Essay: Het algemeen belang raakt in de knel

Het nieuwe polderen

Nieuwe scheidslijnen laten zien hoe groot de belangenconflicten zijn in de Nederlandse samenleving. Maar wie hoedt het algemeen belang, nu het oude poldermodel in crisis verkeert?

Medium groene polderen

Veel Nederlanders nemen hun cultuur nogal vanzelfsprekend, maar in de ogen van buitenlanders die met ons moeten werken zijn wij maar een bijzonder land. Topman Spinetti van AirFrance-klm omschreef het laatst in Het Financieele Dagblad als volgt: ‘Als de baas in Frankrijk aan tafel zit met medewerkers, voert de baas het woord en luisteren de medewerkers. In Nederland is het eerder andersom.’ In hetzelfde interview zei Spinetti dat hij heus niet de enige is die dit is opgevallen. Een kennis, topman van Alitalia die lang voor Philips in Nederland heeft gewerkt, had hem iets vergelijkbaars voorgehouden. ‘Als er in Italië of Frankrijk tien personen voorstander zijn van optie A en twee van optie B, is de zaak snel beslist: optie A. Maar in Nederland zou urenlang worden vergaderd totdat de twee andersdenkenden overtuigd raakten dat optie A inderdaad beter is.’

Het is waar, Nederland heeft een egalitaire cultuur, gericht op het bereiken van consensus. We hebben er zelfs een eigen, onvertaalbare term voor: polderen. Nederland bestaat van oudsher uit een onafzienbare hoeveelheid clubs en clubjes, waarvan de voorlieden gewend waren om al vergaderend zaken te doen, waarna iedereen zich gebonden wist aan het resultaat. Zo werkte het al in Nederland toen in de ons omringende landen nog de keizers heersten die wij nooit hebben gekend. En het model is still going strong, getuige het jongste wandelgangenakkoord, waarin verschillende partijen met verschillende motieven, maar met erkenning van elkaars belangen tot een werkbare afspraak kwamen. Het is een poldervoorbeeld bij uitstek, de methode waarmee Nederland gewend is tot het algemeen belang te komen.

Dat laatste wordt tegenwoordig nog wel eens vergeten. Waarschijnlijk komt dat doordat het poldermodel er tegenwoordig zo slecht op staat. Het wordt geassocieerd met een vakbeweging op apegapen, een machteloze ser die zijn voorzitter verliest zonder dat er een opvolger klaarstaat, en met een werkgeversclub die haar belangen toch wel behartigd ziet. Polderen is synoniem geworden voor twee jaar moeizaam praten over een pensioenakkoord, dat vervolgens met één pennenstreek van tafel verdwijnt. Met zo veel onmacht associëren we ons niet graag. Daarbij komt dat er hoe dan ook minder draagvlak is voor de gedachte dat vakbonden en werkgevers zonder tussenkomst van de kiezer afspraken kunnen maken op allerlei terrein. Het riekt naar achterkamertjes, naar handjeklap, naar ons kent ons, ook al maakt men elkaar in de publiciteit de voorspelbare verwijten.

Het oude poldermodel beleeft een crisis van legitimiteit. Namens wie spreken die beroepsbestuurders eigenlijk? Het is mooi dat De Nieuwe Vakbeweging beter gaat luisteren naar haar eigen leden, maar hoe zit het met de macht die de vakbeweging uitoefent over die vele niet-leden? Deze kritiek beperkt zich niet tot de sociale partners, zij treft legio organisaties die het beleid in Nederland mede bepalen en bepaalden, al dan niet gefiat­teerd door hun leden. De anwb is er een voorbeeld van. Lange tijd ging deze bond door voor het zoveelste ministerie vanwege haar verregaande bemoeienis met het verkeers- en vervoersbeleid. Maar de tijden dat haar voorzitter namens twee miljoen leden een deal kon sluiten over de kilometerheffing liggen definitief achter ons. Het spreekt niet meer vanzelf dat de bond een bijdrage levert aan het algemeen belang.

