Op naar een andere economie

Het nodeloze juk van de voltijds baan

Amerikanen kunnen met minder mensen meer produceren dan ooit tevoren. Dat is goed, zou je zeggen: het perfecte recept voor minder arbeid – en meer rust. Maar dat is niet wat de economische doctrine propageert. Dus: leve de nieuwe zelfredzaamheid.

‘We hebben nog steeds de beste arbeiders en boeren, entrepreneurs en ondernemingen, studenten en wetenschappers’, mag president Obama graag zeggen in zijn campagnespeeches. Zijn Republikeinse uitdager Mitt Romney verkondigt vergelijkbare stelligheden: ‘Onze arbeiders zijn de productiefste ter wereld, dus handel zou goed moeten zijn voor ons.’

Zo stellen Obama en Romney ondanks alle vijandige retoriek over en weer dezelfde economische diagnose: de Amerikaanse beroeps­bevolking is de productiefste ter wereld, dus zodra de wereldeconomie aantrekt zal het afgeslankte Amerikaanse bedrijfsleven automatisch weer mensen aannemen. Het enige wat nu moet gebeuren is dat men in Washington DC de juiste beleidsmaatregelen neemt om dit herstel te versnellen. De huidige situatie – structurele werkloosheid (boven de acht procent) en een almaar groeiende staatsschuld (bijna zestien biljoen dollar) – is immers niet houdbaar. Over wat dit beleid zou moeten zijn, verschillen Obama en Romney uiteraard van inzicht.

Volgens de Democraat Obama is onvoldoende vraag het grote probleem van de Amerikaanse economie. Zijn oplossing daarvoor is het handboek-Keynes: op korte termijn fiscale en monetaire stimulus, op lange termijn het bevorderen van vrijhandel en het creëren van voorwaarden voor economische groei – denk vooral aan innovatie en een eerlijkere verdeling van de welvaart. De Republikein Romney ziet liever dat de overheid zich juist terugtrekt. Hij bepleit derhalve belastingverlagingen en minder overheidsregulering, opdat de private sector voor iedereen meer welvaart kan creëren dankzij Amerika’s ongeëvenaarde arbeidsproductiviteit.

Beide zienswijzen ‘lijden aan fundamentele blindheid’, betoogt Michael Mandel, hoofd­econoom van het liberale Progressive Policy Institute in het februari-nummer van The Washington Monthly. De aanname waarop beide zienswijzen steunen, rammelt namelijk, zo stelt hij in zijn toepasselijk getitelde opiniestuk The Myth of American Productivity.

Het glorieuze verhaal van hoe de Amerikaanse economie tot werelddominantie kwam, wordt doorgaans verteld naar analogie van de evolutie van de Amerikaanse landbouwsector. Werkte voor de Tweede Wereldoorlog nog een kwart van de beroepsbevolking in de landbouw, nu is dit een kleine twee procent. ‘Dit banen­verlies wordt door economen niet als een tragedie gezien’, schrijft Mandel, ’maar als een schitterend Amerikaans succes.’ Immers, dankzij rappe technologische ontwikkelingen kon de productie dusdanig worden opgeschroefd dat voedsel betaalbaar werd voor alle lagen van de bevolking en landbouw een vooraanstaand exportproduct werd (meer dan 137 miljard dollar in 2011). Het banenverlies in de landbouw leidde tot hogere inkomens en een dito levensstandaard, hetgeen weer leidde tot meer werkgelegenheid elders in de economie.

Het probleem van dit verhaal, aldus Mandel, is niet dat het niet zou kloppen, maar dat het van toepassing wordt geacht op alle sectoren van de huidige Amerikaanse economie. Hij wijst bijvoorbeeld op de Harvard-econoom Greg Mankiw die in 2003, toen hij nog topadviseur was van president George W. Bush, de afname in productiebanen ‘een onafwendbaar gevolg van de toegenomen arbeidsproductiviteit’ noemde. Dit was geen probleem, want die trend ‘weerspiegelt wat we enkele generaties terug in de landbouw zagen’. In 2006 betoogde de University of Chicago-econoom Austan Goolsbee, destijds adviseur van (nog) senator Obama: ‘De daling van de werkgelegenheid in de productiesector is het gevolg van de stijgende arbeids­productiviteit in die sector.’ Geen probleem, want dat was ‘precies hetzelfde proces als de landbouw ooit doormaakte’.

De vergelijking tussen de huidige economie en de vooroorlogse landbouwsector is volgens Mandel om verschillende redenen kolder, maar lijkt door de officiële cijfers van het Bureau of Economic Analysis (bea) te worden bevestigd. Minder arbeiders produceren meer elektronica, vliegtuigonderdelen, medische apparatuur en chemicaliën dan ooit tevoren: volgens het bea was de Amerikaanse fabrieksproductie in 2010 zestien procent hoger dan in 2000. Voeg daarbij de gestegen werkloosheid en de bea komt tot een stijging van de arbeidsproductiviteit per arbeider van 74 procent. Dus zeggen economen en de politici die naar hen luisteren: ‘Ja, de fabrieken sluiten, maar geen zorgen, want we hebben de productiefste arbeiders ter wereld.’

