Opheffer

Het nut van geschiedenis

Waartoe dient de geschiedenis? Is het om te vergelijken? Je hebt schrijvers die voortdurend het verleden aanhalen om daarmee aan te tonen hoe wij dachten, voelden, wat we vonden.

Maar voor elk fragment kun je een tegenfragment tonen dat de zaak weer ondersteboven zet.

Geert Mak kan een gloedvol betoog houden over «Amsterdam», maar uiteindelijk is de stad ook maar een generalisatie, een abstracte verzameling. Je hebt het Amsterdam van Geert Mak en het Amsterdam van Opheffer, zoals je ook het Amsterdam van Theo van Gogh had en het Amsterdam van Job Cohen. Persoonlijk vind ik de uitgangspunten van Cohen om een stad te besturen zwak. «De boel bij elkaar houden», klinkt vredelievend, aardig, beleefd, voorkomend, verstandig – maar de vraag is of dat zo is. Geef je daarmee niet de ruimte om woede te ontwikkelen, haat, een nieuwe minderheid?

Je kunt zeggen: sinds de moord op Theo van Gogh is het rustig gebleven in de stad en dat is de verdienste van Job Cohen. Maar je kunt ook zeggen: sinds de moord op Theo – de tweede politieke moord in Nederland, wat meer is dan in enig ander Europees land de afgelopen vijf jaar – is in Amsterdam het antisemitisme toegenomen, is dus het racisme toegenomen, is de verhouding tussen islamieten en niet-islamieten behoorlijk verslechterd – en dat is de schuld van Job Cohen, die niet bij machte is daartegen iets te doen.

De bril van de historicus blijkt net zo beslagen als de bril van de chroniqueur.

Ik heb met verschillende televisieploegen uit verschillende landen door bepaalde Amsterdamse buurten gelopen. Soms – in het geval van een Amerikaanse televisieploeg – was het gênant: we werden uitgescholden en bedreigd door Marokkaanse jongeren. Soms was het domweg vervelend omdat er door jongeren in de camera werd gespuugd, en soms was het verbijsterend en onthullend, als we bijvoorbeeld een Turk voor de camera kregen die op een walgelijk racistische wijze tegen de Marokkanen tekeerging. Het Amsterdam dat ik toen zag was niet het Amsterdam waarin mensen zoals Theo van Gogh iets tegen islamieten hebben – Theo had trouwens niks tegen islamieten, maar iets tegen de islam – maar ik zag Amsterdammers van Turkse, Joegoslavische, Russische en Ierse afkomst die scholden op Marokkanen. Op de Marokkaanse jeugd in het bijzonder.

We spraken een Kroatische vrouw: «Ik ben blij hier in Amsterdam. Ik werk hard om mijn kinderen te laten studeren. Maar die Marokkanen verpesten alles: omdat die vrouwen niet werken, kunnen ze hun kinderen niet naar de universiteit laten gaan. Die vrouwen mogen niet werken van hun man. En die man doet ook niets. Dus doen de kinderen ook niets. En ik betaal hier ook belastingen. Ze moeten weg. Terug naar Marokko.»

Al tijden zeur ik over een enquête naar hoe minderheden over minderheden denken. Ik denk dat de enquête, mits goed uitgevoerd, zodat sociaal wenselijke antwoorden uitgesloten zijn, nog wel eens opzienbarend zou kunnen zijn.

In Amsterdam huizen vele geschiedenissen. De bloederige geschiedenis van Kroatië, en de bloedige geschiedenis van Tsjetsjenië, de bloedige geschiedenis van Irak en de bloedige geschiedenis van Turkije. Het is daarom moeilijk om een uitspraak te doen over die verzameling.

Het helpt niet om Theo, zoals Geert Mak doet, een antisemiet te noemen. Dat is een valse beschuldiging. Al die fundamentalistische moslims zijn wél antisemiet. De periferie daaromheen is ook antisemiet. Maar toont die uitspraak iets aan?

Hoeveel minderheden zitten er niet in Amsterdam die gevlucht zijn voor een fundamentalistisch regime? Ik ken er een paar. Die begrijpen niets van onze politiek, zeker niet van onze linkse politiek. Ik weet dat ze hebben gesproken met Wouter Bos en Femke Halsema – en ze stuitten op onbegrip. Ik weet dat Zeki Arslan met ze heeft gesproken, een GroenLinks-lid van Turkse afkomst die een eigen, seculiere minderhedenpartij wil oprichten.

Het vreemde is dat wanneer ik in de stad loop ik niet zozeer een verschil tussen minderheden en niet-minderheden zie, tussen arm en rijk, maar een kloof tussen mensen met kennis en zonder kennis. De mensen met kennis praten met elkaar en de mensen zonder kennis praten ook met elkaar. Ze praten over elkaar, en niet met elkaar. Ze hebben een hekel aan elkaar.

Kennis en geen kennis. Wat ik de laatste tijd heb gehoord over homoseksuelen onder redelijk verlichte islamieten… je gelooft het niet. Zoals ik ook hun opvattingen over huwelijk en seksualiteit niet geloof. Wat ik wél geloof is hun oprechtheid in een vorm van hypocrisie.

«Jij wil die vrouw toch neuken?»

«Ja, dat wel… Maar niet mee trouwen…»

«Je wilt een maagd…»

«Ja…»

«Waarom dan?»

«Dat hoort.»

«Van wie?»

«Van mijn geloof.»

Ik voer die gesprekken niet eens meer. Ik wijs naar mijn hoofd, en zeg dat ze hypocriet zijn.

«Maar jij bent ook hypocriet.»

En dat is waar… Ik ging vreemd, ik neukte ook met vrouwen met wie ik nooit zou willen trouwen. Maar ik nam het die vrouwen niet kwalijk. Sterker: ik zou liever niet willen trouwen met iemand die nog maagd is…

Maar zo’n uitspraak levert gelach op.

Geschiedenis… De waarheid onthul je er niet mee. Het inspireert, het geeft soms een handvat om iets mee aan te pakken of te begrijpen. Je vormt er je eigen identiteit mee – maar ja, wat heb je daaraan?

Zo zeul ik krijgsgevangenschap, humanisme en moord met mij mee.

En verder niks.