armoede wat minder arm en de misère wat minder miserabel zijn voor Wolfowitz, Kristol en geestverwanten doelen waar de Verenigde Staten zich niet tevreden mee moeten stellen. De taak waar de neoconservatieven zich voor stellen is niet loos: het gaat in feite om het redden van een regio die door Arabische geleerden in het beruchte Arab Development Report 2002 werd beschreven als achterlopend in vrijheid, samenwerking, kennis en onderwijs, volksgezondheid, emancipatie, bestuur en economie. Een regio bovendien die wereldwijde politieke en religieuze betekenis heeft vanwege de heilige plaatsen die er liggen, die cruciaal is voor de wereldeconomie vanwege zijn enorme olievoorraad en die als katalysator van terrorisme belangrijk is voor de veiligheid in de wereld. Al deze problemen, van het niveau van de onvrije, arme dagloner tot het niveau van de mondiale veiligheid, worden in het neoconservatieve masterplan ten goede gekeerd.

Maar hoe mooi die ambitie ook is, de werkelijkheid leek er de afgelopen jaren niet eenvoudig naar te plooien. Zozeer zelfs dat zich deze zomer, met de omhoog vliegende dodentallen in Irak en het vastlopen van het Israëlische offensief tegen Hamas en Hezbollah, het spookbeeld begint af te tekenen voor de oogst van acht jaar Bush jr.: het volledige falen van alle aspecten van de Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten.

Die Amerikaanse Midden-Oosten-strategie onder George W. Bush kende vijf pijlers: 1. Het verspreiden van democratie, waardoor spanningen tussen landen zouden verminderen. 2. Door algemene verbetering van de kwaliteit van leven van de burgers in het Midden-Oosten het draagvlak voor terrorisme en anti-Amerikanisme verkleinen. 3. De veiligheid van Israël garanderen en het land tot voorbeeld maken voor de regio. 4. Het gevaar dat Irak vormde voor de regio en de VS wegnemen. 5. De democratische hervormingsbeweging in Iran helpen ten koste van de mullahs en de dreiging wegnemen die het land vormt voor de regio en de VS. Deze vijf pijlers van het Amerikaanse masterplan lijken allemaal te verbrokkelen.

Om te beginnen punt 1: het verspreiden van democratie en daarmee vrede en liberale waarden. Het eerste deel van de doelstelling is gelukt: in de periode dat Bush in het Witte Huis zetelde, is Irak een democratie geworden, hebben de eerste Palestijnse verkiezingen plaatsgevonden zonder de overheersende invloed van Arafat, en konden de Libanezen zonder sturing van Syrië naar de stembus. In Irak en Libanon was de democratisering direct resultaat van het beleid van de regering-Bush. Maar het tweede deel van de doelstelling bleek, in tegenstelling tot de neoconservatieve voorspelling, niet noodzakelijk verbonden aan de eerste: democratie in het Midden-Oosten brengt kennelijk niet automatisch vrede.

Dat is het simpelst vast te stellen in het geval van de Palestijnen. De verkiezingswinst van Hamas maakte bepaald geen einde aan de aanvallen met Kassam-raketten en de strijd met Israël is sindsdien alleen maar opgelaaid. En Kants theorie dat democratieën alleen ten strijde trekken uit zelfverdediging en dus nooit met elkaar in oorlog zullen raken – een hoeksteen van neoconservatief buitenlands beleid – wordt verder aangetast door de strijd in Libanon, waar Hezbollah op democratische wijze in de regering kwam. Irak is met niemand in oorlog, maar democratie heeft het land bepaald niet de richting op geduwd van de liberale rechtsstaat: de rechtsstaat bestaat er niet en de democratie heeft bijzonder onliberale sjiitische partijen aan de macht gebracht die niet de belangen van de VS maar van Iran dienen.

Wat de «democratische vredestheorie» betreft, voegt de huidige situatie interessante voorbeelden toe. De theorie hing altijd al in belangrijke mate af van de definitie van democratie en van inschikkelijkheid bij het weglaten van oorlogen die democratieën voerden tegen niet-democratieën of binnen de rijksgrenzen. Zo moeten Milosevic’ Servië en het Spanje van 1898 (oorlog met de VS) en Musharrafs Pakistan bij de niet-democratieën worden gerekend om de theorie staande te houden, hoorden voorbeeldige democratieën als de VS, Groot-Brittannië en Israël bij de landen die de meeste oorlogen voerden van de voorbije eeuw, en moeten oorlogen als de Algerijnse of onze eigen Politionele Acties niet als bewijs tegen democratieën worden aangevoerd. Maar met al die kanttekeningen erbij was er inderdaad geen oorlog tussen democratieën te noemen. Wie de oorlog in Libanon niet als eerste voorbeeld wil zien, bijvoorbeeld door het alleen als oorlog tussen Israël en Hezbollah te zien, past de theorie wel heel sterk aan bij het voorhanden zijnde voorbeeldmateriaal.

Dan punt 2: het verkleinen van de aantrekking van radicale stromingen door verbetering in de levensomstandigheden in de regio. Van grootschalig Amerikaans ontwikkelingswerk in het Midden-Oosten is geen sprake, in de eerste plaats vanwege de aandacht en middelen die de strijd in Irak en Afghanistan vergen. Maar de doelstelling kan inmiddels wel worden bijgesteld tot het terugschroeven van de weerzin tegen de VS tot het niveau van vóór het aantreden van George W. Bush: het grootste jaarlijkse onderzoek naar de meningen in de wereld over de VS, door het Pew Research Center, geven aan dat de supermacht de laatste jaren door steeds meer Arabieren wordt gehaat.

