Interview met Theo Loevendie

Het noodlot overwonnen

Het Nederlands Blazers Ensemble vroeg componist Theo Loevendie om een requiem. Dat is Fatum niet geworden. De ironie van het lot wil dat het wel zijn requiem had kunnen zijn. Gelukkig kan hij het nog navertellen.

EEN WEEK VOOR de première van zijn nieuwste stuk, het als ‘een vrolijk requiem’ aangekondigde Fatum voor het Nederlands Blazers Ensemble, solisten, het koor van de Nederlandse Bachvereniging en het uit straatmuziekinstrumenten opgetrokken Orkest van de Straat, belandt Theo Loevendie (1930) met trombose en een longembolie in het ziekenhuis.
En alsof de duvel ermee speelt, is hij net herstellende van een zware griep. Onze afspraak kunnen we vergeten, meldt hij vrijdag vanaf zijn ziekbed aan de telefoon. ‘Het idiote is dat Bart Schneemann van het Nederlands Blazers Ensemble voor de grap zei: straks eindig je nog met een rollator. En wat gebeurt er? Ik lóóp nu achter een rollator.’ Veel erger: Fatum is niet af.
Terwijl hoboïst Schneemann als artistiek leider van het Nederlands Blazers Ensemble het hoofd naar vermogen koel houdt (opgewekt: ‘Die rollator komt op het podium’), wordt Loevendie net op tijd uit het ziekenhuis ontslagen. Het gaat naar omstandigheden goed, meldt hij zondag als we elkaar eindelijk kunnen spreken. Helaas is zijn stuk nog niet gereed, terwijl een dag later de repetities zullen beginnen.
Zelfs in die absurde situatie – ‘het is een wedloop tegen de tijd’ – laat zijn relativeringsvermogen hem niet in de steek, al kan hij enige bezorgdheid niet verhelen. Dat zijn jongste compositie uitgerekend op één programma staat met het Requiem van Mozart, de door ziekte en dood getorpedeerde zwanenzang aller zwanenzangen, kwalificeert hij met nuchtere berusting als ‘de ironie van het lot’. Wat die ironie nog navranter maakt is dat Mozarts dodenmis in Fatum overweldigend aanwezig is, quasi als voorteken. Over de dood haalt hij de schouders op. Maar ‘het was niet mis’ wat hem de afgelopen weken is overkomen. Vreemde gedachte, dat het net zo goed fataal had kunnen aflopen. Fatum.
‘Ik had wel een deel van de partituur naar het ziekenhuis meegenomen, maar werken was onmogelijk. En ik moet behoorlijk ziek zijn om niet te kunnen werken. Ik denk dat het een signaal van m’n lichaam is geweest. De afgelopen maanden deed zich het rare verschijnsel voor dat ik tijdens het componeren in slaap viel. Ik was waarschijnlijk totaal overwerkt. Meestal word je pas ziek of verkouden als een stuk af is.’ Het gaat hem ‘naar omstandigheden goed’. Hoe ver is hij?

‘THEO ZIT OP 75 procent’, schat Bart Schneemann op 1 maart, ‘maar ik ben niet nerveus. Mozart heeft zijn Requiem tenslotte ook niet af gekregen. Het zal wel een beetje improviseren worden.’ Mede omdat het Blazers Ensemble tijdens het repetitieproces nog op één lijn moet zien te komen met de ‘ongeleide projectielen’ van het Orkest van de Straat. ‘Een flamencozangeres. Mehmet, de ud-speler. Een accordeon, een cymbalom.’
Vrolijke boel. ‘Nou’, relativeert Schneemann, ‘reken daar niet te veel op.’ Vriend Hein maakt geen onderscheid, dat is de les. Fatum, vat hij de strekking samen, ‘zal het verhaal vertellen dat de dood ons lot is, of je nou hoge of lage kunst maakt, of je nou meesterwerken schrijft of op straat speelt’.
Maar het is meer dan dat. ‘Dit stuk gaat over Theo’s leven, zijn instelling tegenover de muziek.’ Fatum is ook het credo van een componist die in zijn oeuvre een volstrekt eigengereide versmelting realiseerde van westerse en niet-westerse muziekculturen, ‘hoge’ en ‘lage’ muziek, genoteerde muziek en improvisatie.
Maar waar het ensemble Ziggurat, dat Loevendie in 2003 oprichtte, de vereniging van die klankwerelden bezegelt door westerse instrumenten te combineren met niet-westerse, raken ze in Fatum ostentatief met elkaar in conflict. Het Blazers Ensemble staat als ‘orkest van de zaal’ voor de klassieke muziekwereld waar Loevendie, voordat hij naam maakte als een van Nederlands meest prominente componisten, als jazzmusicus via de achterdeur binnenkwam. Het Orkest van de Straat vertegenwoordigt in de meest letterlijke zin de tegenculturen die Loevendie altijd in ere hield; de straatmuziek van zijn jeugd als zoon van een marktkoopman in de Kinkerbuurt, de spontane improvisatie, de exotische muziekculturen waarvoor hij een diepe en blijvende belangstelling ontwikkelde.