De bea-statistieken kloppen echter van geen kant, waarschuwt Mandel: ze meten namelijk besparingen in het productieproces van Amerikaanse bedrijven alsof het om gestegen Amerikaanse arbeidsproductiviteit gaat. Maar deze besparingen worden voor een zeer groot deel buiten Amerika geboekt, in lagelonenlanden. Mandel: ‘De gestegen arbeidsproductiviteit in eigen land is aanzienlijk, maar valt vermoedelijk in het niet bij productiewinsten die worden geboekt dankzij global supply chain management. Beide verschijnen echter als productiviteitgroei in de bea-cijfers. Amerikaanse arbeiders hebben vaak niets met deze groei te maken.’

Apple, dat geen eigen productiefaciliteiten heeft, is volgens Mandel een goed voorbeeld van een bedrijf wiens enorme productiviteits­winsten de bea-cijfers vervuilen. Apple dankt zijn succes aan innovatieve productontwikkeling en keihard onderhandelen met toeleveranciers uit landen met opkomende economieën. Met toegenomen productiviteit van de Amerikaanse arbeider heeft het niet veel van doen.

Kortom, volgens Mandel stoelen de economische plannen van zowel Obama als Romney op verkeerde aannames. Om de Amerikaanse economie weer aan de praat te krijgen is het allereerst zaak om de juiste data te verzamelen. Mandel bepleit daarom dat per sector wordt gekeken hoe competitief de Amerikaanse arbeider is. ‘Economen zeggen bijvoorbeeld vaak dat de economie pas aantrekt als de consument weer gaat uitgeven’, schrijft hij. ‘Dat impliceert dat een nieuwe economische stimulus nodig is die de consument extra middelen geeft. Maar als de consument vervolgens voornamelijk geld uitgeeft aan kleding en elektronica’ – producten die bijna zonder uitzondering buiten Amerika worden geproduceerd – ‘dan stimuleert dat hoogstens de werkgelegenheid in andere landen.’

Mandel concludeert: ‘Een effectieve strategie voor het stimuleren van de werkgelegenheid in eigen land vereist dat we ons op de productiekant van de economie richten. Dat betekent het vergroten van onze productiecapaciteit, bijvoorbeeld door de infrastructuur te verbeteren en regelgeving te adopteren die het aantrekkelijker maakt voor bedrijven om in de Verenigde Staten te investeren en hier mensen aan te nemen.’

Zo stelt uiteindelijk ook Mandel arbeids­productiviteit in dienst van een hoger doel: volledige werkgelegenheid. Daarin verschilt hij dan weer niet van Obama en Romney, of van de heersende economische doctrine. Nu is dit streven naar volledige werkgelegenheid begrijpelijk, helemaal in een land met een minimaal sociaal vangnet als Amerika: veel van de ongeveer veertien miljoen werkloze Amerikanen zitten in serieuze problemen, waaruit schijnbaar alleen een baan hen kan redden. Maar het blijft, als je erover nadenkt, paradoxaal: proberen iedereen aan het werk te krijgen door te stimuleren dat voor hetzelfde werk steeds minder mensen nodig zijn – want dat is waartoe stijgende arbeidsproductiviteit in de regel leidt. Sterker, dat is zelfs de bedoeling van de (vooral digitale) technologieën die we ontwikkelen ter verbetering van de arbeidsproductiviteit.

Want hoe vertekend de bea-cijfers ook mogen zijn, feit is dat Amerikanen – en hetzelfde geldt voor de rest van de ontwikkelde wereld – met minder mensen meer kunnen maken en doen dan ooit tevoren. Vooral digitale technologie neemt mensen werk uit handen. De tol langs Amerikaanse wegen wordt al door computers geïnd en als het aan Google ligt zijn taxi­chauffeurs straks vervangen door zelfrijdende auto’s. Elk nieuw ontworpen computerprogramma kan iets wat voorheen door een mens werd gedaan – alleen doet de computer het sneller, beter en goedkoper.

Een van de laatste grote slachtoffers van deze ontwikkelingen is de U.S. Postal Service, zeg maar de Amerikaanse ptt. Dankzij de komst van e-mail verzenden mensen nu 22 procent minder post dan ze in 2007 deden, met als gevolg dat duizenden postkantoren in het land sluiten en honderdduizenden hun baan zullen verliezen. Dus roept Obama dat werkloosheid hét vraagstuk van het moment is.