Talloze maatschappelijke organisaties passen zich met pijn en moeite aan deze nieuwe omstandigheden aan. Achterkamertjes waarin voorlieden belangen uitruilden en deals sloten, maken plaats voor transparantie. Belangenverenigingen moeten hun waarde voor hun achterban permanent bewijzen. En dan nog blijft het de vraag of de burger zich gebonden voelt – en zo ja, voor hoe lang. Alom wordt dit beschouwd als winst voor de democratie. Maar stilzwijgend gaat er ook iets verloren. Want wie hoedt het algemeen belang, nu de gebruikelijke wegen waarlangs wij daar altijd kwamen verzanden en zelfs doodlopen? Raakt daarmee ook het algemeen belang zelf niet in de knel?

Het algemeen belang is een lastig begrip dat zich niet zomaar laat definiëren. Iedereen verstaat er iets anders onder, toch weten we allemaal wat ermee wordt bedoeld. Het algemeen belang valt misschien nog het best te omschrijven als de permanente zoektocht naar de manier waarop de samenleving als geheel maximaal functioneert. Die uitkomst is in ieders belang, maar dat vergt uitruil, aanpassing, belangenstrijd – en het resultaat is nooit af, want iedere partij kan steeds met beroep op het algemeen belang arrangementen ter discussie stellen. Dat alles bij elkaar noemen we polderen: steeds met elkaar in overleg gaan voor het beste resultaat. Er zijn mensen die daar niet in geloven, bijvoorbeeld omdat ze denken dat belangen zich niet steeds laten pacificeren, maar het is wel de manier waarop we in Nederland de publieke zaak gewoonlijk vormgeven.

Maar nu zit daar dus de klad in. Burgers laten zich niet meer vertegenwoordigen door allerhande organisaties die namens hen een akkoord bereiken. Als verklaring voor deze crisis in de representatie wordt vaak de individualisering aangevoerd. Het zuilentijdperk is voorbij, de democratisering is opgerukt en internet en sociale media stellen ons meer dan ooit in staat onze eigen weg te gaan en onze eigen, zelfverkozen groep te vormen. We kunnen meepraten, dan willen we dat ook. Loyaliteit spreekt niet vanzelf, en de vraag ‘what’s in it for me?’ weerklinkt al snel. Geduld en vertrouwen zijn schaarser geworden. Onder zulk gesternte is het een stuk moeilijker om namens een achterban te polderen.

Dat is allemaal waar, maar er is nog een andere belangrijke ontwikkeling die knaagt aan de representativiteit van georganiseerd Nederland: het ontstaan van nieuwe scheidslijnen. Ging het vroeger vooral over links tegen rechts of over confessioneel versus ongelovig, nu zetten andere contrasten de toon. Deze nieuwe tegenstellingen vinden aarzelend hun vertaling in de politiek, en nog trager in het maatschappelijk middenveld, maar ze worden wel oprecht beleefd. Ze spelen ook steeds nadrukkelijker op. Drie nieuwe scheidslijnen springen in het oog.

In de eerste – en voornaamste – plaats is er de groeiende kloof tussen hoger- en lager­opgeleiden. Er is de laatste jaren een schat aan onderzoeksgegevens vergaard die laat zien dat dit onderscheid niet alleen groot is geworden, maar ook bestendigd is geraakt. Hoogopgeleiden leven gemiddeld zeven jaar langer, ze genieten veel langer van een goede gezondheid, ze hebben gemiddeld een hoger inkomen en vooral zitten ze beter in hun vel: op de vraag of ze andere mensen vertrouwen antwoordt tachtig procent positief, tegen slechts veertig procent van de lageropgeleiden. Hoogopgeleiden bereiden hun kinderen beter voor op de citotoets, daardoor stromen deze disproportioneel door naar havo/vwo en daarna naar het hoger onderwijs. Daarmee is een ontwikkeling ontstaan die langzaam maar zeker op een klasse-onderscheid gaat lijken.

