H.J.A. Hofland

HET NIEUWS VAN DE PROVINCIE

De dag nadat het een jaar geleden was dat de tsunami zijn verwoestingen had aangericht, openden de Nederlandse ochtendbladen met het nieuws dat herdacht werd dat de tsunami een jaar geleden zijn verwoestingen had aangericht. Bij de NOS en RTL4 waren de herdenkingen, waarvoor verslaggevers naar de plaats van het onheil waren gestuurd, het voornaamste onderwerp. Een typisch voorbeeld van eigentijdse mondialisering. Met de modernste communicatie wordt het Nederlandse publiek herinnerd aan het grote leed aan de andere kant van de planeet, ziet hoe goed het geld is gebruikt dat toen ruimhartig op de rampengiro is gestort, en hoe het tropische vakantieparadijs er weer bovenop raakt. De wereld een dorp.

Omstreeks dezelfde tijd hadden kabinet en Tweede Kamer een moeilijk onderwerp, waarover ze het niet eens konden worden, in unieke eendrachtigheid voorlopig van de agenda weten te frommelen. Het uitzenden van ongeveer veertienhonderd soldaten naar Afghanistan. Eerst wilde het kabinet een besluit daartoe nemen. D66 en PvdA waren tegen. Het besluit zou door een «ruime kamermeerderheid» moeten worden gesteund. Of die er was zou in de stemming moeten blijken. Hierop ontstond verwarring. Het kabinet veranderde zijn besluit in een «voornemen». Op 30 december werd nadere behandeling uitgesteld. Als er niets tussen komt, zal de kwestie op 24 januari verder worden behandeld. Dan zal het nog niet gaan over de feitelijke uitzending maar over de procedure die daaraan vooraf moet gaan. Een zeer Nederlandse gang van zaken waarin de wereldpolitiek pas aan de orde kan komen via de dorpse ondoorgrondelijkheid van politiek Den Haag.

Mondialisering versus provincialisering. Er kan zich op aarde geen ramp voltrekken of de televisies van half acht en acht uur laten je een paar schokkende beelden zien, bij wijze van spreken. Om het nog wat schokkender, of «dynamischer, jonger, frisser, eigentijdser» te maken heeft de NOS een nieuw logo waarop je kunt zien hoe de slingerstenen en de pijlen van het woedend noodlot moeder Aarde treffen, terwijl op de achtergrond hard met de bekkens wordt geslagen. Nieuwe zorgverzekering veroorzaakt radeloosheid. Nederland heeft in 2005 drie minuten langer voor de televisie gezeten dan in 2004. Files zullen in 2006 nog langer worden. En dan het weerbericht, geïllustreerd met prachtige foto’s van het Uddelermeer en schapen in het besneeuwde weiland, met uitleg van de weervrouw/man.

Natuurlijk, er zijn wel programma’s waarin de verhouding tussen Nederland en de rest van de wereld aan de orde komt. In de journaals zien we een enkele keer een buitenlandse correspondent een paar minuten nadere uitleg geven. Maar in aanmerking genomen de vermogens die het in stand houden van dit internationale netwerk de betrokken omroepen kost, worden deze deskundigen hemeltergend ondergeëxploiteerd. Bovendien heeft de staatssecretaris voor omroepzaken een hekel aan het publieke bestel. Hoe je het ook wendt of keert, alle krachten dragen ertoe bij dat het publiek van de televisie verder provincialiseert. Van de gedrukte media zijn er nog een paar dag- en weekbladen die ernstig hun best doen de Nederlanders aan het verstand te brengen dat het buitenlandse nieuws niet alleen over spectaculaire rampen, grote feesten, voetballen en schaatsen gaat. Dat, vind ik, moeten ze tot hun laatste snik volhouden. Maar zichtbaar verliezen ze meer en meer de moed.

Terug naar Afghanistan, meer in het bijzonder de provincie Uruzgan, waar het nog gevaarlijker zou zijn dan in de rest van het land. Reden om onze soldaten thuis te houden. Daarover ging het hoofdzakelijk in het debat. De provinciale benadering deelt zich aan onze buitenlandse politiek mee. Want hoe triest en tragisch het ook mag zijn, een soldaat die naar een gevaarlijk gebied wordt uitgezonden, loopt altijd een groter gevaar, en een beroepssoldaat heeft, anders dan een dienstplichtige, dit risico bewust en vrijwillig aanvaard. Wie na het besluit van het kabinet op grond van een ruime kamermeerderheid naar Uruzgan zou worden gestuurd, zou zich niet over het vergrote levensgevaar kunnen beklagen. Dat zou in dit geval geen argument zijn.

Het gaat hier niet zozeer om het risico als wel om de vraag binnen welk groter verband dit zou worden genomen. Hoewel er in Afghanistan al Nederlandse F16’s en troepen uit andere Navo-landen zijn, en we er rekening mee houden dat die daar nuttig werk doen, blijven alle militairen tenslotte uitvoerders van de Amerikaanse buitenlandse politiek. En hoewel de Taliban in eerste aanleg verslagen waren en er verkiezingen zijn gehouden, een democratische regering op poten is gezet, heeft het beleid van Washington daarna niet tot de voortgaande stabilisering geleid. Integendeel. In Nederland weten we er niet genoeg van, evenmin als trouwens de rest van de bondgenoten. Maar er is een algemene lijn, een trend, en die gaat in Afghanistan steeds meer op die in Irak lijken. Het gaat geweldig in Irak, zegt president Bush. Hoe geweldig? Toen daar de oorlog begon, verwachtte Washington dat de Irakezen met het geld van hun olie zelf hun wederopbouw konden betalen. In dit op één na olierijkste land ter wereld heerst nu een oliecrisis.

Het is maar één van de symptomen van deze Amerikaanse buitenlandse politiek. Eerst zou het concept daarvan in een groot kamerdebat aan de orde moeten komen voor er überhaupt over een volgende uitzending van troepen kon worden gerept. Een zo groot mogelijk publiek moet erover kunnen meepraten. Het heeft er geen weet van. Dat is provincialisering.