De te geoliede redacties

Het nieuws als show

Kranten zijn de afgelopen jaren steeds meer op elkaar gaan lijken. Het moet, net als bij praatprogramma’s op tv, persoonlijker en minder analytisch. Daar kunnen we over jeremiëren. We kunnen ook blij zijn dat niemand ons meer vertelt ‘hoe het zit’.

In 1963 verscheen er op de Nederlandse televisie voor het eerst iets wat leek op een anchorman. Willem (toen nog ‘O.’) Duys begon het maandelijkse praatprogramma Voor de vuist weg dat jarenlang populair zou blijven. Hijzelf was er de spil en het gezicht van; gasten kwamen en gingen. Berucht werden de uitzending met de man die ter verruiming van de geest een gaatje in zijn hoofd had geboord (midden jaren zestig) en het interview met de moeder van een verkracht meisje die volgens Duys veel te vergevingsgezind was. Het grootste deel van wat uitdrukkelijk een ‘show’ heette, werd gevuld met licht nieuws en optredens van artiesten – al wilde Joseph Luns, voor het leven benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken, ook wel eens aanschuiven. Luns gold in die jaren als Nederlands meest komische politicus.

De formule van Voor de vuist weg, een paar jaar later gevolgd door het iets serieuzere Mies en scène van Mies Bouwman, bleek een schot in de roos. Niet alleen omdat die twee programma’s jarenlang tot de best bekeken uitzendingen van de Nederlandse televisie behoorden. Maar ook omdat ze gaandeweg school hebben gemaakt in de televisiejournalistiek en nieuwsvoorziening.

Eén vast en betrouwbaar gezicht om je aan vast te klampen, en een hele stoet individuele gezichten om het nieuws een persoonlijk karakter te geven. Dat is vandaag de dag ook het karakter van Pauw Witteman, Knevel Van den Brink en De wereld draait door, bij de duizendste uitzending waarvan Duys vorig jaar eregast mocht zijn. Alleen werd het éne gezicht er soms twee. Ook dat was afgekeken van het Amerikaanse voorbeeld, waar zelfs nieuws­lezers het al sinds jaar en dag niet meer alleen mogen doen. En dus vormen P of K hun eigen variant op het janusgezicht waarmee politiekoppels van oudsher hun ondervragingstechnieken kracht bij zetten.

Want die gezichten, daar gaat het om. Zij geven het nieuws een persoonlijk aanzien, waarin abstracties plaats maken voor identificeerbare mensen. Aan redactionele kant krijgt het medium het mombakkes opgezet van Witteman of Knevel. En aan de persoonlijke kant krijgt het nieuws het gezicht van één specifieke betrokkene bij ramp, festiviteit of trend. En de politicus die aanschuift wordt van de weeromstuit een persoon als u of ik. Rutte en Samsom maakten hun aanvankelijke akkoord niet alleen bekend bij P in plaats van in de Kamer. Zij deden dat ook nog eens als twee leuke jongens die elkaar best mogen, meer dan als de staats­lieden die zij zouden moeten zijn.

Het format brengt die metamorfose vanzelf tot stand, dat is tenslotte niet voor niets geworteld in het entertainment van Willem Duys. Hoe effectief dat is, bewijst niet alleen dit soort tv-programma’s. Ook de dagbladen ontkomen er niet aan. Nieuws is al lang niet meer compleet wanneer daarbij niet een paar ‘gewone Nederlanders’ mogen toelichten hoe het hun leven beïnvloedt en wat zij daarvan vinden. En ook aan de kant van het medium heeft het anonieme gezag van de krant inmiddels een duidelijk gezicht gekregen. Hoofdredacteuren spreken zich uit in wekelijkse brieven aan de lezer, gaan het land in om deze te ontmoeten of schuiven op hun beurt aan bij P. Het officiële commentaar van de krant wordt overvleugeld door dat van columnisten, sprekend op eigen gezag en voorzien van identificeerbare pasfoto.