De Amerikaanse denker Douglas Rushkoff waagt de wijsheid daarvan te betwijfelen. ‘Alsof de reden om een hogesnelheidstreinnetwerk te ontwikkelen of een brug te repareren is dat we mensen aan een baan moeten helpen’, schreef hij in een geruchtmakende column op cnn.com. ‘Ik durf het bijna niet te vragen’, vervolgde hij, ‘maar waarom is werkloosheid eigenlijk een probleem? Ik begrijp dat we allemaal een salaris willen – of in ieder geval geld. We willen voedsel, onderdak, kleding en alle dingen die we met geld kunnen kopen. Maar willen we werkelijk een baan?’

Het is een ongebruikelijke, maar daarom niet minder prikkelende vraag. ‘We leven in een economie waarin niet productiviteit, maar werkgelegenheid het doel is geworden’, schrijft Rushkoff. ‘Dat komt doordat we al nagenoeg alles hebben wat we nodig hebben. Amerika is productief genoeg om de hele bevolking te voorzien van voedsel, onderdak, onderwijs en gezondheidszorg, terwijl slechts een fractie van ons hoeft te werken.’

Kom dus bij Rushkoff niet aan met een voorstel als dat van Mandel om de productiecapaciteit van het land te vergroten. ‘Ons probleem is niet dat we niet genoeg spullen maken’, schrijft hij. ‘Het is dat we niet genoeg manieren hebben om mensen aan het werk te zetten zodat ze kunnen bewijzen dat ze die spullen verdienen.’

Het is goed om ons te realiseren dat een baan als concept relatief nieuw is, stelt Rushkoff. Mensen hebben weliswaar altijd gewerkt, maar tot aan de opkomst van bedrijven in de Renaissance werkten de meeste mensen voor zichzelf – als ambachtslieden, handelslui of boeren. Pas toen door regeringen gecharterde bedrijven de economie begonnen te domineren, werd werken ‘een baan nemen’.

Ook van de in Amerika gangbare term worker moet Rushkoff niets weten, ‘zoals we onszelf al lang niet meer beschouwen als slaven, lijfeigenen of edellieden, zo zouden we nu onszelf niet meer moeten zien als consumenten, managers of werkers; dat zijn termen uit het industriële tijdperk. Je bent geen werker, je bent een persoon.’

Nu nieuwe technologieën meer en meer mensen overbodig maken, vraagt Rushkoff zich af: hoe slecht is dat eigenlijk voor de mensen? Is dat sowieso niet waarvoor technologie bedoeld is? De vraag zou volgens Rushkoff niet moeten zijn hoe we manieren vinden om die mensen alsnog aan een baan te helpen, maar hoe we een maatschappij kunnen organiseren rondom iets anders dan volledige werkgelegenheid. ‘We proberen almaar de logica van een schaarse markt te gebruiken om te onderhandelen over dingen die we eigenlijk in overvloed hebben’, constateert hij. ‘Het ontbreekt ons niet aan werkgelegenheid, maar aan een manier om eerlijk de buit te verdelen die technologie ons heeft gebracht – en aan een manier om betekenis te scheppen in een wereld die al veel te veel spullen heeft geproduceerd.’

Rushkoffs antwoord op die vragen is er een dat ‘we ons voor het digitale tijdperk niet hadden kunnen voorstellen. We hoeven geen dingen meer te maken om geld te verdienen. In plaats daarvan kunnen we op informatie gebaseerde producten aan elkaar verkopen.’

In Rushkoffs ideale maatschappij zijn voedsel, onderdak, gezondheidszorg en onderwijs basisrechten. Het werk dat we doen – ‘de waarde die we creëren’ – is voor de dingen die het leven plezierig en betekenisvol maken. In zo’n maatschappij is werk ‘niet zozeer een baan als wel creatieve activiteit. We kunnen games voor elkaar maken, boeken schrijven, problemen oplossen en elkaar verlichten en inspireren zonder dat grote bedrijven eraan te pas komen.’

Rushkoffs digitale maatschappij doet wellicht wat utopisch aan. Dat geldt in mindere mate voor de ideeën van de Amerikaanse econoom en socioloog Juliet Schor, die in haar boek Plenitude: The New Economics of True Wealth (2010) pleit voor een ‘nieuwe economie’. Daarbij gaat ook zij uit van de vaststelling dat het gelijktijdig streven naar een grotere arbeidsproductiviteit en volledige werkgelegenheid paradoxaal – en dus onwenselijk – is. Ook wil ze af van het idee dat de Amerikaanse economie afhankelijk zou zijn van economische groei (gemeten als percentage van het binnenlands product – bnp).

