Het noodlot trotseren

Moby Dick, de klassieker van Melville over de jacht op de witte walvis, begint in een havencafé, waar de verteller van het verhaal, ‘Call me Ishmael’, binnenstapt en kapitein Ahab ontmoet. Een boek waaraan ik nog vaak zal moeten denken tijdens het lezen van Smeltend ijs, de nieuwe roman van de Bulgaars-Duitse schrijver Ilija Trojanow. Zeelieden verzamelen zich in een havenkroeg, drinken wat, nemen elkaar de maat. Het zijn vooral Filippino’s, omdat die geen last hebben van 'bonzende herinneringen of de echo van slachtpartijen’ van het Europese erfgoed, en daarom makkelijk in de omgang zijn. Daartussen Trojanows hoofdpersoon, een Oostenrijkse gletsjerdeskundige die een radicale carrièreswitch heeft gemaakt.
Ilija Trojanow (1965) is een echte globetrotter. Hij ontvluchtte als zesjarige met zijn ouders het communistische bewind in Bulgarije, leefde een poos in een asielzoekerscentrum in Italië, daarna in Duitsland, en ging vervolgens in Nairobi, Kenia naar school. Hij studeerde in Duitsland, woonde lange tijd in Bombay en Kaapstad, trok jaren door Afrika. Hij schreef over al die perioden, zowel in non-fictie als in romans. Vanuit India deed hij mee aan de bedevaartstocht naar Mekka, de hadj, waarvan hij verslag deed in Pelgrimstocht naar Mekka. Net zo schreef hij over een drie weken durend hindoeïstisch feest in Gebruiksaanwijzing voor India.
Als schrijver brak hij door met De wereldverzamelaar, een dikke avonturenroman over de negentiende-eeuwse Victoriaanse ontdekkingsreiziger Richard Burton, die net als Trojanow zelf door India trok, de hadj maakte en in Afrika het Victoriameer wilde ontdekken. Burton lijkt in al Trojanows reizen en boeken leidraad te zijn. Maar Richard Burton is nooit op Antarctica geweest. En daarmee betreedt Trojanow nu werkelijk ongerept terrein.
Antarctica is het laatste maagdelijke landschap in de wereld, en wordt ernstig bedreigd door de opwarming van de aarde. De klimaatverandering die gaande is, is niet meer door menselijke maatregelen tegen te houden, is Trojanows boodschap. Zijn hoofdpersoon heet Zeno; maar de man van de Griekse paradoxen die zich overal met woorden dialectisch uit kan draaien, is hij niet. Jarenlang is Zeno keurig getrouwd, en bestudeert hij één bepaalde gletsjer in de Alpen die hij al uit zijn jeugd kent. Totdat een hartaanval hem in het ziekenhuis brengt. Als hij hersteld is, is de gletsjer gesmolten, en zijn huwelijk voorbij. Dat verlies staat symbool voor de deplorabele toestand van terugkijken en vasthouden, waarin Europa lijkt te verkeren. Zijn vader was nog van de oude stempel: Beiers dialect, in korte broek de berg op met als enige communicatie met de buitenwereld schlagers uit een krakende radio. Nostalgie naar wat geweest is brengt Zeno, en met hem de mensheid, echter geen stap verder.
Hij forceert een breuk met zijn verleden door aan te monsteren op een cruiseschip dat ieder jaar groepen gefortuneerden een 'onvergetelijke ervaring’ op de Zuidpool belooft. Pinguïns knuffelen! Onderweg worden de toeristen onderhouden met vertier en cultuur; Zeno geeft ze een cursus over ijs. De consument is definitief doorgebroken naar het laatste restje ongerepte natuur, en laat daar zijn sporen achter. Letterlijk, doordat men afval en sigarettenpeuken dropt - die niet verteren bij temperaturen onder het nulpunt. Maar vooral doordat de opwarming van de aarde een einde zal maken aan dit landschap, waarschijnlijk lang voordat Rusland, China en vele andere landen die alvast stations bouwden op de Zuidpool het groene licht krijgen om naar olie te boren.
Zeno ziet de verspilling (iedere dag vers fruit, op de Zuidpool!) met lede ogen aan en wordt steeds harder geconfronteerd met zijn eigen dubieuze rol als reisleider. Toppunt is een kunstproject: driehonderd in het rood geklede figuranten die een S.O.S. op het witte ijs vormen. Zeno radicaliseert in hoog tempo. 'Geeft met bloed doordrenkte turf warmte als hij thuis in de kachel wordt verstookt?’ Hij komt niet meer in het reine met zijn geweten, en met de mensheid. En besluit tot een tragische heldendaad die de ogen van de wereld op zich zal vestigen.
De natuur lijkt Zeno een bijna religieuze ervaring te brengen; het is de plek waar de mens zich nietig voelt, de kracht van de schepping ervaart. En juist dat laatste reservaat, wordt aangetast. Die boodschap - Trojanow steekt zijn engagement niet onder stoelen of banken - is somber.
En dan steekt Melville weer de kop op. Ahab, de krankzinnige kapitein, die de walvis Moby Dick als een duivel op de hielen zit. Ahab trotseert God, trotseert het noodlot. Maakt dat de wereld anders? Nee. Net zoals de hoofdpersoon van Smeltend ijs alleen een wanhoopsdaad kan bedenken om zijn punt te maken. Hij wíl zo graag dat de wereld anders in elkaar steekt. Hij trotseert het noodlot. Dat kan in literatuur, in fictie. In de werkelijkheid helaas niet.
Trojanow weet dat natuurlijk. Hij laat die werkelijkheid ook aan het woord in Smeltend ijs. Tussen het verhaal van Zeno en zijn Filippijnse geliefde Pauline op het cruiseschip door tetteren allerlei moderne communicatiemiddelen, signalen van de 'bewoonde’ wereld. Ze reageren op impressionistische wijze op wat er op het schip gebeurt, maar ook wat er, intussen, in de buitenwereld gebeurt, soms staccato, soms in de vorm van een rap, soms onbegrijpelijk. Bijvoorbeeld over de bankencrisis: 'Wij bankgiers kunnen er niks aan doen, het ging ons slechts om de poen.’ Het is het snelle commentaar dat internet en de openbare ruimte vult en de wereld lijkt te sturen via de toverformule breaking news.
De innerlijke drijfveren van Zeno, milieuactivist tegen wil en dank, worden geestig en intelligent beschreven. Zijn actie zal de werkelijkheid niet veranderen. Wel vergroot het het domein van de literatuur, waar wij ons met z'n allen terugtrekken als de buitenwereld ons te veel wordt. Lezend de ondergang tegemoet!

ILIJA TROJANOW
SMELTEND IJS
Uit het Duits vertaald door José Rijnaarts,
De Geus, 182 blz., € 17,50