Dit zou het moment kunnen zijn om over al die ontwikkelingen een jeremiade aan te heffen. Redenen daarvoor zijn er te over. Kranten maken zich tot in hun formaat toe klein om de lezer zo veel mogelijk nabij te komen. Niet langer vallen zij hem lastig met brede analyses en vergezichten. In plaats daarvan mag hij zich spiegelen aan de commentaren van mensen in wie hij moeiteloos zichzelf kan herkennen: straat­interviews of favoriete columnisten. Een politicus wordt eerder beoordeeld op zijn persoonlijkheid of uiterlijk (lach, das, pumps, gezinsleven) dan op zijn visie. De zorgvuldige ontrafeling van een probleem maakt plaats voor een mening óver dat probleem. Het sonore geluid van de krant die een ‘meneer’ was wordt overstemd door een kakofonie van opinies waartussen de lezer kan uitzoeken wat hem het best bevalt.

Je kunt je afvragen hoe erg dat is. Wie ervan uitgaat dat een volwassen democratie het niet kan stellen zonder mondige burger zal over het verlies van een gezaghebbende mediastem niet erg treuren. De wereld biedt een chaotische aanblik en wanneer de krant daarvan de spiegel wil zijn, dan ligt het voor de hand dat hij ook de chaos van het maatschappelijk gekwetter reflecteert. Dat niemand meer dé waarheid in pacht heeft, wordt tenslotte door nog maar weinigen bestreden. Vreemd is het dan niet dat ook krant, radio en televisie zich aanpassen aan die wirwar zonder centrum of hemels baldakijn.

Zo zou een opgewekt postmodernisme elke zorg over de staat van de hedendaagse nieuwsmedia kunnen pareren. Laten wij eindelijk de hoop loslaten dat ooit nog iemand ons zou kunnen vertellen ‘hoe het zit’ en die ons ontslaat van de plicht om zelf na te denken. Dát soort autoriteitsgeloof hebben wij met ontzuiling, secularisering en emancipatie achter ons gelaten. Uit wiens naam pretendeert de ‘meneer’ die de krant zou zijn tenslotte nog te spreken? In het beste geval is hij een stem te midden van velen, in het slechtste een brulboei die misbruik maakt van de geprivilegieerde positie die hem in de schoot geworpen is.

Ik zou wensen dat het zo eenvoudig lag. Dat burgers inderdaad de mondige, lucide, nieuwsgierige, goedgeïnformeerde en onafhankelijke individuen zijn waarop de postmoderne samenleving prat gaat. In werkelijkheid hebben zij er veelal de tijd, de energie en soms ook de wil of het vermogen niet toe. Ik vrees dat dit post­modernisme op zijn beurt veel te idealistisch is en vergeet hoe graag de krantenlezer en tv-­kijker zich nog altijd laat leiden door wat hij leest of hoort. De keuze van krant of zender bepaalt hij zelf. Maar daarna laat hij zich graag bevestigen door een medium dat ‘zegt wat hij (lezer, kijker) denkt’, en antwoordt hij op de vraag wat hij dan zelf denkt maar al te makkelijk: ‘Nou, wat hij (de krant, columnist, televisiepresentator) zegt.’

Laten we niet te snel denken dat alleen het Telegraaf lezende en pvv stemmende deel van de bevolking zich tot zo’n komische cirkel­redenering laat verleiden. Ook de lezers van intellectuelere kranten kiezen voor NRC, Trouw of Nederlands Dagblad omdat ze daarin een visie hopen terug te vinden die hun aanstaat en hen helpt de wereld te begrijpen. Kritiek zullen ze af en toe ongetwijfeld hebben en soms zullen ze met een ingezonden brief protesteren. Maar de frequentie daarvan moet je net zo min overschatten als je het kritisch vermogen van de vermaledijde Telegraaf-lezer moet onderschatten.

In weerwil van alle emancipatie en zelfstandigheid van de burger is de krant dus nog altijd een ‘meneer’ van wie we verwachten te horen ‘hoe het zit’ en wiens mening we veelal als vanzelfsprekend tot de onze maken. De krant of het tv-programma weet dat ook van zijn kant heel goed. Zo opzichtig als De Telegraaf onlangs zijn gezag gebruikte om een regeringsprogramma nog vóór de parlementaire verdediging naar de prullenbak te verwijzen gaat het meestal niet. Maar ook Trouw schroomt niet in de keuzen van zijn berichtgeving nadrukkelijk te laten merken een voorstander te zijn van méér vrouwen op topposities. NRC Handelsblad legde niet alleen lofwaardig het misbruikschandaal in de katholieke kerk bloot, maar liet zich terloops ook verleiden tot een verkapte anti­papistische hetze.