Schor ziet drie grote vraagstukken in deze tijd, zo legt ze uit in een telefonisch interview: de ecologische gevarenzone waarin we ons bevinden, globale armoede, en ongelijkheid in het rijke Noorden. ‘De noodzaak om die drie problemen gelijktijdig op te lossen, opent ruimte voor een nieuw soort economie’, zegt Schor. ‘Hier in de VS zie ik een alternatieve route die werkloosheid en ecologische schade terugdringt zonder verdere groei van het bnp. Deze route versterkt het algehele welzijn, de kwaliteit van het dagelijks leven en de hechtheid van gemeenschappen. Het is overigens geen puur technologische oplossing, hoewel groene, schone technologieën er een belangrijk onderdeel van zijn.’ Het kerninzicht, vervolgt Schor – en hiermee komt ze opeens weer in de buurt van Rushkoff – ‘is de noodzaak om de wijze te transformeren waarop mensen hun tijd besteden’.

De nieuwe economie die Schor voor zich ziet, krijgt twee hoofdcomponenten. De eerste is het onttrekken van arbeid aan de formele economie, oftewel: mensen moeten minder gaan werken. De tweede is het uitbreiden van de lokale economie, onder meer via doe-het-zelf-productie en kleinschalige ondernemingsactiviteiten.

Tussen 1973 en 2006 zijn Amerikanen gemiddeld 204 uur per jaar meer gaan werken. Dat heeft tot een enorme groei van het bnp geleid, maar evengoed tot meer klimaatemissies en ecologische schade, constateert Schor. Bovendien leidt het vele werken tot stress, een onregelmatig gezinsleven, minder gemeenschapszin en minder maatschappelijk engagement. Maar er speelt nog iets anders: groei van het bnp is simpelweg niet meer in staat het verstoorde evenwicht op de Amerikaanse arbeidsmarkt te herstellen. ‘De VS moeten elf miljoen nieuwe banen creëren om terug te keren naar het niveau van voor de financiële crisis’, zegt Schor. ‘Zelfs bij een wel zeer optimistische economische groei van vier procent per jaar lukt dat niet. De oplossing ligt in vierdaagse werkweken, gedeelde banen en vervroegd pensioen.’

Minder werken vermindert ook de ecologische impact van de economie, betoogt Schor. ‘Huishoudens met veel vrije tijd kiezen in de regel voor vervoersvormen en consumptiepatronen die minder belastend zijn voor het milieu.’

Een ander belangrijk voordeel van korter werken is dat mensen hun nieuwe vrije tijd kunnen gebruiken om meer zelfvoorzienend te worden, wat in de volksmond do-it-yourself wordt genoemd. ‘Zo kunnen mensen hun consumptie opvoeren en tegelijkertijd hun afhankelijkheid van inkomen terugbrengen, vaardigheden leren en hun creativiteit uitleven.’

Verschillende vormen van do-it-yourself winnen sinds de crisis in de VS sterk aan populariteit, stelt Schor in haar onderzoek vast. ‘Voorbeelden zijn het verbouwen van eigen voedsel, veehouderij, bijen houden, eigen energie­voorziening, milieuvriendelijk bouwen, eigen kleren maken en andere ambachtelijke vaardigheden.’

Volgens de gangbare economische doctrine moeten mensen zich specialiseren in een bepaalde activiteit, daarmee hun geld verdienen op de arbeidsmarkt, waarmee ze vervolgens kopen wat ze nodig hebben of begeren. Schor gelooft daarentegen dat het uitbreiden van activiteiten en inkomensstromen de toekomst heeft. ‘In staat zijn om in het geval van een instortende markt of een ecologische catastrofe in de eigen behoeften te voorzien, is een slimme strategie. Nog slimmer is het om dat niet op individueel niveau maar op gemeenschapsniveau te doen.’

Deze nieuwe zelfredzaamheid wordt in combinatie met ‘medewerking’ en ‘samenwerking’ de basis voor de nieuwe economie. ‘Het _peer-to-peer-_productiemodel steunt niet, of in ieder geval niet alleen, op eigenbelang. Mensen worden niet alleen gemotiveerd door geld, maar ook door de behoefte zich nuttig te voelen, creatief te zijn en verbonden te zijn met anderen. Dergelijke behoeften worden niet noodzakelijkerwijs in een gewone baan in het bedrijfsleven of bij de overheid bevredigd.’

De verschuiving van arbeidsuren op de formele arbeidsmarkt naar het niveau van huishoudens en gemeenschappen is volgens Schor ook verstandig omdat de ‘economie van schaalvoordelen is veranderd. Automatisering en het internet hebben kleinschalige productie aanzienlijk efficiënter gemaakt, vooral als dit binnen een sterk netwerk gebeurt. De opkomst van de informatietechnologie heeft de kleine onderneming getransformeerd van een nostalgisch overblijfsel uit een romantisch verleden tot de slimme ondernemingsvorm van de 21ste eeuw.’