Hoogopgeleiden verkeren tegenwoordig voornamelijk onder elkaar, net als mensen die minder onderwijs hebben gevolgd. Voor de sociale omgeving maakt dat een belangrijk verschil. Zaten tijdens de verzuiling de zoon van de hoogleraar en de zoon van de schoenmaker nog bij elkaar in de kerk en kenden en groetten ze elkaar; de kans dat de dochter van de tandarts tennist met de dochter van de automonteur is buitengewoon klein. Ze treffen elkaar natuurlijk nog wel in het economisch verkeer, maar dat schept nog geen band. Zoals een – overigens GroenLinks stemmende – wetenschapper mij bekende: ‘Ik voel meer verwantschap met een collega-wetenschapper op een ander continent dan met mijn werkster in Amsterdam.’

Vroeger waakte de (burgerlijke) Nederlandse bovenlaag ervoor dat de maatschappelijke verschillen niet te groot en vooral te zichtbaar zouden worden, want dat paste niet in de egalitaire cultuur. Met de opkomst van de meritocratie is die manier van doen verdwenen. Succes geldt tegenwoordig als het resultaat van persoonlijke wilskracht en individueel talent. Dit leidt weliswaar tot verschil in status, maar in het meritocratisch ideaal kan iedereen met talent en inzet komen bovendrijven. De plaats waar je wieg staat is dus niet bepalend voor je maatschappelijke succes. Behalve dat in de praktijk kinderen van de nieuwe bovenlaag de grootstedelijke gymnasia bevolken en kinderen van laagopgeleide ouders massaal naar het vmbo gaan.

Deze ontwikkeling past niet goed bij het beeld dat Nederland altijd van zichzelf koesterde. Het is strijdig met ons egalitaire gemoed. Laagopgeleiden hekelen de dubbelhartigheid van een bovenlaag die weliswaar zegt gelijkheid na te streven, maar anders handelt. Sociologe Giselinde Kuipers denkt zelfs dat schaamte het motief is waarom hoogopgeleiden zich nauwelijks meer mengen met laagopgeleide landgenoten, zo zei ze in De Groene Amsterdammer. En ofschoon het bestaan van deze kloof met een schat aan materiaal kan worden geïllustreerd, is de politieke en vooral de maatschappelijke vertaling van dit fenomeen nog maar amper begonnen.

De belangentegenstelling tussen oud en jong is een tweede nieuwe scheidslijn in de samenleving. Hij trekt de laatste tijd flink de aandacht. Terwijl Geert Wilders het kabinet-Rutte opblaast omdat hij de inkomensachteruitgang voor 65-plussers niet voor zijn rekening wil nemen, steelt Sywert van Lienden de show met de G500, een beweging die een machtsgreep van jongeren moet bewerkstelligen. Het gevecht tussen de generaties gaat in eerste aanleg om het beslag op de publieke middelen: gaat het geld naar zorg of naar onderwijs, naar de huidige pensioen­uitkering of naar fondsvorming voor de toekomst? Maar geld is niet het enige twistpunt; jongeren bepleiten een andere manier van politiek bedrijven. Meer bevlogenheid, meer betrokkenheid, minder technocratie. Dat botst op de institutionele manier waarop oudere generaties geneigd zijn hun belangen veilig te stellen, en waarmee ze tot nu toe het pleit beslechtten. Daardoor vragen jongeren zich af of hun belangen wel voldoende doorklinken in het algemeen belang.

Dat laatste vraagt ook de groeiende groep van flexwerkers, contractanten en andersoortige outsiders. Zij geven vorm aan de derde nieuwe tegenstelling. Het huidige poldermodel is stilaan een stelsel voor insiders geworden. Het regelt een mooi pensioen voor wie lang bij dezelfde baas blijft en uitstekende ontslagbescherming voor wie in overheidsdienst werkt. Maar zijn dat inderdaad de zwakste partijen op de arbeidsmarkt? Het contrast tussen insiders en outsiders speelt steeds vaker op, niet alleen in sociaal-economische kwesties, maar op alle terreinen waar amateurs het vanzelfsprekende gezag van deskundigen betwisten. Insiders worden gedwongen hun normen te expliciteren: handelen ze nog in lijn met hun uitgangspunten, of heeft de procedurele gemakzucht de overhand gekregen?