Als opiniemakers spelen de media dus nog altijd een grote rol. Alleen heeft die opinie, voorheen gedragen door een anonieme ‘meneer’, nu een gezicht gekregen. De sterverslaggever, de presentator, de commentator of de hoofdredacteur spreekt de lezer aan van mens tot mens – en suggereert daarmee een vertrouwelijkheid die naadloos aansluit bij de steeds informelere verhoudingen in het maatschappelijk verkeer. De visie die hij uitdraagt hoeft er daardoor niet minder diepgravend op te worden.

Beperken we ons tot de kranten, dan moeten we immers constateren dat die, tegen alle pessimisme in, vandaag veel professioneler worden gemaakt dan enkele decennia terug. Het opleidingsniveau van de redacteuren ligt hoger, ze schrijven vlotter en gewiekster, de opmaak is efficiënter, het idee van wat een krant moet zijn is meer doordacht. Van een licht anarchistisch en nogal eens log en inefficiënt product werd de krant een soepele en prettig lezende verschijning, toegesneden op een lezer die als persoon wil worden erkend en tegelijk raad wil krijgen van een als vriend vermomde ‘meneer’.

Juist in die professionalisering schuilt echter de grootste paradox én het grootste gevaar van de huidige journalistiek. De individualisering die het nieuws, de lezer én de presentator of commentator een duidelijk herkenbaar gezicht heeft gegeven vereist op organisatorisch vlak een machinerie waarvan de afzonderlijke raderen elke individualiteit hebben moeten opgeven. Ooit heerste er op krantenredacties een onverwoestbare anarchie en rekenden afzonderlijke redacteuren het tot hun eer zich aan chefs en hoofdredactie zo weinig mogelijk gelegen te laten liggen. Daarmee heeft het professioneel bedrijfsrationalisme korte metten gemaakt. Kranten worden nu gemaakt volgens een top-down model dat vijftien, twintig jaar geleden ondenkbaar was geweest.

Redacties zijn geoliede machines geworden, ter wille van een product dat veel persoonlijker oogt dan ooit het geval was. Het resultaat daarvan is een krant die niet alleen soepel maar ook steeds gladder wordt – en daarin steeds meer gaat lijken op al die andere kranten die werken volgens hetzelfde procédé. De fotootjes boven en de herkenbare namen onder de gezichtsbepalende artikelen mogen verschillen, met de gestalte van de krant gebeurt nu hetzelfde als sinds een halve eeuw met auto’s is gebeurd. Beantwoordend aan dezelfde wetten (van veiligheid en aerodynamica bij de één, professionalisering en personalisering bij de ander) zijn ze steeds meer op elkaar gaan lijken.

Daarmee worden in beide gevallen pijnlijke ongelukken vermeden. Maar tegelijk verdwijnt ook iedere verrassing. En juist van het opzienbarende en ongehoorde moet een krant het hebben. Een nieuwe toon in een commentaar, een reportage waaraan niemand had gedacht, een lumineuze invalshoek: altijd zijn die te danken geweest aan redacteuren die de ruimte kregen om hun gang te gaan. Dat was riskant, want ongeleide projectielen zijn altijd gevaarlijk. Maar ze bezorgden een krant wel zijn meest briljante momenten – en gaven hem daarmee voor de lezers zijn meest dierbare, soms verfoeide, maar in ieder geval onmiskenbare karaktertrekken.

Willem Duys werd in de jaren zestig door het progressievere deel van de natie hartgrondig gehaat. Ook daar waren goede redenen voor. Maar de revolutie die zijn programma belichaamde verdient niet alleen herinnering omdat hij de eerste presentator was die een mediapersoonlijkheid werd. Hij was óók berucht omdat hij met soevereine flair de tv-wetten aan z’n laars durfde te lappen. Onbekommerd liet hij zijn programma uitlopen tot ver over de toegemeten tijd heen – eenmaal zelfs tot middernacht; het luidkeels gezongen Wilhelmus rond een haastig aangedragen radio leidde tot de zoveelste rel. Dat hoeft niet ieders smaak te zijn, maar léven bracht het wel. Een klein beetje ‘Duys’ als zand in een te soepele machine zou de (kranten)redacteur opnieuw moeten worden gegund. Aan te veel professionaliteit gaat een nieuws- en opiniemedium uiteindelijk óók ten onder.