John Stuart Mill en het tegendraadse standpunt

Het nut van non-conformisme

John Stuart Mill vreesde de onderdrukkende macht van de publieke opinie. Hij kwam op voor de excentriekeling die met toewijding anders dacht dan algemeen gewenst. Zou hij Geert Wilders hebben gezien als iemand die de samenleving verder brengt?

ONLANGS WERD op Radio 1 een Nijmeegse onderzoekster geïnterviewd over hersengolven. Aan de Radboud Universiteit is ontdekt dat als mensen bij het uitoefenen van een taak een fout begaan doordat hun aandacht verslapt, vlak van tevoren te zien is dat ze die fout gaan maken. Door de manier waarop het gesprek op de radio verliep, bleef het volgende, vervreemdende en ook beangstigende toekomstbeeld hangen: grote groepen mensen die de hele dag saai en geestdodend werk verrichten, maar met behulp van elektroden op hun hoofd worden behoed voor het maken van fouten.
Vanuit dit beeld was het gemakkelijk om een sprongetje te maken naar Jeremy Benthams Panopticon uit het eind van de achttiende eeuw: een ronde gevangenis waarin de bewakers de gevangenen kunnen zien, maar de gevangenen niet de bewakers. Met dit verschil dat wij in de toekomst misschien wel allen de gevangenen zouden kunnen zijn van een tredmolen en niet alleen de armen en criminelen, zoals bij de utilitarist Bentham het geval was. In het toekomstbeeld dat het radiogesprek opriep, zou het pure economische nut verheven zijn tot het hoogste doel.
Van Bentham is het een kleine stap naar John Stuart Mill. Die was door zijn vader James vertrouwd gemaakt met de ideeën van Bentham, maar voegde er, zoals het een goede leerling betaamt, iets aan toe: vrijheid. De vrijheid om de elektroden van het hoofd te rukken en de vraag te stellen of deze efficiencyslag in het arbeidsproces wel nuttig is, nuttig voor het geluk van de mens. Want daar ging het Mill uiteindelijk om.

HET IS BIJNA veertig jaar geleden dat F.L. van Holthoon aan de Universiteit van Groningen promoveerde op de geschriften van Mill. Zijn proefschrift, The Road to Utopia, geeft een interessant inzicht in het denken van Mill. De Engelsman zag vrijheid niet als een natuurlijk recht, voor hem was vrijheid van nut. Nuttig bij het zoeken naar waarheid, waarbij die waarheid weer van nut is om de mens en de samenleving verder te brengen. Want bij Mill is de mens een progressief wezen, dat niet alleen uit is op zijn eigenbelang, maar ook streeft naar hogere en nobeler doelen. Bij dat zoeken naar waarheid, zo schrijft Van Holthoon, is vrijheid voor Mill nodig als vruchtbare voedingsbodem, want dat zoeken mocht van de Engelsman nooit stilstaan. Dat zou de dood in de pot zijn.
Daar komt bij Mill het nut van de non-conformist om de hoek kijken. Dat die twee samengaan, nut en non-conformisme, lijkt niet vanzelfsprekend. De man of vrouw die in de toekomst de helm met elektroden van het hoofd trekt en de principiële vraag stelt of de efficiency in het arbeidsproces niet te ver is doorgeschoten, is natuurlijk lastig voor zijn of haar werkgevers en collega’s. En lastig is niet direct nuttig. Het leuke aan Mill is dat hij daar anders over dacht. Bewust is hier gekozen voor het woord ‘leuk’, omdat Mill je met zijn zienswijze uitdaagt door te denken, los te komen van het keurslijf in je hoofd. Hij doet je beseffen dat vreemde gedachtesprongen van nut kunnen zijn, hetgeen bevrijdend en vrolijk makend werkt.
Voor Mill was de non-conformist niet lastig, maar was hij iemand die de samenleving een dienst bewijst bij het zoeken naar waarheid. Dat gold wat hem betreft ook de non-conformist wiens anders-zijn uiteindelijk niks bijdraagt aan de samenleving of wiens andere opvattingen futiel blijken. Non-conformisme was voor Mill het wapen om de macht van de publieke opinie te breken en ruimte te geven aan afwijkende meningen. Als er íets was wat hij wilde, was het dat, want hij vond dat de onderdrukkende kracht van de publieke opinie even doeltreffend kon zijn als een wet die de vrijheid van meningsuiting aan banden legt. Mill bepleitte dit alles opdat uiteindelijk de paar genieën onder de non-conformisten zouden kunnen floreren en de samenleving vooruit zouden kunnen helpen.

