Het nieuwe proletariaat van toezichthouders

De PvdA-fractie in de Tweede Kamer vroeg zich eind maart in een interne notitie wanhopig af wat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Jacob Kohnstamm in godsnaam aan het uitspoken was. Sinds zijn aantreden was er immers weinig meer vernomen van deze beminnelijke D66'er, die het voor de sociaal-democraten zo belangrijke grote-stedenbeleid deed.

Vorige week deed Kohnstamm eindelijk van zich spreken. Samen met de project- wethouders van de vier grote steden presenteerde hij een concept-convenant met plannen voor de somma van 1,4 miljard. Dat geld komt overigens hoofdzakelijk van het ministerie van Sociale Zaken (1,1 miljard) en wordt aangevuld door de ministeries van Economische Zaken, Justitie en Onderwijs. Dat geeft meteen ook Kohnstamms grootste probleem aan: hij moet overal hengelen om geld en vervolgens departementen zo ver krijgen dat ze hun regel- en bemoeizucht laten varen. Er zijn, zo leert de ervaring met onder andere sociale vernieuwing, maar weinig bewindslieden die daar de geschiedenisboeken mee halen.
Toch ligt de bottleneck dit keer vermoedelijk niet in Den Haag, maar in de grote steden zelf. De vraag is of de grote steden echt in staat zijn hun lot in eigen handen te nemen. De plannen die zij tot nu toe in Den Haag hebben ingeleverd, betreffen voornamelijk de zogenaamde ‘Melkert-banen’. Daarmee willen zij de komende jaren duizenden 'toezichthouders’ te werk stellen: langdurig werklozen die in de functie van stads-, flat-, plein- of plantsoenwachten de openbare ruimte bewaken. Daarmee vervullen ze de twee klassieke doelstellingen van het grote- stedenbeleid: de werkloosheid wordt aangepakt en de leefbaarheid en veiligheid worden verbeterd.
Of daarmee ook de beoogde sociale en economische verlevendiging van de steden wordt bereikt, is zeer de vraag. Hier wreekt zich de eenzijdigheid van de grootstedelijke overheden. Van oudsher zijn ze wel in staat om sociale voorzieningen in het leven te roepen en een economische-vestigingspolitiek te voeren, maar ze ontberen de kunde om een en ander te combineren met adequate maatschappelijke doelstellingen. Het gevolg is dat de nieuwe lokale toezichtseconomie geheel los komt te staan van de nieuwe stedelijke bedrijvigheid in de sfeer van dienstverlening en technologie. In feite wordt in de grote steden in toenemende mate een toezichthoudend proletariaat van kanslozen in het leven geroepen, dat tot taak heeft de bovenklasse van welgestelden te vrijwaren van de overlast die een nieuwe onderklasse van stedelijke buitenstaanders veroorzaakt.
Die ontwikkeling is wellicht grotendeels onvermijdelijk. Maar om daar nu het etiket van progressieve paarse politiek op te plakken, geeft te denken. Voor het verbinden van de economische en sociale sferen is veel meer politieke creativiteit vereist, die de grootstedelijke bestuurders voornamelijk zelf zullen moeten ontwikkelen. En aangezien de verantwoordelijke project-wethouders veelal van PvdA-huize zijn, ligt het lot van het grote-stedenbeleid misschien nog wel meer in handen van de sociaal-democraten dan van een ploeterende D66-staatssecretaris op Binnenlandse Zaken.