VOOR DE uitbeelding van die clash of civilizations greep hij terug op Poesjkins Mozart en Salieri, het roemruchte minitoneelstukje waarin Salieri zijn uitverkoren vakbroeder uit rancune vergiftigt. Het vergiftigingsverhaal speelt in Fatum geen rol, de eerste scène des te meer. ‘Daar heeft Mozart net een blinde violist een van zijn aria’s horen spelen. Hij vindt dat zo iets geweldigs dat hij de man uitnodigt zijn kunsten aan Salieri te vertonen. Dat is iets wat ik heel goed kan begrijpen. Mozart verwoordt mijn belangstelling voor dat soort dingen: een aria uit een meesterwerk, gespeeld door een straatmuzikant. Wat is nou muzikale waarheid? Is een Afrikaan die maar wat staat te trommelen de waarheid? Nee, maar hij heeft iets wat Mozart mist, iets waarvan ik denk dat het de muziek kan verrijken – al hoor je mij niet zeggen dat ze gelijkwaardig zijn.’
Die ruimhartigheid is aan de elitaire Salieri niet besteed. Hij is geschokt. Hoe kan een genie als Mozart plezier beleven aan het gekras van een invalide? ‘Dat gegeven’, zegt Loevendie, ‘heb ik enorm opgeblazen. Ik heb niet alles van Poesjkin gebruikt, maar de eerste zinnen van Salieri’s openingsmonoloog wel, al heb ik die enigszins aangepast: “Er is geen waarheid”, staat daar, “niet in deze wereld en niet in de hemel.” “Hemel” heb ik vervangen door “muziek”. Want daar geldt hetzelfde voor.’
Zo wordt Fatum via de omweg van het theatrale toch een soort muzikale geloofsbelijdenis. ‘De tegenstelling tussen het Orkest van de Zaal en het Orkest van de Straat is eigenlijk de tegenstelling tussen Salieri en Mozart. Mijn oude blinde violist is een oude blazer. Mozart heeft hem uitgenodigd met zijn vrienden langs te komen.’ Op die uitnodiging gaat hij in. ‘En dan komt, met een afgrijselijke herrie, het Orkest van de Straat binnenvallen. Waarom doe ik dat, als ik ze toch ook een mooi muziekje had kunnen laten spelen? Vooral om de sereniteit van het begin te doorbreken. In het eerste deel van Fatum knoop ik heel sterk bij Mozarts Requiem aan, en Salieri zingt zijn monologen in recitatief, waardoor het allemaal zeer archaïsch wordt. Daar breek ik dwars doorheen. Mozart klapt in zijn handen, en die lui komen binnen. Na hun opkomst zetten ze onmiddellijk in met een nummer op een tekst van Bredero, een liefdesgedicht waaruit ik drie coupletten heb genomen. Salieri vraagt of ze ook iets van Mozart kunnen spelen. Mozart stelt het menuet uit zijn 39ste symfonie voor. Hij dirigeert en zingt het voor, daarna moeten de musici het overnemen. Dat lukt niet helemaal. Het blijft schuren tussen die werelden. Dat heb ik altijd leuk gevonden: wat misloopt toch interessant weten te maken. Salieri heeft er op een gegeven moment zo genoeg van dat hij verontwaardigd wegloopt, terwijl de musici verder spelen.’

DAN DE DOOD. Loevendie vreest hem niet. Ook daarom reageerde hij in eerste instantie afhoudend toen Bart Schneemann hem benaderde met het verzoek voor een requiem. Hij ziet hem niet als spelbreker, maar als een fact of life. ‘Ik heb in mijn leven gedaan wat ik moest doen, daar heb ik geen twijfel over. Wat de waarde van mijn werk is, dat is niet aan mij. En wat de dood betreft: die hoort erbij. Dat idiote vasthouden aan het leven, aan jong en mooi willen zijn, daar heb ik geen last van. Maar toen Bart me vroeg zei ik wel: ik ben meer met het leven bezig.
Ik heb lang nagedacht over de titel. Eerst had ik als werktitel Requies, maar het is geen requiem – in de verste verte niet. Wat in dit stuk zit is het gegeven dat iedereen doet wat-ie doet omdat dat nu eenmaal in de sterren staat. Ik word dikwijls als selfmade man gezien. Maar waarom wordt iemand componist? Heeft het met je milieu te maken? In mijn geval wees niets in de richting van muziek. Toen ik daarover nadacht, realiseerde ik me dat de drijfveer om muziek te maken zo sterk kan zijn dat je er je leven voor zou willen geven. Tegen die drang begin je niets.’
Dat ‘fatalistische gevoel’ overviel hem eerder toen hij werkte aan zijn opera over de Nederlandse verzetsheldin Esmée van Eeghen, die het aanlegde met een Duitse officier. Hij begreep haar. ‘Esmée was een vrijbuitster die zich door niets en niemand liet tegenhouden. Dat ze voor die officier viel kon natuurlijk helemaal niet, maar het gevoel was sterker dan zij. Ze leefde zo.’
En Mozarts Requiem? Ook een geval van fatal attraction, stelt Loevendie vast. ‘Ik identificeer me sterker met Haydn, mede om menselijke redenen. Het milieu waaruit hij afkomstig was, de manier waarop hij zichzelf bleef ontwikkelen – daar herken ik iets in. Maar het Requiem is zeer speciaal voor me. In de beeldende kunst – en dan bedoel ik niet meteen de Venus van Milo – heb je meesterwerken die enigszins zijn aangetast. Dat is dit stuk ook. Het heeft iets… beschadigds. Het is jammer dat hij het niet heeft kunnen afmaken, maar ik ga door de grond als ik het begin hoor, vooral waar het op Bach lijkt – en het is me weer eens opgevallen hoe gigantisch Bachs invloed in het Requiem aanwezig is. Mijn leraar compositie zei altijd dat hij Mozart als contrapuntist hoger achtte dan Bach, omdat Mozart het er maar een beetje bij deed. Dat vind ik wel een mooie uitspraak.’
Laatste tussenstand, maandagmiddag 2 maart: Fatum is af, het noodlot overwonnen.

Concertdata: www.nbe.nl