MILL ACHTTE het blijven bevragen van de communis opinio zo belangrijk dat hij liever had dat mensen fouten maken in hun denken dan dat ze zich gedachteloos conformeren aan de heersende mening. In zijn boek Over vrijheid schrijft hij: ‘De waarheid wint zelfs meer door de vergissingen van iemand die, met de nodige toewijding en voorbereiding, voor zichzelf denkt, dan door de ware opvattingen van mensen die deze alleen aanhangen omdat zij zichzelf niet toestaan te denken.’
Hij vreesde dat als mensen niet bevraagd blijven worden ‘niet alleen de gronden voor een opvatting vergeten worden, maar al te vaak ook de betekenis van de opvatting zelf’. Dan worden woorden als ‘vrijheid van meningsuiting’, ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ lege woorden. Of zoals Mill het beeldend beschrijft: ‘Alleen de schil blijft over, het kaf van de betekenis, terwijl de fijne kern verloren gaat.’
Bij dit alles bleef Mill gericht op wat hij progressie noemde. Terugkijkend naar de geschiedenis zag hij periodes die meer vooruitgang brachten dan andere. Volgens hem was dat omdat het denken in de bloeiperiodes niet werd geblokkeerd. ‘Zodra er een stilzwijgende overeenstemming bestaat dat er niet over principes gepraat mag worden, zodra de discussie over de grote vragen die mensen bezighouden als gesloten wordt beschouwd, kunnen we niet verwachten dat we die algemene graad van geestelijke activiteit aantreffen die sommige historische perioden zo opmerkelijk heeft gemaakt.’
Voor de democratie zag Mill dan ook niet anarchie of de liefde voor verandering als grootste bedreiging, ‘maar Chinese stagnatie en immobiliteit’. Voor hem was democratie geen doel op zich, maar een middel om vooruit te komen.
Blijf je geest scherpen, zegt Mill, durf jezelf te bevragen, maar bovenal: confronteer jezelf rechtstreeks met de afwijkende mening van anderen. Want dat vindt hij vooral: je moet een standpunt horen uit de mond van iemand die er werkelijk in gelooft. Alleen op die manier worden volgens Mill de argumenten van die ander rechtgedaan en dringen ze door in je eigen manier van denken.
TOT ZO VER de theorie. Nu de praktijk. In het recente verleden is een aantal ‘Haagse’ onderwerpen aan te wijzen waar een drukkende communis opinio geleid heeft tot stagnatie of verkeerde oplossingen. Zo rustte er in de jaren negentig een taboe op het bevragen van de multiculturele samenleving. Degenen die het probeerden werden gehoond dan wel genegeerd. Met de Fortuyn-revolutie als gevolg.
Ook het ter discussie stellen van nut en noodzaak van de elkaar opvolgende onderwijsvernieuwingen was not done, een taboe dat pas echt werd opgeheven met het vorig jaar verschenen rapport van de parlementaire onderzoekscommissie-Dijsselbloem. Die commissie moest constateren dat de zorg van de overheid voor het onderwijs onder dat taboe had geleden.
Bij het referendum in het voorjaar van 2005 over de Europese grondwet bleek dat, in Mills woorden, ‘de fijnere kern’ van wat Europa voor Nederland betekent verloren was gegaan. De Europese Unie was als het ware een lege schil geworden waar velen de zin niet meer van kenden, mede doordat het kritisch bevragen van die betekenis niet op prijs werd gesteld. Op dit moment kijken we aan tegen gigantische scheuren in het heilige geloof in de vrije marktwerking en heeft het verafgoden van economische groei een forse deuk gekregen. Niet dat hierop in het recente verleden geen kritiek mogelijk was, maar die werd vaak weggezet in plaats van met argumenten gepareerd, zoals Mill dat graag gezien zou hebben. Andersglobalisten waren toch vooral lastig, en wie niet meedeed in aandelen, grote overnames of het bedenken van slimme bankproducten was een dief van zijn eigen portemonnee, genoot geen aanzien of kreeg geen vette bonussen. Dit kost de wereld inmiddels miljarden en doet het sociale weefsel van de samenleving kraken.