Al deze nieuwe tegenstellingen hebben een belangrijke oorzaak gemeen. De gebruikers komen in opstand tegen de gebrekkige wederkerigheid. Het verzet tegen verhoging van de pensioenleeftijd komt van mensen die wel premie betalen, maar er gemiddeld zeven jaar korter van genieten omdat ze aantoonbaar minder lang leven. Bezwaar tegen het pensioensysteem komt van jongeren die vrezen dat zij de rekening gepresenteerd krijgen als straks blijkt dat de hogere rekenrente te optimistisch was. Draaideurcontractanten komen in opstand tegen hun ongelijke behandeling in vergelijking met mensen in vaste dienst. Het treft medewerkers aan de universiteit die jaren wachten op een vaste aanstelling, maar ook schoonmakers, beveiligers of alphahulpen, wier werk is verzelfstandigd, en die nu op uurbasis betaald krijgen, zonder zicht op een vast dienstverband. Ze ervaren dat ze wel mogen meebetalen aan de verzorgingsstaat, maar dat ze er niet zo veel voor terug krijgen. Solidariteit is voor hen een leeg begrip geworden, verloren gegaan in het ondoordringbare regelwoud dat onze verzorgingsstaat tegenwoordig is. Dit knaagt aan de impliciete belofte van het Nederlandse sociale contract. We waren toch dat egalitaire land, waar gelijkheid en consensus tot het dna behoren? Waar is dat dan gebleven?

Als het poldermodel al deze ongerijmdheden op zijn geweten heeft, kunnen we het misschien beter afschaffen, menen sommigen. Laat de Haagse politiek de problemen maar oplossen. We leven niet voor niets in een parlementaire democratie. Daar komen de nieuwe tegenstellingen het eerst en het meest duidelijk tot uiting – zie de opkomst van de sp, de pvv of de partij 50plus. De politiek legt tenminste democratisch verantwoording af, dat kun je van het middenveld niet zeggen. Het algemeen belang kan het best tot stand komen in de openbaarheid van de grote vergaderzaal aan het Binnenhof. Dat spreekt toch meer tot de verbeelding dan al dat ouderwetse gepolder?

Maar dan vergeten de critici dat de hedendaagse politiek er niet veel beter voor staat. De grootste politieke partij van het land – die ook nog groeit als kool – is de partij van de niet-stemmers. Bij de laatste Tweede- Kamerverkiezingen kwam in Amsterdam en Den Haag meer dan de helft van de kiezers niet opdagen. Volgens voorzitter Jacques Wallage van de Raad voor het Openbaar Bestuur brengt van de laagstopgeleiden slechts veertig procent zijn stem uit. De stem van de hoogopgeleiden klinkt aldus aanzienlijk luider aan het Binnenhof dan die van de onderkant.

Dat klopt met de beleving in de media. Politiek is hoogwaardig tijdverdrijf geworden, het betere amusement, dagelijks te aanschouwen bij Pauw & Witteman of De Wereld Draait Door. Het zijn niet de mensen met de minste scholing die naar deze programma’s kijken. De Haagse politiek vervult een belangrijke symboolfunctie; het debat draagt onmiskenbaar bij aan de zoektocht naar het algemeen belang, alleen al vanwege de openbare gedachtewisseling.

