Kunst

HET NUT VAN HET NUTTELOZE

KUNST Interview met Harmen Brethouwer

Het boek Over nutteloze zaken van beeldend kunstenaar Harmen Brethouwer (1960) telt ruim tweehonderd rijk geïllustreerde pagina’s: veel foto’s van eigen werk, menhirs en panelen van wisselende afmetingen die steeds weer anders zijn uitgevoerd en uitgedost, maar ook achtergrondinformatie over de kunsthistorische en ambachtelijke context van die objecten. De titel, vertelt Brethouwer, komt van Wen Zhenheng, een Chinese geleerde die begin zeventiende eeuw een verhandeling samenstelde voor de liefhebber van mooie dingen.

We staan in Brethouwers werkruimte aan de rand van Zeist: een lichte kamer met luxaflex voor de ramen. Een kleine houten menhir siert zijn bureau, een manshoge menhir staat in plastic ingepakt klaar voor vertrek, op een kast staan een paar kleine witte, en een groene gemaakt van malachiet. Aan de muur hangen panelen: vierkanten beschilderd door marmer-imitatieschilders. Ze hebben allemaal een rond gat waardoorheen een spijker steekt die de schilderijen draagt. Harmen Brethouwer: ‘Ontsierend? Misschien. Het is in elk geval niet stiekem opgehangen, zoals een gewoon schilderij.’

Zo’n veertig kunstobjecten uit Brethouwers ruim vijftig stukken tellende oeuvre zijn nu te zien in Museum Boijmans Van Beuningen. ‘Mijn oeuvre groeit langzaam. Dat beeld van zilverfiligraan bijvoorbeeld, daar doe je drie jaar over om het te laten maken.’ Láten maken ja, want Brethouwer is een conceptueel kunstenaar. Hij bedenkt de vorm en zoekt manieren waarop hij die vormen wil aankleden, de uitvoering laat hij over aan bronsgieters, glasblazers en andere vaklieden.

Sinds hij in 1984 van de Academie voor Beeldende Kunst en Vormgeving in Arnhem kwam, dacht Brethouwer na over de essentie van kunst. Zoekend naar materiaal dat nog niet belast was door een kunsthistorische traditie kwam hij uit bij spaanplaat: ‘Nu wordt dat veel gebruikt, maar toen nog helemaal niet.’ Spaanplaat is goedkoop en altijd hetzelfde: ‘Maar als ik er een beeld van maakte, was het nog steeds te veel spaanplaat. Om het te bederven verfde ik het in de meest neutrale kleur groen die ik kon vinden. Dat leek me het minst een uitspraak te doen. Wit is te zuiver, te netjes; zwart of grijs te veel een statement.’

Volgende restrictie: een beeld moest uit zo weinig mogelijk onderdelen bestaan. ‘Twee, maximaal drie. Ik wilde niks doen wat niet strikt noodzakelijk was.’

Spaanplaat is inmiddels vervangen door panelen en menhirs. Brethouwer projecteert de hele kunstgeschiedenis op deze twee vormen: chinoiserieën die staan voor het historische en exotische, art deco als verbeelding van het decoratieve, en minimal art als representant van het rationele. Bij voorkeur voegt Brethouwer er zelf nog iets aan toe, zoals de afbeelding van genetisch gemanipuleerde bloemen. Hij probeert er de humor van in te zien dat hij na grondig speurwerk een menhir overhield als basisvorm: ‘Ik had alles bekeken en dat bleef over. Dat moest dus de waarheid zijn. Shit, dacht ik. Nee hè.’

Want je kunt er nog zulke mooie theorieën op loslaten, zeg ‘menhir’ en je ziet Astérix en Obelix voor je. ‘Ik hou erg van die strips, er zit geweldige humor in, de makers ervan vind ik filosofen. Die kun je heel serieus nemen als auteurs.’ Toch stelde hij zich in op wagonladingen grappen: ‘Maar het viel mee. Ik geloof nog in de mensheid.’ Ook de vorm zelf stelde hem niet teleur: ‘Integendeel. Het is een prachtig lichaam dat mooi te behandelen is. Het heeft een duidelijk begin en einde, kan zelf staan en ik vind nog steeds nieuwe mogelijkheden om erop toe te passen.’

Lang was hij de enige die geloof in zijn werk had. Maar: hij weet waar hij mee bezig is; niet voor niets staat in zijn boek een uitspraak van Kasimir Malevitsj naast de afbeelding van Brethouwers versie van een zwart vierkant: ‘Het publiek is er zoals altijd, ja, zelfs meer dan ooit, van overtuigd dat de kunstenaar nutteloze, onpraktische dingen maakt, men bedenkt nooit dat deze nutteloze dingen blijvend zijn en in duizenden jaren niets aan levendigheid inboeten, terwijl nuttige dingen slechts kort bestaan.’

Het woord ‘nutteloos’ heeft een negatieve connotatie, maar, haast Brethouwer zich te zeggen, nutteloosheid staat niet gelijk aan waardeloosheid: ‘De godsdienstfilosoof Martin Buber schreef: “De mensen kennen het nut van het nutteloze niet.” Het Engelse woord superfluous drukt goed uit wat ik bedoel: dat wat meer is dan nodig is. Extraatjes. Zoals de esthetische aspecten van een rijtuig, dat zonder fraaie versierselen ook wel rijdt.’

Maar heeft kunst bestaansrecht als je zelf de enige bent die erin gelooft? Brethouwer meent van wel: ‘Hoe kan het geloof van één iemand er níet toe doen, niet van waarde zijn? Je moet niet op de korte termijn denken bij kunst. Weinig is zo belangrijk als het uitstellen van een oordeel, beweert mijn oud-studiegenoot en beeldend kunstenaar Raoul Teulings al jaren. Over de kunstgeschiedenis kun je niet anders denken. Want je kunt nu niet bepalen of je naar iets tijdloos kijkt of naar iets dat eeuwigheidswaarde heeft. Mijn werk is in elk geval heel eerlijk.’

Over nutteloze zaken, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, t/m 18 mei