Hoewel van recente datum zijn dit inmiddels bespreekbare onderwerpen geworden. Hoogstens is de reactie erop zelf verworden tot een nieuwe, bijna niet te bevragen publieke mening. Zo is het woord ‘multicultureel’ nu bijna net zo fout als het destijds goed was. Dreigt elke onderwijsvernieuwing bij voorbaat als ongewenst te worden afgeserveerd. Is een bonus inmiddels altijd slecht. En is meer toezicht op de banken hét redmiddel voor de financiële crisis.
Ingewikkelder wordt het bij de vraag of Mill het Tweede-Kamerlid Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid zou hebben gezien als een non-conformist die de samenleving verder brengt. Waarbij moet worden aangetekend dat Mill met progressie niet noodzakelijkerwijs verbetering bedoelde, ook al was dat wel waar hij op hoopte. De persoon Wilders maakt het beantwoorden van die vraag lastig. Niet zozeer om wat Wilders wil overbrengen. Dat zou nog de eigen gedachten kunnen scherpen bij het verdedigen van het tegendeel. Maar omdat Wilders zelf niet doet waar het bij Mill allemaal om draait: met zijn tegenstander in discussie gaan, argumenten aanvoeren voor zijn beweringen om zo tot een beter gefundeerde waarheid te komen en vooruitgang te boeken in de Nederlandse samenleving die worstelt met nieuwe culturen, opvattingen en gewoontes.
Bovendien roepen de uitlatingen van Wilders over de islam en moslims ook de vraag op of hij daar geen schade mee berokkent aan derden. Het Openbaar Ministerie is dat nu aan het onderzoeken. Schade aan derden was voor Mill een criterium om de overheid te laten ingrijpen. Ook aan een ander criterium van Mill voldoet Wilders niet: hij praat over zijn werkelijke tegenstanders, de Marokkanen en Turken in Nederland, op een weinig hoffelijke manier, en zelden praat hij mét ze.
Als we de opiniepeilingen moeten geloven, hebben steeds meer kiezers geen boodschap aan deze kanttekeningen die Mill bij de persoon Wilders zou maken. Van Holthoon beschrijft in zijn dissertatie wat Mill het meest vreesde: dat de democratie vergezeld zou gaan van intolerantie voor afwijkende meningen. Mill was bang voor de tirannie van de democratische meerderheid. Toegepast op de Nederlandse situatie is wat we bij Wilders en zijn potentiële schare kiezers zien het spiegelbeeld van de jaren negentig. Destijds wilden velen niet horen van de problemen in wat nu de Vogelaarwijken heten, nu willen grote groepen kiezers geen goed woord horen over de komst van migranten naar Nederland.
Mill zag goed onderwijs als oplossing voor dit probleem van het verspreiden van oppervlakkige waarheden onder de massa’s. In zijn essay Civilization breekt hij een lans voor nationaal onderwijs dat inspireert ‘tot intense liefde voor waarheid’. Alleen schieten we met die notie niet veel op, wetende dat nu meer mensen hoger onderwijs genieten dan 150 jaar geleden.
Misschien helpt de volgende passage van Mill in de omgang met Wilders, diens uitlatingen over de islam en het zich afkeren van de democratie. In die passage roept Mill op tot het blijven bediscussiëren en met argumenten verdedigen van wat je lief is. ‘Hoe weinig graag iemand die ergens krachtig van overtuigd is ook toegeeft dat hij ongelijk heeft, hij zou toch moeten inzien dat dit een dood dogma en niet de levende waarheid is als zij niet dikwijls grondig en onbevreesd ter discussie wordt gesteld.’
Dan zou Wilders toch de nuttige non-conformist kunnen zijn. Zijn nut? Lege schillen weer inhoud geven, zodat het besef groeit dat democratie niet vanzelfsprekend is, de vrijheid van meningsuiting telkens weer onderzocht moet worden en dat échte godsdienstvrijheid verdedigd moet worden, zowel tegen aanvallen van gelovigen als van ongelovigen.