Economie

Het Noord-Afrikaanse mirakel

Kort geleden publiceerde de UNDP, de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, haar twintigste Human Development Report. Het was in zeker twee opzichten een opvallend rapport. Meer dan ooit brachten de onderzoekers aan het licht dat economische groei en maatschappelijke vooruitgang minder sterk samenhangen dan velen denken. Landen met hetzelfde bruto nationaal product blijken sterk uiteenlopende scores te vertonen op zaken als niveau van onderwijs en de levensverwachting van de inwoners. Dat spoort niet met de laatste liberale wijsheid over ontwikkeling van arme landen: eerst de economie en dan komt de rest vanzelf.
Zo werkt het dus niet. Dat was al langer bekend, maar het is goed dat de UNDP ons dwingt hier opnieuw bij stil te staan. Staatssecretaris Knapen kan hier flink uit putten om zijn populistische en liberale bondgenoten in de Tweede Kamer straks duidelijk te maken dat ontwikkelingssamenwerking ‘best belangrijk’ is.
Alle blikken van de wereld zijn momenteel gericht naar het Oosten. Inderdaad zijn de groeicijfers van China en India indrukwekkend en dat begint een merkbare bron van politieke macht te worden. Je zou denken dat deze landen en andere bekende Aziatische tijgers dan ook het best zullen presteren op de Human Development Index van de UNDP. Deze index is een gewogen gemiddelde van de score op levensverwachting, onderwijsdeelname en inkomen per hoofd van de bevolking.
De UNDP heeft nagerekend welke landen de laatste veertig jaar de grootste sprong op de index hebben gemaakt. Bij de top-tien zitten zes landen die niet tot de Aziatische toppers behoren. Laten we de olie-exporteurs buiten beeld, dan blijven drie Afrikaanse landen over: Marokko, Tunesië en Algerije*. PVV'ers even opletten: landen met een dominant islamitische cultuur. Zij blijken, vergeleken met landen op eenzelfde niveau in 1970, zeer goed te scoren. Dit is overigens slecht nieuws voor ontwikkelingsregio’s waar de christelijke (katholieke) cultuur een betekenisvolle rol speelt. Zij komen er niet aan te pas in het laatste Human Development Report, maar dit terzijde.
Dat deze Noord-Afrikaanse landen niet op het publieke netvlies staan, hoeft niet te verbazen. Met hun economische groei is niks mis, maar deze is niet uitzonderlijk. In de gangbare ranglijstjes vormen ze aardige middenmoters. En de boosaardige aandacht voor de migranten uit de Maghreb heeft deze landen ongetwijfeld geen goed gedaan.
De hoge UNDP-score verdienen deze landen vooral met klinkende resultaten van sociale politiek. De deelname aan onderwijs is in deze landen spectaculair gestegen en de levensverwachting benadert inmiddels het niveau van Europese landen. Daar laten zij heel Azië een poepje ruiken.
De onderzoekers wijzen ter verklaring op bijvoorbeeld de Tunesische onderwijspolitiek na de onafhankelijkheid van 1956, waardoor anno 2010 in Tunesië meer vrouwen doorstuderen dan in Hongkong. Gratis gezondheidszorg heeft ook gewicht in de schaal gelegd.
En Tunesië ging midden jaren negentig door met een vernieuwd voedselprogramma, ondanks het feit dat de heersende mode (de 'Washington-consensus’) dit beleid als 'niet marktconform’ wegzette. Een sterke overheid, die serieus werk maakt van verbetering van de positie van vrouwen en bestrijding van honger, blijkt cruciaal.
Pijnloos is de geschiedenis overigens niet: met de democratie schiet het niet op in deze landen. Daar laten andere toppers op de UNDP-lijst zien hoe het wél moet.
Hoe dan ook leren de Noord-Afrikaanse Tijgers ons de waarde van het afscheid van elke vorm van orthodoxie. Religieus én economisch. Tussen Taliban en Tea Party blijkt een wereld te winnen.

* De top-tien ziet er als volgt uit:
Oman, China, Nepal, Indonesië,
Saoedi-Arabië, Laos, Tunesië, Zuid-Korea, Algerije, Marokko.
(bron: Human Development Report 2010)