Maar de politiek is niet meer zo machtig als voorheen; hoogleraar politieke wetenschappen Remieg Aerts sprak in De Groene Amsterdammer zelfs van ‘het parlement als symbool van een verdeeld Nederland’. Daarmee erkende hij impliciet dat de feitelijke macht van Den Haag er niet groter op is geworden. In de laatste twintig jaar heeft politiek Den Haag naar ongeveer alle kanten invloed en uitvoerende macht afgestaan. Naar Europa, naar gemeenten en provincies, naar de vele op afstand gezette of geprivatiseerde (uitvoerings)organisaties. De overheid heeft niet meer de kracht die ze ooit had – en heeft net zomin vanzelfsprekend gezag als de polderclubs van weleer. Sterker, steeds meer mensen ervaren de overheid als een bureaucratische hinderpaal, niet als de uitvoeringsarm van een sturende politiek.

Daarmee is de Haagse politiek natuurlijk niet overbodig, net zomin als het polder­model. Maar het is wel hoog tijd dat de systemen zich aanpassen aan de vragen van nu. Wat is de toekomst van de wederkerigheid? Wat is houdbare solidariteit? Hoe bereiken we een gelijke afspiegeling van hoog- en laagopgeleid? En hoe ziet een eerlijke verdeling van de pro’s en con’s van een geglobaliseerde economie eruit?

Maar de belangrijke vragen gaan niet alleen over de inhoud van de verzorgingsstaat – er is ook een crisis van de vorm. Er moet lering worden getrokken uit de voortschrijdende democratisering. Mensen willen meepraten, ze willen zich betrokken weten, en ze willen ook begrijpen wat er gebeurt. Er is behoefte aan nieuwe vormen van deliberatie, die burgers daadwerkelijk betrekken bij reële afwegingen. Ik noem dat het nieuwe polderen, ofwel polderen 3.0.

Die vormen zijn ruim onderweg – er wordt in binnen- en buitenland mee geëxperimenteerd. Ze hebben een aantal karaktereigenschappen gemeen. Ze hanteren de menselijke maat, zodat het persoonlijk en overzichtelijk blijft. Ze sluiten aan bij de roep om de democratische ervaring, omdat ervaring beter beklijft als het gaat om het belang van democratie. Ze zoeken naar vormen om wederkerigheid zichtbaar te maken. En ze laten fel debat toe, als daar behoefte aan is. Want dat polderen altijd in harmonie plaatsvindt, en dat iedereen elkaar dan steeds de zin moet geven, is een gevaarlijk misverstand, dat nog stamt uit de tijd dat een voorhoede van bestuurders samen de zaakjes regelde. De nieuwe scheidslijnen in de samenleving laten zien dat belangenconflict wel degelijk bestaat en erkenning opeist.

Hedendaags polderen is onvermijdelijk, maar daarmee nog niet gemakkelijk. Praten en uitruilen is altijd lastiger dan het grote gelijk innemen aan deze of gene zijde. Maatschappelijke organisaties hebben nog een flinke weg te gaan als ze zich in deze richting willen omvormen. Toch is het doenlijk. Dat komt door onze Nederlandse traditie. Ook nu staan er bij de gezamenlijke Kamers van Koophandel maar liefst 250.000 verenigingen en stichtingen ingeschreven, als bewijs van onze verenigings- en polderdrang. We hebben nu eenmaal van oudsher de neiging er samen uit te willen komen, tot verbazing van menige buitenlandse ondernemer. Tijd om het te erkennen als een kracht, en niet als een zwakte.


Presentatie Polderen 3.0

Op vrijdag 18 mei wordt om 20.00 uur het boek Polderen 3.0 van Yvonne Zonderop gepresenteerd in Felix Meritis, Amsterdam. Andrée van Es (GroenLinks), Sywert van Lienden (G500), David Van Reybrouck (G1000) en Joeri van den Steenhoven (Young Foundation) zullen debatteren over hoe in de 21ste eeuw het algemeen belang en het poldermodel nieuwe vorm ­zouden kunnen krijgen. Gespreksleiding: Xandra Schutte, hoofd­redacteur van De Groene Amsterdammer.

Felix Meritis, Keizersgracht 324, Amsterdam

Toegang 5 euro. Voor reserveringen: www.felixmeritis.nl