Dan punt 3: de veiligheid en voorbeeldfunctie van Israël. Het eerste deel van die doelstelling wordt ondergraven door het moeizame verloop van het Israëlische offensief in Libanon, dat op dit moment in de Arabische publieke opinie wordt gezien als een overwinning van Hezbollah. Dat Israël in Arabische ogen militair minder sterk is dan gedacht draagt op zichzelf al bij aan de onveiligheid van de Israëlische staat, ongeacht of die kwetsbaarheid werkelijk bestaat of niet. En de gewenste voorbeeldfunctie wordt in Zuid-Libanon net als de stellingen van Hezbollah kapot gebombardeerd. Hoezeer we het ook zouden willen, de intellectuelen die massaal de handen opeen krijgen door in de media van de regio te verkondigen dat Arabische staten het voorbeeld moeten volgen van dat misschien joodse, maar toch ook maar bijzonder rijke en krachtige Israël – het blijft een wensdroom.

Punt 4 betrof het wegnemen van het Iraakse gevaar voor de regio en de wereld. Maar aangezien we nu weten dat Irak geen massavernietigingswapens had, geen sturende hand in al-Qaeda en dat niets wees op verijdelde invasieplannen van Saddam, valt niet te ontkomen aan de conclusie dat Irak nu een groter veiligheidsprobleem vormt dan voor de invasie van 2003. Er sterven nu dagelijks soldaten uit westerse landen en tientallen Irakezen, terroristische groepen hebben er voet aan de grond, grote hoeveelheden wapens zijn in handen van allerhande strijdgroepen met zo’n 150.000 westerse soldaten in hun midden en de voortgaande strijd heeft een desastreus effect op het imago van de VS in het Midden-Oosten.

De laatste doelstelling betrof Iran, en ook hier lijkt het Amerikaanse scenario in zijn tegendeel te verkeren. De vanzelfsprekende beweging naar meer democratie die de VS in Iran verwachtten – de bevolking wordt immers steeds jonger en de islamitische revolutie is bij de Iraanse jongeren weinig populair – is niet alleen uitgebleven maar zelfs teruggedraaid. De hervormingsgezinde president Khatami heeft weinig blijvende resultaten kunnen boeken in de richtingenstrijd met de mullahs, en zijn opvolger Ahmadinejad is de klok stevig aan het terugdraaien.

Strategisch gaat het dit enger wordende Iran voor de wind. De grootste rivaal is weggebombardeerd uit Bagdad en in plaats daarvan zijn in het land van de erfvijand nu op Teheran gerichte sjiitische partijen aan de macht die half Irak liefst bij Iran trekken. De Grote Satan beteugelde en passant anti-Iraanse verzetsgroepen die vanuit Irak opereerden en zadelde zichzelf op met twee moeilijke militaire avonturen, waardoor de kans miniem lijkt dat de VS met de inzet van grondtroepen tegen Teheran een derde front zullen openen. En dat betekent dat de VS de ontwikkeling van een Iraans kernwapen uiteindelijk waarschijnlijk niet kunnen stoppen, want met slimme bombardementen alleen gaat dat volgens de meeste onafhankelijke experts niet.

Alle aandacht voor de oorlog in Libanon ten spijt voltrekt zich deze maand een in strategisch opzicht belangrijker steekspel in het Midden-Oosten: dat rond Irans kernwapenprogramma. Iran heeft vorige week eindelijk – vier jaar na het ontdekken van een geheim verrijkingsprogramma voor uranium – van de Veiligheidsraad te horen gekregen dat het met uraniumverrijking moet stoppen. Het ligt er dik bovenop dat koehandel bij de G8 aan de basis ligt van die resolutie en dat Israël afgerekend wil hebben met de Iraanse pion Hezbollah voordat de in het verschiet liggende crisis rond het Iraanse kernprogramma losbreekt.

Want dat is natuurlijk het «nieuwe Midden-Oosten» in de Amerikaanse optiek: Irak een democratie, Syrië uit Libanon, Hezbollah militair verslagen, Hamas verslagen, Iran met zachte of harde hand tot inkeer gebracht, totdat alle «steunpilaren van terrorisme» langzaam afbrokkelen. Daarom ook heeft Washington geen haast om in te grijpen in Libanon: Israël pakt een terreurgroep aan die wordt gesteund door Teheran, waarna een strategisch verzwakt en gewaarschuwd Iran de wereld zijn kernprogramma zal moeten uitleggen.

Het kan nog steeds slagen, dat utopische Midden-Oosten zoals de neoconservatieven het voor zich zien en waar geen Nederlander die bij zijn goede verstand is van zal hopen dat het er niet komt. Maar het is de afgelopen zes jaar in ieder geval duidelijk geworden dat de weg erheen niet zo recht en glad loopt als de regering-Bush hem kennelijk voor zich zag. En wellicht is dat nog veel te positief en heeft het huidige pad alleen verder weg gevoerd van dat vrije en voorspoedige Midden-Oosten dat met de val van de Taliban op de rails werd gezet. De voortekenen deze zomer zijn slecht.